Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5594

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
16/711877-11 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:6274, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De veroordeelde heeft zich in de periode van 2 oktober 2000 tot en met 31 december 2006 schuldig gemaakt aan mensenhandel, door het slachtoffer te dwingen om in de prostitutie te (blijven) werken en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de opbrengsten van haar prostitutiewerk en haar heeft gedwongen hem te bevoordelen uit die opbrengsten. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/711877-11 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 november 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te[geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd te P.I. Nieuwegein te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 juni 2013, 12 september 2013 en 29 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. K.M.S. Bal, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is op de terechtzitting van 29 oktober 2013 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (verder ook te noemen “[verdachte]”):

Feit 1 primair: zich in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 30 september 2000 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, door [slachtoffer] te dwingen om in de prostitutie te gaan werken, dan wel daartoe een poging heeft gedaan;

Feit 2 en feit 3: zich in de periode van 2 oktober 2000 tot en met 31 december 2006 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, door [slachtoffer] te dwingen om in de prostitutie te (blijven) werken en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de opbrengsten van haar prostitutiewerk en haar heeft gedwongen hem te bevoordelen uit die opbrengsten.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, terwijl de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is. De in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 30 september 2000 verrichte handelingen kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op het tot prostitutie brengen van aangeefster en daarmee tot voltooiing van het misdrijf mensenhandel. De feiten dienen volgens de officier van justitie te worden gekwalificeerd als poging tot mensenhandel, omdat aangeefster in de tenlastegelegde periode nog niet daadwerkelijk in de prostitutie was beland.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 en 3 aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, daarvan profijt heeft getrokken en aangeefster daartoe ook heeft gedwongen, zoals in de tenlastelegging nader is omschreven. De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer], de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] (het zusje van aangeefster), [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] over het vuurwapen, [getuige 7] en de bevindingen uit het financiële dossier.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1, 2 en 3 opgemerkt dat vrijspraak dient te volgen van het bestanddeel medeplegen, omdat daar onvoldoende bewijs voor is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte en [slachtoffer] hebben een jarenlange relatie gehad en gezamenlijk hebben zij besloten dat [slachtoffer] in de prostitutie zou gaan werken om geld te verdienen en schulden af te lossen. Verdachte is toen gestopt met werken om [slachtoffer] te kunnen begeleiden en helpen. In 2006 is [slachtoffer] gestopt met de prostitutie, omdat verdachte en [slachtoffer] daar beiden achter stonden. Verdachte was zes maanden daarvoor begonnen met werken bij een werkgever. In 2008 hebben verdachte en [slachtoffer] een kind gekregen. In 2009, drie jaar nadat [slachtoffer] is gestopt met haar werk in de prostitutie, zijn zij uit elkaar gegaan. Pas in dat jaar heeft [slachtoffer] aangifte tegen verdachte gedaan.

De verdediging heeft betoogd dat er nimmer sprake is geweest van dwang en dat de rechtbank op basis van het dossier ook niet tot bewijs daarvan kan komen, omdat er een gebrek is aan objectief steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer]. Ook blijkt uit geen van de in het dossier aanwezige getuigenverklaringen dat er sprake is geweest van dwang. Niemand heeft daadwerkelijk dwang of vormen van bedreiging gezien.

De verdediging heeft concluderend aangevoerd dat in het dossier weliswaar wettig bewijs aanwezig is, maar dat vanwege het ontbreken van objectief en betrouwbaar bewijs niet tot de overtuiging kan worden gekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en feit 1 subsidiair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair, omdat uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode niet in de prostitutie heeft gewerkt.

De rechtbank acht, in tegenstelling tot de officier van justitie, ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt. Ten laste gelegd is dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] te dwingen om als minderjarige in de prostitutie te gaan werken. Uit de verklaringen van aangeefster blijkt echter dat verdachte haar in de periode voorafgaande aan haar 18e jaar heeft voorbereid om in de prostitutie te gaan werken vanaf het moment dat zij 18 zou zijn geworden. Daaruit volgt dat het opzet van verdachte er niet op was gericht om aangeefster tijdens haar minderjarigheid in de prostitutie te brengen. Gelet daarop kan het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

4.3.2.1 Vaststelling van de feiten 1

Het bewijs ten aanzien van de feiten 2 en 3

Aangeefster [slachtoffer] (hierna te noemen:[slachtoffer] of [slachtoffer]) heeft onder meer het navolgende verklaard.2

De roepnaam van aangeefster is [roepnaam 1] of [roepnaam 2] en haar werknaam in de prostitutie was [werknaam].3

[slachtoffer] leerde verdachte kennen in juni 1999 tijdens een vakantiebaantje in de zuivelfabriek in Woerden. Verdachte was daar voorman en nodigde[slachtoffer] bij hem thuis uit.4 Verdachte heeft haar gevraagd of ze eerder een vriendje had gehad, en ze heeft “nee” geantwoord. Verdachte wilde met haar zoenen en dit heeft ze gedaan.5[slachtoffer] heeft verdachte verteld over haar streng gereformeerde achtergrond, dat zij geen seks mocht hebben voor het huwelijk en de problematische gezinssituatie waarin zij opgroeide met gescheiden ouders en ernstige persoonlijke problemen van haar vader, een broer en een zus.6

In augustus 1999 kreeg[slachtoffer] een vaste relatie met verdachte. In oktober 1999 zijn ze gaan samenwonen in het huis van verdachte.7 Verdachte wilde seks met haar en zei dat het wel kon, omdat ze toch wel zouden trouwen.[slachtoffer] heeft vervolgens na twee weken seks gehad met verdachte.8[slachtoffer] heeft dezelfde huisarts als verdachte moeten nemen toen zij gingen samenwonen.9

