Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5695

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
856567 UV EXPL 13-2824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering, schuldbekentenis, goed werkgeverschap, omvang vordering, begroting schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 856567 UC EXPL 13-2824 SW4247

Vonnis van 4 november 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

V&D B.V.

handelend onder de naam Vroom & Dreesmann Warenhuizen, Vroom en Dreesmann,

gevestigd te Amsterdam Zuidoost,

verder ook te noemen V&D,

eisende partij,

gemachtigde: GGN Gerechtsdeurwaarders Utrecht,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te[woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 22 april 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast.

De comparitie is gehouden op 10 juni 2013. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

V&D heeft voor repliek geconcludeerd en daarbij haar eis gewijzigd.

V&D heeft een akte overlegging productie genomen.

[gedaagde] heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde], geboren op[1994], is vanaf 4 maart 2011 tot 26 juli 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest als verkoopster bij V&D te Utrecht. Zij was in die periode 16 jaar oud.

2.2.

Op 14 juli 2011 heeft [gedaagde] een gesprek gehad met de bedrijfsrechercheur [A] en de bedrijfsleider [B]. [gedaagde] is toen geconfronteerd met het feit dat zij goederen had verduisterd. Tijdens het gesprek heeft [gedaagde] de verduistering bekend en heeft zij een schuldbekentenis ondertekend voor een bedrag van € 11.750,--. In de schuldbekentenis staat onder meer het volgende vermeld:

‘Risc & Fraud Investigations
Naar aanleiding van een ingesteld onderzoek heeft ondergetekende(n):
[A], bedrijfsrechercheur(s) (= rapporteur)
In het bijzijn van; [B], floormanager damesmode Utrecht HC
Op donderdag 14-7-2011, van 16.30 uur tot 17.15 uur in het pand V&D Utrecht HC
een gesprek gevoerd met: [gedaagde]
(…)
Bij aanvang van het gesprek is betrokkene in kennis gesteld van de voor een dergelijk gesprek vastgestelde richtlijnen, alsmede van het feit, dat de floormanager aanwezig is om erop toe te zien dat deze regels correct worden nageleefd.
(…)
Betrokkene verklaarde;

(…) Het klopt inderdaad dat ik op bovengenoemde wijze goederen heb meegegeven aan kennissen van mij. (…) In denk dat zij in totaal een keer of 8 bij mij zijn langs geweest en ik heb hen zeker 15 tassen met kleding meegegeven waarin ten minste 10 maar ik denk wel meer kledingstukken zaten. Ik heb hen dus tenminste 150 kledingstukken meegegeven (…).
(…)

Ik denk dat de kleding een gemiddelde waarde van tenminste 75,- euro per stuk heeft (…).
(…)

Om redenen van formele aard schrijf ik hieronder handmatig het door mij aan V&D verschuldigde bedrag, goed voor: € 11.750,- euro
11.750,- [handgeschreven]

(zegge) elfduizendzevenhonderdvijftig euro [handgeschreven]

Ik ben bereid om het totale schadebedrag (…) aan V&D terug te betalen middels inhouding van mijn nog te genieten salaris en of vakantie tegoeden.
Mocht dit niet toereikend zijn, dan zal de vordering uit handen worden gegeven aan een incassobureau, dat contact met mij zal opnemen over het treffen van een betalingsregeling. Ik ben bereid het dan nog openstaande bedrag door middel van een terugbetalingsregeling te voldoen.(…)’

2.3.

[A], bedrijfrechercheur van V&D, heeft op 20 juli 2011 namens V&D aangifte gedaan van verduistering.

2.4.

V&D heeft op 22 juli 2011 een brief gezonden aan de vader van [gedaagde] om mede te delen dat [gedaagde] met ingang van 14 juli 2011 is geschorst. [gedaagde] en haar vader worden in die brief verzocht om op gesprek te komen op 26 juli 2011.

2.5.

