Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5713

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
UTR 13-1149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 1.1, aanhef en onder e, en 4.1.1.1. van Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer Utrecht (SNL); artikel 1:3 van de Awb

Bestreden besluit is nagenoeg identiek aan het besluit van 6 november 2012 dat, met uitzondering van de beheereenheden 1026 en 1037, in rechte vaststaat. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om haar niet toe te rekenen dat zij daarom het instellen van beroep tegen het besluit van 6 november 2012 achterwege heeft gelaten. Dat de Dienst eiseres niet heeft gewezen op de rechtsgevolgen van twee nagenoeg identieke besluiten op bezwaar, komt voor haar risico.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de vastgestelde oppervlakte van de beheereenheden 1000 t/m 1003, 1006 t/m 1014, 1016 tot en met 1025, 1027 t/m 1036 en 1038 t/m 1060 ten opzichte van het besluit van 6 november 2012 ongewijzigd gelaten. Dat geldt ook voor de vastgestelde slotenmarge. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vastgestelde oppervlakte van de laatstgenoemde beheereenheden en de daarbij vastgestelde slotenmarge niet op rechtsgevolgen is gericht. Het beroep van eiseres voor zover daartegen gericht, is daarom niet-ontvankelijk.

De inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit beperkt zich dan ook tot de gewijzigde subsidiabele oppervlakte van de beheereenheden 1026 en 1037. Nu eiseres de herverdeling van oppervlakte van de botanische weideranden over de beheereenheden 1026 en 1037 niet heeft bestreden en ook de rechtbank geen reden ziet om aan te nemen dat verweerder aldus de subsidiabele oppervlakte van deze beheereenheden onjuist heeft vastgesteld, is het beroep van eiseres gericht tegen het bestreden besluit, in zoverre, ongegrond.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder hangende het beroep van eiseres bij het bestreden besluit II de subsidiabele oppervlakte van de beheereenheden 1001, 1008 en 1012 heeft gewijzigd door deze verlaagd vast te stellen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiseres van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit II, nu niet is gebleken dat eiseres daarbij geen belang heeft.

Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de oppervlakten van de drie beheereenheden in het bestreden besluit II onjuist zijn vastgesteld, omdat deze zijn gebaseerd op luchtfoto’s uit 2012 in plaats van luchtfoto’s uit 2010. Nu verweerder zijn standpunt neergelegd in het bestreden besluit II niet langer handhaaft, is het beroep gericht tegen dat besluit gegrond. Het bestreden besluit II wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/1149

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 november 2013 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma [eiseres] , te[woonplaats], eiseres

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen)

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van eiseres op grond van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht (SNL) voor 2010 vastgesteld op € 22.123,74.

Bij besluit van 14 januari 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard, de vastgestelde subsidie gewijzigd en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 juni 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen, het bezwaar gegrond verklaard en de vastgestelde subsidie verhoogd met € 347,09.

Eiseres heeft hiertegen aanvullende gronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2013. Eiseres is vertegenwoordigd door M.G. de Rooij-Van Walbeek en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. S.G.A Peeters, beiden werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zalen, Landbouw en Innovatie.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 13 november 2009 bij verweerder een aanvraag ingediend voor subsidie ten behoeve van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Bij besluit van 12 april 2010 heeft verweerder op grond van de SNL eiseres voor de periode 1 januari 2010 tot en met

31 december 2015 ten behoeve van individueel agrarisch natuur- en landschapsbeheer een subsidie van € 24.963,47 verleend. Het betreft onder meer de beheerpakketten botanische weiderand en knotboom gemiddelde. Op 11 mei 2010 heeft eiseres via de Gecombineerde Opgave (GO) een verzoek om uitbetaling van de subsidie bij verweerder ingediend.

2.

Verweerder heeft bij beschikking van 17 juni 2011 de subsidie voor eiseres voorlopig vastgesteld op € 21.788,54.