In november 1999 stelde verdachte voor dat[slachtoffer] modellenwerk zou gaan doen. Een paar weken later sprak hij tegen[slachtoffer] over werken in een massagesalon en over een vriend die gokschulden zou hebben en dat diens vriendin voor hem geld zou verdienen met seks.10

Verdachte nam[slachtoffer] eind 1999 / begin 2000 mee naar de Wallen in Amsterdam om te kijken.11[slachtoffer] is ook een keer met [getuige 8] naar [adres 1] in Den Haag geweest.12

Verdachte zei begin 2000 tegen[slachtoffer] dat het gemakkelijk zou zijn als zij in de prostitutie zou gaan werken, omdat hij veel schulden had. Zijn ex had het werk ook gedaan en hij zei dat het gemakkelijk geld verdienen was. Omdat verdachte bleef aandringen, heeft[slachtoffer] eraan toegegeven. Verdachte zei ook dat ze zou kunnen stoppen met het werk als de schulden waren afbetaald.[slachtoffer] dacht dat ze het maar een paar maanden zou doen.13

Voordat[slachtoffer] begon met werken in de prostitutie, moest ze van verdachte naar seksfilms kijken om het te leren. Ze deed de seks niet goed volgens verdachte. Eerst moest ze ‘normale’ films kijken, maar later werden de films steeds extremer met veel geweld erbij.14

Op 2 oktober 2000, een dag nadat ze 18 jaar was geworden, is[slachtoffer] begonnen met werken in de prostitutie op [adres 1] in Den Haag. Door de week werd ze door [getuige 6] (de rechtbank begrijpt:[getuige 6]), een neef van verdachte, van en naar [adres 1] gehaald en gebracht en in het weekeinde deed verdachte dit. Verdachte vertelde haar hoeveel geld ze aan mannen moest vragen voor welke handelingen. Verdachte oefende ook thuis met[slachtoffer].15

Het geld dat ze verdiende, stond[slachtoffer] thuis af aan verdachte. Verdachte zei dat[slachtoffer] van hem was, dus ook haar geld.16 In de kamer in Den Haag had[slachtoffer] een kluisje. Als verdachte bij haar kwam, haalde hij het geld met de sleutel uit de kluis en stopte dat in zijn zak.[slachtoffer] had geen beschikking over het geld en verdachte had ook het pasje van haar bankrekening.17

Verdachte heeft haar een pistool laten zien en verhalen daarover verteld. Hij verstopte het pistool thuis achter een spiegel in een gat in de muur. Verdachte zei dat hij haar wel wist te vinden als ze weg zou gaan.18 Verdachte heeft ook tegen[slachtoffer] gezegd, terwijl hij zijn arm om haar nek had: “jouw nek is zo dun, die kan ik zo breken”.19

[slachtoffer] heeft vooral de eerste drie jaar (de rechtbank begrijpt: vanaf 2 oktober 2000 tot en met 2003) heel veel gewerkt. Ze heeft toen zes dagen per week gewerkt van 11.30 tot 01.00 uur.20

[slachtoffer] heeft een tatoeage laten zetten. Verdachte heeft bepaald hoe die tatoeage er uit moest zien. Het is een grote tatoeage op haar linker schouderblad met de naam [voornaam verdachte] en daarboven een cobra. [verdachte] zei tegen mij: ‘Nu kan iedereen zien dat je van mij bent’.21

[slachtoffer] heeft meermalen gezegd dat ze niet meer wilde werken. Verdachte heeft thuis aan[slachtoffer] haar haren getrokken toen ze zei dat ze niet wilde werken.22[slachtoffer] werd geslagen door verdachte. Als ze werd geslagen, gebeurde dit op haar hoofdhaar in verband met blauwe plekken.[slachtoffer] heeft kopstoten gekregen van verdachte en hij heeft haar in haar buik geschopt. 23

Verdachte heeft na enige tijd een hele grote dildo gekocht en die bij haar anaal en vaginaal naar binnen gebracht. Dat wilde ze niet, maar dat gebeurde gewoon wel. Verdachte deed ook zijn vuist in haar vagina, in een bepaalde periode een paar keer per week. Ook dat wilde ze niet, maar gebeurde gewoon wel.24

Verdachte heeft de telefoon van[slachtoffer] kapot gemaakt door deze door midden te breken.25

In 2002 werkte[slachtoffer] zes dagen per week van 13.00 uur tot 01.00 uur in Den Haag. Verdachte hield[slachtoffer] constant in de gaten op haar werkplek. [getuige 6] (de rechtbank begrijpt ook hier:[getuige 6]) had daar tussen 2000 en 2006 een kamer gehuurd in [adres 1] boven de werkkamers. Vanaf het balkon kon verdachte naar[slachtoffer] kijken.26[slachtoffer] moest ook werken als ze ongesteld was.27

Vaak stond verdachte tegen de muur voor de kamer van[slachtoffer] op haar te letten. Als zij nee schudde tegen een klant, kwam hij naar binnen om te vragen waarom zij nee schudde. Hij zei dan tegen haar “je moet eerst praten voordat je nee zegt”.28

Verdachte heeft een keer een mes op[slachtoffer] haar keel gezet en gezegd: “je houdt heel veel van mij, je bent van mij en je blijft van mij tot aan onze dood”.29 Als[slachtoffer] thuis kwam, controleerde verdachte haar. Hij controleerde haar kleding en ook haar vagina. Ook controleerde verdachte haar mobiele telefoon.30

In 2000 tot eind 2002 heeft[slachtoffer] in Den Haag op [adres 1] gewerkt. Eind 2002 is[slachtoffer] in Amsterdam gaan werken. Als ze aan het werk was, zat verdachte te gokken tegenover haar werkkamer. Verdachte kon haar van daar uit controleren. In mei 2003 is[slachtoffer] gestopt in Amsterdam en is ze op het Zandpad in Utrecht gaan werken tot september 2003. In september 2003 is[slachtoffer] weer in Den Haag gaan werken en in maart 2004 weer in Amsterdam. In september 2004 is ze weer op [adres 1] in Den Haag gaan werken en in april 2005 is ze weer terug gegaan naar Amsterdam.31