[gedaagde], noch haar vader, is verschenen op het gesprek op 26 juli 2011, zodat V&D [gedaagde] diezelfde dag per brief op staande voet heeft ontslagen.

2.6.

Bij brief van 11 augustus 2011 heeft GGN een brief gezonden aan de ouders van [gedaagde] waarin zij bericht dat [gedaagde] op basis van de door haar ondertekende schuldbekentenis nog een bedrag van € 11.750,-- plus rente aan V&D verschuldigd is. GGN biedt in deze brief de mogelijkheid een betalingsregeling te treffen.

2.7.

Namens [gedaagde] is niet gereageerd op de sommaties.

2.8.

[gedaagde] is op 7 februari 2012 door de kinderrechter van de Rechtbank Utrecht veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren voor verduistering, meermalen gepleegd, op tijdstippen in de periode van 1 juni 2011 tot en met 14 juli 2011.

3 De vordering en het verweer

3.1.

V&D vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door V&D gestelde schade als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde];

II. primair: [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 12.401,56 (bestaande uit € 11.750,-- aan hoofdsom en € 651,56 aan wettelijke rente berekend tot 12 februari 2013), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.750,-- vanaf 12 februari 2013 tot de voldoening;
subsidiair: [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de als gevolge van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] door V&D geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

3.2.

V&D legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde] een schuldbekentenis heeft ondertekend waarin zij heeft verklaard dat zij een bedrag van € 11.750,-- aan V&D is verschuldigd.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij betwist dat zij een bedrag van € 11.750,-- verschuldigd is. [gedaagde] voert aan dat geen sprake was van wilsovereenstemming. Zij betwist de juistheid van de inhoud van de schuldbekentenis. [gedaagde] schat de waarde van de verduisterde kledingstukken op € 500,-- en stelt dat de schade van V&D derhalve niet meer kan bedragen dan dit bedrag. V&D bewijst ook niet dat [gedaagde] voor € 11.250,-- aan kleding heeft gestolen. [gedaagde] voelde zich tijdens het gesprek ernstig onder druk gezet. [gedaagde] voert aan dat zij is gedwongen een vooraf opgestelde schuldbekentenis te ondertekenen, die zij niet heeft kunnen doorlezen. Zij voert aan dat zij het pand van V&D niet mocht verlaten voordat zij zou hebben getekend.

3.4.

Op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil tussen partijen is dat [gedaagde] op diverse tijdstippen goederen van V&D heeft verduisterd. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de vordering van V&D op [gedaagde]. V&D heeft een beroep gedaan op de dwingende bewijskracht van de schuldbekentenis. Dat beroep op dwingende bewijskracht gaat naar het oordeel van de kantonrechter echter niet op. Ter toelichting wordt het volgende overwogen.

4.2.

V&D heeft onvoldoende onderbouwd dat zij zich er zorgvuldig van heeft vergewist dat de wil van [gedaagde] daadwerkelijk was gericht op het aangaan van een betalingsverplichting voor een bedrag van € 11.750,--. Dat had V&D als goed werkgever wel moeten doen. [gedaagde] heeft dan ook terecht aangevoerd dat V&D haar niet aan de door haar ondertekende schuldbekentenis kan houden. V&D wist of had moeten begrijpen dat [gedaagde] door bijzondere omstandigheden bewogen werd tot het ondertekenen van de schuldbekentenis.

4.3.

V&D heeft [gedaagde] niet tevoren gewaarschuwd dat het gesprek op 14 juli 2011 zou gaan plaatsvinden en niet ingelicht over het onderwerp van gesprek. Dat brengt mee dat [gedaagde] dus onvoorbereid het gesprek is ingegaan. In het algemeen geldt al dat een werkgever een overwichtpositie heeft ten opzichte van een werknemer. Daarvan was in dit geval in het bijzonder sprake omdat [gedaagde] minderjarig en onervaren was, en in het gesprek alleen stond tegenover twee volwassen mensen (de bedrijfsrechercheur en de floormanager damesmode), die hiërarchisch haar meerderen waren. Bovendien bevond [gedaagde] zich - weliswaar door eigen toedoen - in het gesprek in een benarde positie omdat zij werd geconfronteerd met het feit dat de door haar gepleegde verduistering was ontdekt.