3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie voor eiseres definitief vastgesteld op € 22.123,74. Daarbij heeft verweerder de verleende subsidie gedeeltelijk ingetrokken, omdat voor een aantal beheereenheden de randen van de percelen op dezelfde oppervlakte zijn ingetekend als de vlakken en bij een aantal beheereenheden afwijkingen in de oppervlakten zijn geconstateerd.

4.

Eiseres heeft op 25 oktober 2011 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

5.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, de subsidiabele oppervlakte voor de beheereenheden 1000 t/m 1002, 1006, 1007, 1010 t/m 1012, 1017 t/m 1019, 1021 t/m 1025 en 1027 t/m 1060 gewijzigd en de subsidie verhoogd vastgesteld. De subsidie voor de beheereenheden 1008, 1009, 1013, 1014, 1016, 1020 en 1026 heeft verweerder ongewijzigd vastgesteld.

6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder wederom het bezwaar van eiseres, voor zover dat is gericht tegen de vastgestelde subsidie voor de beheereenheden 1000 t/m 1002, 1006, 1007, 1010 t/m 1012, 1017 t/m 1019, 1021 t/m 1025 en 1027 t/m 1060 gegrond verklaard en het bezwaar voor zover dat is gericht tegen de vastgestelde subsidie voor beheereenheden 1008, 1009, 1013, 1014, 1016, 1020 en 1026 ongegrond verklaard.

7.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 18 februari 2013 beroep bij de rechtbank ingesteld.

8.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit inhoudelijk gelijk is aan het besluit van

6 november 2012, met dien verstande dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van beheereenheid 1026 heeft verhoogd van 1,06 naar 1,11 hectare en de oppervlakte van beheereenheid 1037 heeft verlaagd van 1,09 naar 1,04 hectare. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres tegen het besluit van 6 november 2012 geen beroep heeft ingesteld. Eiseres heeft niet gesteld, en de rechtbank is ook niet gebleken, dat het besluit van 6 november 2012 niet op de voorgeschreven wijze aan haar bekend is gemaakt. De rechtbank is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden waardoor eiseres niet in staat was om tijdig beroep in te stellen.

9.

Ter zitting heeft eiseres hierover naar voren heeft gebracht dat zij met het besluit van

6 november 2012 op het verkeerde been is gezet, omdat met een medewerker van de Dienst Regelingen was afgesproken dat een beslissing op haar bezwaarschrift zou worden aangehouden totdat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak had gedaan in de beroepsprocedure tegen de beslissing over de BTR 2010 en die afspraak nadien door de Dienst ‘van hogerhand’ is ingetrokken. De rechtbank ziet hierin geen reden om eiseres niet toe te rekenen dat zij daarom het instellen van beroep tegen het besluit van 6 november 2012 achterwege heeft gelaten. Dat eiseres hangende de beroepstermijn contact heeft gehad met de Dienst Regelingen, waarbij haar is verteld dat het besluit van 6 november 2012 een foutje bevatte en dat een nieuwe beslissing op bezwaar zou worden genomen, had eiseres niet hoeven te beletten om alvast voorlopig beroep bij de rechtbank in te stellen. Dat klemt te meer nu de Dienst Regelingen, naar eiseres heeft gesteld, een afspraak op 17 december 2012, de laatste dag van de beroepstermijn, voor een gesprek over de oppervlakte problematiek, had afgezegd. Dat de Dienst eiseres niet heeft gewezen op de rechtsgevolgen van twee nagenoeg identieke besluiten op bezwaar, komt voor haar risico.

10.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 6 november 2012, met uitzondering van de beheereenheden 1026 en 1037, in rechte vaststaat. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de vastgestelde oppervlakte van de beheereenheden 1000 t/m 1003, 1006 t/m 1014, 1016 tot en met 1025, 1027 t/m 1036 en 1038 t/m 1060 ten opzichte van het besluit van 6 november 2012 ongewijzigd gelaten. Dat geldt ook voor de vastgestelde slotenmarge. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vastgestelde oppervlakte van de laatstgenoemde beheereenheden en de daarbij vastgestelde slotenmarge niet op rechtsgevolgen is gericht. Het beroep van eiseres voor zover daartegen gericht, is daarom niet-ontvankelijk.