In december 2006 is[slachtoffer] gestopt met werken in de prostitutie.32

De verklaringen van[slachtoffer] vinden steun in de navolgende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een liefdesrelatie met[slachtoffer] is begonnen in 1999, dat[slachtoffer] bij hem is komen wonen en dat[slachtoffer] in 2000 of 2001 in de prostitutie is gaan werken. In het voorjaar van 2000 heeft hij een doorlopend krediet bij de Defam afgesloten ter hoogte van 27.500 gulden, later verhoogd naar 32.500 gulden. Vanaf 2001 tot 2006 heeft hij weinig tot geen eigen inkomsten gehad. Tijdens de uren dat [slachtoffer] in de prostitutie werkte, heeft hij zowel in Den Haag als in Amsterdam in haar buurt verkeerd. Door maandelijkse stortingen gedurende de hele periode is in maart/april 2008 de lening bij de Defam afbetaald. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij wel eens naar pornofilms keek met[slachtoffer]. 33

[getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1]) heeft verklaard dat ze [werknaam] en [verdachte] kent via de neef van [verdachte]. De neef van [verdachte] is[getuige 6]. [getuige 6] vertelde haar dat [verdachte] deze [werknaam] gruwelijk behandelde en haar heeft klaargestoomd om in de prostitutie te gaan werken.34

[getuige 1] heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] schuin tegenover haar werkte. [verdachte] liep dagelijks langs [slachtoffer] raam, ze zag hem iedere dag en hij hield het in de gaten. [getuige 1] heeft [slachtoffer] nooit gesproken, want ze mocht van haar pooier geen contact hebben met andere meiden. [getuige 1] denkt dat [slachtoffer] dat ook niet mocht. [slachtoffer] werkte de hele dag. Als [getuige 1] ’s avonds kwam werken, stond [slachtoffer] er altijd al.35

[getuige 2] (hierna te noemen:[getuige 2]) heeft verklaard dat ze [verdachte] op haar 17e (de rechtbank begrijpt: in 1994/1995) heeft leren kennen in Woerden. Ze is met hem meegegaan naar de [adres 2] in Woerden, zijn woning. Na enkele dagen gingen ze samenwonen. [verdachte] had Marokkaanse vrienden die vriendinnen hadden die in de prostitutie werkten. [verdachte] vertelde[getuige 2] op haar 18e dat zij ook voor hem in de prostitutie kon gaan werken. Uiteindelijk is ze in de prostitutie gaan werken op haar 19e. Ze was geheel afhankelijk van [verdachte]. Ze heeft 1,5 jaar in de prostitutie gewerkt. Ze is zelf bij hem weggegaan en heeft niets meer laten horen.36

[getuige 3] heeft verklaard dat ze de zus is van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft ongeveer 10 jaar een relatie gehad met [verdachte]. [slachtoffer] deed altijd wat [verdachte] zei. [slachtoffer] heeft een tatoeage van een cobra en schaamde zich daarvoor. [verdachte] heeft tegen[getuige 3] gezegd dat hij haar zou ontmaagden en [verdachte] heeft ook in haar broek gezeten toen ze 11 of 12 jaar was. Ze heeft van [slachtoffer] gehoord dat het in de prostitutie verdiende geld naar Marokko is gestuurd. [verdachte] nam altijd de telefoon op als ze [slachtoffer] probeerde te bellen. Verdachte heeft ook een keer op een tafel kogels op een rijtje gezet.37

[getuige 4], de moeder van[slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer] 10 jaar een relatie met [verdachte] heeft gehad. [slachtoffer] kwam een keer thuis bij haar moeder en begon ineens heel erg te huilen. Ze had toen net een tatoeage van [verdachte] gehad, een cobra met daarbij de naam [verdachte]. Ze heeft van [slachtoffer] gehoord dat ze vanaf haar 18e in de prostitutie is gaan werken onder dwang van [verdachte]. Ze heeft ook van [slachtoffer] gehoord dat [verdachte] haar met een pistool bedreigde en dat [verdachte] haar mishandelde. Al het geld is naar Marokko gestuurd.38

[getuige 7] heeft verklaard dat [slachtoffer] een Marokkaanse vriend had genaamd [verdachte]. [getuige 7] heeft zelf van 1998 tot 2009 als raamprostituee gewerkt in [adres 1] in Den Haag. Als [slachtoffer] aan het werk was, liep [verdachte] daar regelmatig rond. [slachtoffer] werd door [verdachte] gebracht en gehaald.39

[getuige 8] heeft verklaard dat ze in 1999/2000 met [verdachte] en [slachtoffer] naar [adres 1] is geweest ter voorbereiding van [slachtoffer] op de prostitutie en om naar prijslijsten te kijken.40

[getuige 6] heeft verklaard dat [verdachte] een pistool, een 9mm heeft gehad.41

In 1999 verdiende verdachte ongeveer 2.200 gulden per maand bij een metaalbewerkingsbedrijf. In 2000 verdiende verdachte ongeveer 470 gulden per maand bij een schoonmaakbedrijf. Vanaf 2001 tot 2004 heeft verdachte niet gewerkt. In de periode april tot en met december 2004 heeft verdachte € 14.376,-- verdiend bij [bedrijf 1]. In 2005 zijn er geen bij de Belastingdienst bekende werkzaamheden door verdachte verricht. In de periode april tot en met december 2006 heeft verdachte € 16.478,-- verdiend bij Aannemingsbedrijf [bedrijf 2].42

Op de bankrekening bij de Rabobank die[slachtoffer] tot en met 19 juli 2005 had, hebben in 2004 en 2005 vrijwel geen transacties plaatsgevonden. Op 19 juli 2005 is het restant saldo overgeboekt naar een Rabobankrekening op naam van [verdachte] met als omschrijving ‘restant saldo tbv opheffing rek [slachtoffer]’.43

4.3.2.2 Aanvullende bewijsoverwegingen

De betrouwbaarheid van [slachtoffer]

De verdediging heeft vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster[slachtoffer]. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van[slachtoffer] en acht de verklaringen van[slachtoffer] dan ook betrouwbaar. De verschillende verklaringen die zij bij de politie en later bij de rechter-commissaris heeft afgelegd zijn consistent en worden, zoals hiervoor onder 4.3.2.1 weergegeven, op belangrijke punten bevestigd door ander bewijs.