4.4.

V&D heeft niettemin op ondertekening aangedrongen, terwijl hetgeen zij wist of had moeten begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden. Het is namelijk aannemelijk dat [gedaagde] in het gesprek met V&D een voor haar nadelige beslissing heeft genomen, die zij bij een voor een dergelijke beslissing normaal te achten voorbereiding niet zou hebben genomen. Ter comparitie is gebleken dat het volstrekt onduidelijk is of V&D door de diefstal van [gedaagde] daadwerkelijk voor een bedrag van € 11.750,-- schade heeft geleden, en dat het voor V&D niet eenvoudig is om de daadwerkelijk geleden schade vast te stellen. Bovendien heeft de schuldbekentenis verstrekkende gevolgen voor [gedaagde]. V&D wilde immers een schuldbekentenis in de zin van artikel 158 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opstellen waaraan dwingende bewijskracht toekomt. Het had dan ook op de weg van V&D gelegen [gedaagde] volledig en juist voor te lichten over de ernstige consequenties van het ondertekenen van deze schuldbekentenis en [gedaagde] bovendien de gelegenheid te bieden deze consequenties rustig te overdenken en, zo nodig, juridisch advies in te winnen. V&D heeft in de omstandigheden van dit geval dus niet mogen volstaan met het proberen in contact te komen met de vader van [gedaagde], hetgeen overigens niet is gelukt.

4.5.

De conclusie is dan ook dat V&D [gedaagde] niet kan houden aan haar beslissing om met het schadebedrag van € 11.750,-- akkoord te gaan. Echter, vast staat dat [gedaagde] goederen heeft verduisterd en dat V&D hierdoor schade heeft geleden. De kantonrechter zal derhalve de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door V&D gestelde schade als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] toewijzen. Nu de schade niet exact is vast te stellen, zal deze begroot moeten worden op een wijze die het meest in overeenstemming is met de aard van de geleden schade. De schade kan in deze procedure begroot worden, zodat verwijzing naar de schadestaat niet nodig is. De kantonrechter merkt hierbij het volgende op.

4.6.

Uit de door V&D overgelegde beelden van de bewakingscamera’s blijkt dat [gedaagde] op vrijdag 8 juli 2011 drie keer grote hoeveelheden kleding heeft meegegeven of heeft willen meegeven zonder de klanten te laten betalen. Hoewel [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zij steeds met klanten afrekende, en daarbij hoge korting gaf, blijkt uit de beelden dat dit op 8 juli 2011 niet het geval was. De klanten aan wie [gedaagde] goederen meegaf, hebben steeds niets betaald.

Uit de beelden blijkt het volgende:

  • -

    In de ochtend biedt een vrouw een mand met goederen aan [gedaagde] aan. [gedaagde] geeft de goederen aan de vrouw mee zonder af te rekenen. Volgens de heer Dieleman heeft deze vrouw ongeveer 20 goederen meegekregen (productie 7 bij repliek). De kantonrechter acht dit, na het zien van de beelden, aannemelijk;

  • -

    Begin van de middag komt een andere vrouw bij [gedaagde] aan de kassa. De vrouw biedt één kledingstuk aan, maar vertrekt - zonder te betalen - met meerdere goederen. Hoeveel goederen de vrouw meeneemt is niet geheel duidelijk, maar het is niet onredelijk om aan te nemen dat het tussen de 10 en 20 goederen betreft.