11.

De inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit beperkt zich dan ook tot de gewijzigde subsidiabele oppervlakte van de beheereenheden 1026 en 1037. Verweerder heeft ter zitting hierover toegelicht dat de gewijzigde oppervlakte een gevolg is van een herverdeling van de botanische weiderand van beheereenheid 53, dat is gelegen op beheereenheden 1026 en 1037, maar dat de totale oppervlakte van beheereenheid 53 van 0,14 hectare niet is gewijzigd. Als gevolg van een andere verdeling van de oppervlakte van de rand over de beheereenheden 1026 en 1037 krijgt eiseres per saldo meer subsidie uitbetaald over 2010 dan bij het besluit van 6 november 2012. De door eiseres bij haar betaalverzoek voor beheereenheid 53 opgegeven oppervlakte van 0,14 krijgt eiseres wel volledig uitbetaald, aldus de toelichting van verweerder ter zitting. De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen de vastgestelde oppervlakte van beheereenheid 53 in haar beroepschrift noch ter zitting beroepsgronden heeft aangevoerd. Eiseres heeft de herverdeling van oppervlakte van de botanische weideranden over de beheereenheden 1026 en 1037 niet bestreden en ook de rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat verweerder aldus de subsidiabele oppervlakte van deze beheereenheden onjuist heeft vastgesteld. Het beroep van eiseres gericht tegen het bestreden besluit is daarom, in zoverre, ongegrond.

12.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder hangende het beroep van eiseres bij het bestreden besluit II de subsidiabele oppervlakte van de beheereenheden 1001, 1008 en 1012 heeft gewijzigd door deze verlaagd vast te stellen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiseres van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit II, nu niet is gebleken dat eiseres daarbij geen belang heeft.

13.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit II de subsidiabele oppervlakte van de drie beheereenheden aangepast, omdat was gebleken dat ten onrechte een heg (perceel 1001), knotbomen (perceel 1008) en een verhard deel (asfalt) met opslag (mogelijk hooibalen) waren meegenomen (perceel 1012).

14.

Eiseres kan zich niet vinden in de verkleining van de oppervlakte van de beheereenheden 1001, 1008 en 1012. Volgens eiseres is verweerder voor de bepaling van de oppervlakten voor deze beheereenheden ten onrechte uitgegaan van de meest recente luchtfoto’s, omdat die niet overeenkomt met de situatie ter plaatse in 2010. In dat kader heeft eiseres naar voren gebracht dat beheereenheid 1012 in 2011 is gewijzigd als gevolg van het bouwen van een loods en de beheereenheden 1001 en 1008 in 2012 zijn gewijzigd als gevolg van dijkverzwaring en het verleggen van een dijksloot.

15.

Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de oppervlakten van de drie beheereenheden in het bestreden besluit II onjuist zijn vastgesteld, omdat deze zijn gebaseerd op luchtfoto’s uit 2012 in plaats van luchtfoto’s uit 2010. Nu verweerder zijn standpunt neergelegd in het bestreden besluit II niet langer handhaaft, is het beroep gericht tegen dat besluit gegrond. Het bestreden besluit II wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

16.

De rechtbank voorziet niet zelf in de zaak, omdat een nieuwe berekening van de subsidiabele oppervlakte van de beheereenheden moet worden gemaakt op basis van luchtfoto’s uit 2010 en het op de weg van verweerder ligt om die beoordeling te verrichten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

17.

De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,-) voor verleende rechtsbijstand. Ook dient verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit I, voor zover het betreft de beheereenheden 1000 t/m 1003, 1006 t/m 1014, 1016 tot en met 1025, 1027 t/m 1036 en 1038 t/m 1060 niet-ontvankelijk, en voor zover het betreft de beheereenheden 1026 en 1037 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II, voor zover het betreft beheereenheden 1001, 1008 en 1012 gegrond;

  • -

    vernietigt dat besluit in zoverre;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, voorzitter, en mr. K.J. Veenstra en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.