De feitelijkheden ten aanzien van feit 2 bezien in het licht van artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht

Inleidende opmerkingen

Onvrijwillige prostitutie is een vorm van mensenhandel en impliceert dus een uitbuitingssituatie. Conform het bepaalde in de jurisprudentie kan van een uitbuitingssituatie worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het bestaan van een dergelijke situatie veronderstelt het ontbreken van vrijwilligheid, hetgeen inhoudt dat degene die de prostitutiewerkzaamheden verricht niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met degene die hem/haar tot die prostitutiewerkzaamheden heeft aangezet. Dit is niet anders indien deze relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan.

Een bewezenverklaring van mensenhandel op grond van artikel 250a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (oud) kan dus volgen indien verdachte door gebruik van dwangmiddelen (artikel 250a lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht) een persoon in de prostitutie heeft gebracht dan wel heeft gehouden.

In de hieronder opgenomen bewijsmotivering zal hierop worden ingegaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat niet ieder (feitelijk) onderdeel van de tenlastelegging ‘dubbel belegd’ hoeft te zijn met bewijsmiddelen. Voor zover het feitelijkheden betreft die op zichzelf een strafverzwarende omstandigheid kunnen inhouden, heeft de rechtbank evenwel telkens tenminste twee bewijsmiddelen opgenomen.

De dwangmiddelen

Allereerst dient te worden vastgesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van (dwang)middelen in de zin van artikel 250a lid 1 sub 1 en 6 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij is het van belang dat, zodra het hanteren van een van deze middelen bewezen wordt verklaard, de (eventuele) instemming van aangeefster met de (uitbuitings)situatie niet meer relevant is. De rechtbank acht, gelet op de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, de middelen ‘geweld of één of meer andere feitelijkheden’, ‘bedreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden’, ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ en ‘misleiding’ wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht, de hiervoor bewezen verklaarde feitelijkheden in onderling verband en nauwe samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de intentie had om met de door hem ingezette dwangmiddelen[slachtoffer] te dwingen en bewegen zich beschikbaar te (blijven) stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.[slachtoffer]

werkte voor verdachte in de prostitutie. Verdachte dwong en bewoog haar hiertoe door haar te stimuleren het werk te blijven doen, haar het gevoel te geven dat ze voor hun gezamenlijke toekomst zou werken, haar te bedreigen en door haar te controleren. Zodoende heeft zij zich in een jegens de verdachte afhankelijke positie geplaatst zien worden, waarvan verdachte vervolgens gebruik heeft gemaakt.

Voordeel trekken en bevoordelen

Voorts dient voor het onder feit 2 ten laste gelegde feit ten behoeve van artikel 250a lid 1 sub 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht te worden vastgesteld of verdachte uit het voorgaande opzettelijk voordeel heeft getrokken en/of dat hij haar heeft gedwongen of bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen.

De rechtbank stelt mede op grond van de eigen verklaring van verdachte vast dat hij tussen 2001 en 2006 nauwelijks of geen eigen inkomsten had en dat hij leefde van het geld dat[slachtoffer] in de prostitutie verdiende. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat[slachtoffer] het in de prostitutie verdiende geld voor het overgrote deel heeft afgegeven aan verdachte. Dit gebeurde tegen de achtergrond van de hiervoor door de rechtbank bewezen geachte dwangmiddelen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door middel van die dwangmiddelen opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van aangeefster met een derde en aangeefster heeft gedwongen en bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen.

De feitelijkheden ten aanzien van feit 3 bezien in het licht van artikel 273a (oud) en 273f (vigerend) van het Wetboek van Strafrecht

Inleidende opmerkingen

Onvrijwillige prostitutie is een vorm van mensenhandel. Wezenlijk bestanddeel van diverse varianten van het delict mensenhandel is dat sprake is van uitbuiting en/of dat het oogmerk van de verdachte daarop is gericht. Conform het bepaalde in de jurisprudentie kan van een dergelijke uitbuitingssituatie worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het bestaan van een uitbuitingssituatie veronderstelt het ontbreken van vrijwilligheid, hetgeen inhoudt dat degene die de prostitutiewerkzaamheden verricht niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met degene die hem/haar tot die prostitutiewerkzaamheden heeft aangezet. Dit is niet anders indien deze relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan.

Een bewezenverklaring van mensenhandel ingevolge artikel 273f lid 1 van het Wetboek van Strafrecht44 kan volgen indien verdachte een persoon met het oogmerk van uitbuiting door gebruik van dwangmiddelen heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen (te weten: handelingen) (artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht), dan wel indien verdachte door het hanteren van dergelijke dwangmiddelen een persoon in de prostitutie heeft gebracht dan wel gehouden (artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht ).

In de hieronder opgenomen bewijsmotivering zal op deze onderdelen worden ingegaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat niet ieder (feitelijk) onderdeel van de tenlastelegging ‘dubbel belegd’ hoeft te zijn met bewijsmiddelen. Voor zover het feitelijkheden betreft die op zichzelf een strafverzwarende omstandigheid kunnen inhouden, heeft de rechtbank evenwel telkens tenminste twee bewijsmiddelen opgenomen.