  • -

    Direct na het vertrek van de tweede vrouw komt dezelfde vrouw (die in de ochtend goederen had meegekregen) bij [gedaagde] met een overvolle mand met goederen. In de schuldbekentenis is opgenomen dat deze vrouw ongeveer 40 stuks kleding heeft aangeboden. Uit de beelden volgt dat dit geenszins een onredelijk aantal is. Uit de beelden kan niet worden opgemaakt of de kleding, die in tassen klaar ligt op de balie, ook daadwerkelijk is meegenomen door de desbetreffende vrouw.

4.7.

[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat de vrouwen die de kleding van haar meekregen vier of vijf keer zijn langsgekomen op meerdere dagen. In de schuldbekentenis is opgenomen dat de vrouwen ongeveer acht keer langs zijn geweest. Hoe vaak de vrouwen daadwerkelijk langs zijn gekomen is onduidelijk. Vast staat dat zij op één dag drie keer zijn langsgekomen. In de schuldbekentenis is opgenomen dat [gedaagde] ongeveer 150 kledingstukken heeft meegegeven. Ongeacht hoe vaak de vrouwen nu precies zijn langs geweest staat vast dat [gedaagde] op één dag al ongeveer 80 kledingstukken van de vrouwen heeft aangenomen. Zodoende is de schatting uit de schuldbekentenis van 150 goederen zeer aannemelijk. De kantonrechter neemt deze schatting daarom over en zal ervan uitgaan dat [gedaagde] 150 goederen heeft meegegeven aan bekenden.

4.8.

In de schuldbekentenis staat dat de kleding een gemiddelde waarde had van € 75,-- per stuk. Dit komt de kantonrechter erg hoog voor. V&D heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] bij een transactie op 8 juli 2011 een deel van de goederen heeft gescand, maar deze transactie heeft afgebroken. Het gaat in dat geval om 11 stuks kleding met een totaalwaarde van € 218,74, gemiddeld € 19,89 per stuk. De kantonrechter schat de gemiddelde waarde van alle meegegeven kledingstukken echter op € 30,-- per stuk. [gedaagde] heeft ter zitting namelijk gesteld dat deze waarde ongeveer juist is. Zodoende schat de kantonrechter de schade van V&D op 150 x € 30,-- = € 4.500,--. [gedaagde] heeft verder bij het aangaan van haar arbeidsovereenkomst een dervingsverklaring ondertekend waarin is opgenomen: ‘Het gefraudeerde bedrag wordt (…) teruggevorderd. Hetzelfde geldt voor de gemaakte onderzoekskosten, waarvoor in ieder geval een bedrag van € 500,- bij de medewerker in rekening wordt gebracht.’

[gedaagde] was er zodoende mee bekend dat zij € 500,-- verschuldigd zou worden in geval van verduistering. De kantonrechter zal dit bedrag dan ook toewijzen. In totaal dient [gedaagde] aan hoofdsom dus een bedrag te betalen van € 5.000,--.

4.9.

Nu vast is komen te staan dat [gedaagde] de hoofdsom niet tijdig heeft voldaan en uit artikel 6:119 BW voortvloeit dat in dat geval schadevergoeding verschuldigd is in de vorm van wettelijke rente, dient de vordering ten aanzien van de wettelijke rente te worden toegewezen, zoals hierna weergegeven.

4.10.

Omdat [gedaagde] niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, is zij terecht gedagvaard en zal zij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande, dat de informatiekosten worden beperkt, nu de vordering op dit punt niet in overeenstemming is met de landelijk gehanteerde tarieven (vgl. de aanbeveling “Vergoeding kosten uittreksel GBA en KVK” op www.rechtspraak.nl). De kosten aan de zijde van V&D worden begroot op:

- dagvaarding € 76,71

- GBA € 1,63

- griffierecht € 448,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (3 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 1.126,34

4.11.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door V&D gestelde schade als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde];

veroordeelt [gedaagde] om aan V&D tegen bewijs van kwijting te betalen € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [gedaagde] met betaling van dit bedrag in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van V&D, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.126,34 waarin begrepen € 600,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 november 2013.