De dwangmiddelen

Allereerst dient te worden vastgesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van middelen in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij is het van belang dat, zodra het hanteren van een van deze middelen bewezen wordt verklaard, de (eventuele) instemming van aangeefster met de uitbuitingssituatie niet meer relevant is. De rechtbank acht, gelet op de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, de middelen ‘geweld of een andere feitelijkheid’, ‘bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid’, ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ en ‘misleiding’ wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht, de hiervoor bewezen verklaarde feitelijkheden in onderling verband en nauwe samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de intentie had om met de door hem ingezette dwangmiddelen[slachtoffer] te dwingen en bewegen zich beschikbaar te (blijven) stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.[slachtoffer]

werkte voor verdachte in de prostitutie. Verdachte dwong en bewoog haar hiertoe door haar te stimuleren het werk te blijven doen, haar het gevoel te geven dat ze voor hun gezamenlijke toekomst zou werken, haar te bedreigen, haar te controleren en door geweld tegen haar te gebruiken. Zodoende heeft zij zich in een jegens de verdachte afhankelijke positie geplaatst zien worden, waarvan verdachte vervolgens gebruik van heeft gemaakt.

De handelingen

Voorts dient te worden vastgesteld welke handelingen als bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht verdachte heeft verricht.

Verdachte heeft blijkens voornoemde bewijsmiddelen[slachtoffer] vervoerd, gehuisvest en opgenomen en haar aangezet tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.

(Het oogmerk van) uitbuiting

Vervolgens dient voor het onder 3 ten laste gelegde feit te worden vastgesteld of verdachte het oogmerk had van uitbuiting ex artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht. Oogmerk veronderstelt ten minste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg. Het oogmerk van uitbuiting is in het onderhavige geval gelegen in het verkrijgen van financieel gewin.

De rechtbank stelt vast dat verdachte financieel gewin heeft gehad van de prostitutiewerkzaamheden van[slachtoffer].[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte vrijwel al het door haar verdiende geld heeft ontvangen. Verdachte had in de ten laste gelegde periode geen noemenswaardige legale inkomsten, zodat de conclusie kan worden getrokken dat hij zijn levensonderhoud alsmede de aflossing van de schuld bij de Defam voor het overgrote deel heeft gefinancierd met de prostitutieopbrengsten van[slachtoffer].

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij hiervoor genoemde handelingen verrichtte, maar dat hij[slachtoffer] daardoor ook feitelijk uitbuitte. Zij kon immers niet, zoals zelfstandige en mondige prostituees dat wel kunnen, zelfstandig over haar eigen verdiensten beschikken nu er door verdachte gebruik werd gemaakt van diverse dwangmiddelen.

Voordeel trekken en bevoordelen

Voorts dient voor het onder 3 ten laste gelegde feit ten behoeve van artikel 273f lid 1 sub 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht te worden vastgesteld of verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van[slachtoffer], alsmede dat verdachte door het hanteren van de dwangmiddelen haar heeft gedwongen of bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van dat prostitutiewerk.

De rechtbank stelt vast dat[slachtoffer] het door haar door middel van prostitutiewerk ontvangen geld grotendeels heeft afgestaan aan verdachte. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor omtrent de dwangmiddelen en uitbuiting heeft overwogen, acht de rechtbank ook deze onderdelen wettig en overtuigend bewezen.

Nadere bewijsoverweging

Begin 2010 is [slachtoffer] na een doorverwijzing van haar psycholoog in behandeling gekomen bij een trainer in weerbaarheid, de heer [getuige 5]. Hij heeft verklaard dat na maanden behandeling [slachtoffer] meer vertrouwen in hem kreeg en toen met horten en stoten is gaan vertellen, erop neerkomend dat ze in verschillende steden in de prostitutie had gewerkt, dat ze daartoe was gedwongen, dat ze bij haar nek werd gegrepen als ze niet wilde werken, dat ze bang is voor de vader van haar zoon, dat mannen monsters en viezeriken waren, dat ze haar werk heel vies vond en dat ze daar heel boos over was. Verder heeft [getuige 5] verklaard dat hij bij een oefening [slachtoffer] bij haar nek pakte en dat ze toen heel erg schok en echt bang was. [getuige 5] zag toen ook vlekken in haar nek, hetgeen een reactie is gekoppeld aan angst. Volgens de verklaring van [getuige 5] zei [slachtoffer] toen dat de nekgreep haar herinnerde aan de manier waarop de vader van haar zoon haar in het verleden stevig bij de keel greep.[getuige 5] vond de reactie van [slachtoffer] op de therapie heel heftig en zo’n reactie op het gebied van angst had hij eerder in zijn carrière nog niet gezien. Hij zag dat er echt sprake was van angst.45

Deze verklaring van [getuige 5] is een (verdere) ondersteuning van de hiervoor al genoemde bewijsmiddelen en de daarop gebaseerde conclusies/oordelen.

De conclusie

Gelet op voornoemde feiten, omstandigheden en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen is ten laste gelegd onder feit 2 en feit 3.

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is geweest van medeplegen, en zal verdachte voor dat onderdeel van het ten laste gelegde vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

2.

op meer tijdstippen in de periode van 02 oktober 2000 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Amsterdam en/of Den Haag, telkens een persoon, genaamd [slachtoffer],

(sub 1 en sub 6)

door geweld of één of meer andere feitelijkheden

of door bedreiging met geweld

of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden

heeft gedwongen

of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

of door misleiding

heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

(sub 4) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van een ander, genaamd[slachtoffer], met of voor een derde tegen betaling en

(sub 6) die[slachtoffer] heeft bewogen hem, (met de in sub 1 genoemde middelen, zie hierboven)

verdachte uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen,

(sub 1 en sub 6) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld of bedreiging met die andere feitelijkheden en bovenomschreven misbruik en misleiding hieruit dat verdachte (telkens)(meermalen)

- een liefdesrelatie is aangegaan met die[slachtoffer] en die[slachtoffer] beloofd heeft met haar te trouwen en die[slachtoffer] de indruk heeft gegeven een gezamenlijke toekomst op te willen bouwen en

- die[slachtoffer] heeft verteld dat hij schulden had en dat zij hem door (tijdelijk) in de prostitutie te gaan werken kon helpen die schulden af te lossen en

- seks met die[slachtoffer] heeft gehad en haar heeft gedwongen naar seksfilms liet kijken (met als doel te oefenen en kennis op te doen voor haar werkzaamheden in de prostitutie) en

- die[slachtoffer] op zijn, verdachtes, woon- en/of verblijfadres heeft ondergebracht, en

- die[slachtoffer] meermalen met kracht op/tegen haar, [slachtoffer], hoofd en lichaam

heeft geslagen en gestompt, en

- die[slachtoffer] met een mes en een pistool heeft bedreigd en daarbij heeft gezegd

"ik weet je te vinden als je weggaat" en

"je blijft altijd van mij tot aan onze dood"

althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- terwijl hij, verdachte, zijn arm om haar nek had tegen die[slachtoffer] heeft gezegd "jouw nek is zo dun, die kan ik zo breken" althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- die[slachtoffer] meermalen tegen haar wil, met zijn, verdachtes, vuist en een grote dildo anaal en vaginaal heeft gepenetreerd, en

- die[slachtoffer] heeft overgehaald een tatoeage op haar lichaam te zetten met de tekst "[voornaam verdachte]" en een afbeelding van een cobra en

- die[slachtoffer] heeft gedwongen dezelfde huisarts als hij, verdachte, had te nemen en haar mobiel telefoon kapot heeft gemaakt,

en aldus handelingen heeft verricht, strekkende tot het brengen en houden van die[slachtoffer] in een van verdachte afhankelijke positie, en

(sub 1, 4 en 6) hebbende die handelingen hieruit bestaan dat verdachte telkens meermalen

- die[slachtoffer] voorafgaand en vervolgens tijdens haar prostitutiewerkzaamheden

(werk-)instructies heeft gegeven, en

- die[slachtoffer] naar haar prostitutiewerkplek heeft gebracht en die[slachtoffer] van haar prostitutiewerkplek heeft opgehaald, en

- die[slachtoffer] heeft gecontroleerd op het moment dat zij, die[slachtoffer], als prostituee aan het werk was, en op andere tijdstippen telkens haar kleding en mobiele telefoon en schaamstreek heeft gecontroleerd, en

- die[slachtoffer] opdracht heeft gegeven en onder druk heeft gezet en ertoe heeft aangezet en gebracht een zeer groot aantal dagen per week, en een zeer groot aantal uren per dag als prostituee te werken (óók gedurende ongesteldheid) en

- die[slachtoffer] een zeer groot deel van haar prostitutieverdiensten heeft afgepakt, althans heeft laten afgeven aan hem, verdachte;

3.

op meer tijdstippen in de periode van ongeveer 01 januari 2005 tot met 31 december 2006 te Den Haag en/of Amsterdam, telkens een persoon, genaamd [slachtoffer]

(sub 1 en sub 6 en sub 9)

door dwang

en geweld

en een of meer andere feitelijkheden

en door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden

en door misleiding

en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en door misbruik van een kwetsbare positie

(sub 1) heeft vervoerd en overgebracht en gehuisvest en opgenomen, telkens met het oogmerk van uitbuiting van die[slachtoffer], en

(sub 4) die[slachtoffer] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of dienst en enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van

arbeid of diensten, en

(sub 6) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die[slachtoffer], en

(sub 9) die[slachtoffer] heeft gedwongen dan wel bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van dier seksuele handelingen met of voor een derde, en

bestaande

die dwang

en dat geweld

en die andere feitelijkheden

en die dreiging met geweld

en die dreiging van die andere feitelijkheden

en die misleiding

en dat misbruik

telkens hieruit dat verdachte (telkens) (meermalen)

- een liefdesrelatie is aangegaan met die[slachtoffer] en die[slachtoffer] beloofd heeft met haar te trouwen en die[slachtoffer] de indruk heeft gegeven een gezamenlijke toekomst op te willen bouwen en

- die[slachtoffer] heeft verteld dat hij schulden had en dat zij hem door (tijdelijk) in de prostitutie te gaan werken kon helpen die schulden af te lossen en

- seks met die[slachtoffer] heeft gehad en haar heeft gedwongen naar seksfilms liet kijken (met als doel te oefenen en kennis op te doen voor haar werkzaamheden in de prostitutie) en

- die[slachtoffer] op zijn, verdachtes, woon- en/of verblijfadres heeft ondergebracht, en

- die[slachtoffer] meermalen met kracht op/tegen haar, [slachtoffer], hoofd en lichaam

heeft geslagen en gestompt, en

- die[slachtoffer] met een mes en een pistool heeft bedreigd en daarbij heeft gezegd

"ik weet je te vinden als je weggaat" en

"je blijft altijd van mij tot aan onze dood"

althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- terwijl hij, verdachte, zijn arm om haar nek had tegen die[slachtoffer] heeft gezegd "jouw nek is zo dun, die kan ik zo breken" althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- die[slachtoffer] meermalen tegen haar wil, met zijn, verdachtes, vuist en een grote dildo anaal en vaginaal heeft gepenetreerd, en

- die[slachtoffer] heeft overgehaald een tatoeage op haar lichaam te zetten met de tekst "[voornaam verdachte]" en een afbeelding van een cobra en

- die[slachtoffer] heeft gedwongen dezelfde huisarts als hij, verdachte, had te nemen en haar mobiele telefoon kapot heeft gemaakt,

en aldus handelingen heeft verricht, strekkende tot het brengen en houden van die[slachtoffer] in een van verdachte afhankelijke positie, en

(sub 1, 4, 6 en 9) hebbende die handelingen hieruit bestaan dat verdachte (telkens) (meermalen)

- die[slachtoffer] voorafgaand en vervolgens tijdens haar prostitutiewerkzaamheden

(werk-)instructies heeft gegeven, en

- die[slachtoffer] naar haar prostitutiewerkplek heeft gebracht en die[slachtoffer] van haar prostitutiewerkplek heeft opgehaald, en

- die[slachtoffer] heeft gecontroleerd op het moment dat zij, die[slachtoffer], als prostituee aan het werk was, en op andere tijdstippen telkens haar kleding en mobiele telefoon en schaamstreek heeft gecontroleerd, en

- die[slachtoffer] opdracht heeft gegeven en onder druk heeft gezet en ertoe heeft aangezet en gebracht een zeer groot aantal dagen per week, en een zeer groot aantal uren per dag als prostituee te werken (óók gedurende ongesteldheid) en

- die[slachtoffer] een zeer groot deel van haar prostitutieverdiensten heeft afgepakt, althans heeft laten afgeven aan hem, verdachte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 2:

een ander door een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid dwingen, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet althans redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt;

en

een ander door een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid dwingen, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding bewegen hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen;

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen door een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld, bedreiging met een andere feitelijkheid, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding;

Feit 3:

mensenhandel.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een straf dient te worden opgelegd gelijk aan de duur van het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zes jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte is een relatie met[slachtoffer] aangegaan toen zij 16 jaar was en hij 27.[slachtoffer] verkeerde thuis in hele moeilijke omstandigheden en verdachte heeft[slachtoffer] toen emotioneel afhankelijk van hem gemaakt. Verschillende getuigen die[slachtoffer] kennen, beschrijven haar schuchtere en afhankelijke karaktertrekken. Verdachte heeft zijn overwicht ingezet en[slachtoffer] stap voor stap voorbereid op het werken in de prostitutie. Door dwang uit te oefenen, bijgezet door het toepassen van geweld en door bedreigingen te uiten, het laten tatoeëren van[slachtoffer] en het controleren van haar heeft verdachte ervoor gezorgd dat[slachtoffer] (in ieder geval gedurende een lange periode) zes dagen per week ten minste twaalf uur per etmaal in de prostitutie werkte.[slachtoffer] moest haar inkomsten voor het grootste gedeelte aan verdachte afstaan.

Juist omdat het hier om prostitutiewerkzaamheden ging, heeft verdachte door aldus te handelen een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffer[slachtoffer]. Uit de verklaring van getuige [getuige 5], die als hulpverlener[slachtoffer] heeft begeleid, blijkt hoezeer[slachtoffer] getraumatiseerd is geraakt. De omstandigheden waaronder zij in de prostitutie heeft gewerkt, komen niet overeen met de omstandigheden waarin een mondige prostituee haar werkzaamheden verricht.

Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die[slachtoffer] zou ondervinden als gevolg van zijn handelen en hij heeft zich louter laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Voorts heeft verdachte er op geen enkele manier blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. De rechtbank neemt verdachte dit bijzonder kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 12 september 2013, waaruit blijkt dat verdachte één keer eerder is veroordeeld ter zake van huiselijk geweld op 20 mei 2010.

Ook heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek d.d. 18 mei 2013, opgesteld door mr. drs. R.A. Sterk, en een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 4 juni 2013.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank, overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, met de veroordeling van 20 mei 2010 en het feit dat verdachte nu opnieuw wordt schuldig bevonden aan een misdrijf dat voor de hiervoor genoemde datum is gepleegd rekening gehouden.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar gevorderd en is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Nu de rechtbank vrijspreekt van het onder feit 1 ten laste gelegde, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere of lichtere sanctie.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel dient te worden toegewezen, inclusief de gevorderde wettelijke rente, en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar vordering, omdat een behandeling van die vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, omdat de vordering niet concreet is onderbouwd.

De verdediging heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden, omdat verdachte slechts een gering inkomen heeft en volledig is afgekeurd vanwege zijn oogziekte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een bedrag van € 110.000,- gevorderd als vergoeding van haar schade ten gevolge van de ten laste gelegde feiten, waarvan

€ 100.000,- ten behoeve van materiële schade en € 10.000,- ten behoeve van immateriële schade.

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat een minder specifieke berekening van de schade geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Er is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij een aanzienlijk geldbedrag heeft afgestaan aan verdachte en aldus rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 2 en 3 bewezen geachte feiten. De rechtbank stelt deze schade, gezien de bewezen verklaarde perioden en de verdiensten van de benadeelde partij, vast op een bedrag van ten minste € 100.000,-. De rechtbank zal de vordering dan ook geheel toewijzen.

Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 2 en 3 bewezen geachte feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dit wordt bevestigd door het feit dat de benadeelde partij zich onder behandeling heeft (moeten) laten stellen, onder meer bij de al genoemde[getuige 5]. De immateriële gevolgen die benadeelde partij heeft ondervonden als gevolg van het handelen van verdachte blijkt genoegzaam uit de verklaring van die [getuige 5]. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 10.000,- voldoende aannemelijk gemaakt. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat[slachtoffer] is gestopt mat prostitutiewerkzaamheden, te weten december 2006, tot en met de dag der algehele voldoening. Vast staat dat op dat moment in ieder geval de gestelde schade, zowel materieel als immaterieel, is geleden. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 57, 63, 250a (oud), 273a (oud) en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair en het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2:

een ander door een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid dwingen, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet althans redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt;

en

een ander door een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid dwingen, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding bewegen hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen;

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen door een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld, bedreiging met een andere feitelijkheid, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding;

feit 3:

mensenhandel;

Strafbaarheid

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;

beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 110.000,-- (zegge honderdtienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 110.000,-- (zegge honderdtienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 365 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 1999

tot en met 30 september 2000

te Woerden en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) de minderjarige, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2]),

tot prostitutie heeft gebracht,

in elk geval ten aanzien van die minderjarige enige handeling heeft ondernomen

waarvan verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden

dat die minderjarige daardoor in de prostitutie belandde,

bestaande deze handeling(en) hieruit,

dat hij, verdachte, (en/of zijn mededader(s))

(telkens en/of meermalen)

- een liefdesrelatie is aangegaan met die[slachtoffer] en/of die[slachtoffer] beloofd heeft

te trouwen en/of die[slachtoffer] de indruk heeft gegeven een gezamelijke toekomst op

te willen bouwen en/of

- die[slachtoffer] verteld heeft dat hij schulden had en dat zij hem door (tijdelijk)

in de prostitutie te gaan werken kon helpen die schulden af te lossen en/of

- sex met die[slachtoffer] had en/of haar naar sexfilms liet kijken met als doel te

oefenen en/of kennis op te doen voor haar latere werkzaamheden in de

prostitutie en/of

- die[slachtoffer] meenam naar "de Wallen" (te Amsterdam) en/of [adres 1] (prostitutiegebied) te Den Haag om haar bekend te maken

met prostitutie en prostitutiewerkzaamheden;

art 250ter lid 1 sub 3 jo lid 2 sub 1 Wetboek van Strafrecht (oud)

art 250ter lid 1 ahf/ond 3 Wetboek van Strafrecht

art 250ter lid 2 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 1999

tot en met 30 september 2000

te Woerden en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) de minderjarige, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2]),

tot prostitutie te brengen,

enige handeling ten aanzien van die minderjarige[slachtoffer] heeft ondernomen

waarvan verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat

die minderjarige daardoor in de prostitutie zou belanden,

bestaande deze handeling(en) hieruit,

dat hij, verdachte, (en/of zijn mededader(s))

(telkens en/of meermalen)

- een liefdesrelatie is aangegaan met die[slachtoffer] en/of die[slachtoffer] beloofd heeft

te trouwen en/of die[slachtoffer] de indruk heeft gegeven een gezamelijke toekomst op

te willen bouwen en/of

- die[slachtoffer] verteld heeft dat hij schulden had en dat zij hem door (tijdelijk)

in de prostitutie te gaan werken kon helpen die schulden af te lossen en/of

- sex met die[slachtoffer] had en/of haar naar sexfilms liet kijken met als doel te

oefenen en/of kennis op te doen voor haar latere werkzaamheden in de

prostitutie en/of

- die[slachtoffer] meenam naar "de Wallen" (te Amsterdam) en/of [adres 1] (prostitutiegebied) te Den Haag om haar bekend te maken

met prostitutie en prostitutiewerkzaamheden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 250ter lid 1 sub 3 jo lid 2 sub 1 jo art 45 Wetboek van Strafrecht (oud)

art 250ter lid 1 ahf/ond 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van ongeveer 02

oktober 2000 tot en met 31 december 2004

te Utrecht en/of Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland,

(telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon, genaamd [slachtoffer],

(sub 1 en/of sub 6)

door geweld of één of meer andere feitelijkheden

of door bedreiging met geweld

of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden

heeft gedwongen

of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

of door misleiding

heeft bewogen

zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen

betaling

of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen

waarvan verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden

dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die (sexuele) handelingen

beschikbaar stelde en/of

(sub 4) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van een

ander, genaamd[slachtoffer], met (of voor) een derde tegen betaling en/of

(sub 6) die[slachtoffer] heeft bewogen hem,

(met de in sub 1 genoemde middelen, zie hierboven)

verdachte en/of zijn mededader(s), uit de opbrengst van zijn of haar seksuele

handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen,

(sub 1 en/of sub 6) bestaande

dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of die bedreiging met geweld

of bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bovenomschreven misbruik en/of misleiding hieruit

dat verdachte (en/of zijn mededader(s)) (telkens en/of meermalen)

-een liefdesrelatie is aangegaan met die[slachtoffer] en/of die[slachtoffer] beloofd heeft

met haar te trouwen en/of die[slachtoffer] de indruk heeft gegeven een gezamenlijke

toekomst op te willen bouwen en/of

-die[slachtoffer] heeft verteld dat hij schulden had en/of dat zij hem door

(tijdelijk) in de prostitutie te gaan werken kon helpen die schulden af te

lossen en/of

-sex met die[slachtoffer] heeft gehad en/of haar heeft gedwongen naar sexfilms liet

kijken (met als doel te oefenen en/of kennis op te doen voor haar

werkzaamheden in de prostitutie) en/of

-die[slachtoffer] heeft gefilmd toen zij onder de douche stond en/of terwijl hij,

verdachte, seks met haar had, en/of

-die[slachtoffer] op zijn, verdachte's, woon- en/of verblijfadres(sen) heeft

ondergebracht, en/of

-die[slachtoffer] meermalen (met kracht) op/tegen haar, [slachtoffer], hoofd en/of lichaam

heeft geslagen en/of gestompt, en/of

-die[slachtoffer] met een mes en/of een pistool heeft bedreigd en/of daarbij heeft

gezegd

"ik weet je te vinden als je weggaat" en/of

"je blijft altijd van mij tot aan onze dood"

(althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking), en/of

-(terwijl hij, verdachte, zijn arm om haar nek had) tegen die[slachtoffer] heeft

gezegd "jouw nek is zo dun, die kan ik zo breken" (althans woorden van gelijke

aard en/of strekking), en/of

-die[slachtoffer] (meermalen) tegen haar wil, met zijn, verdachtes, penis en/of

zijn, verdachtes, hand/vuist en/of een (grote) dildo anaal en/of vaginaal

heeft gepenetreerd, en/of

-die[slachtoffer] heeft gedwongen (althans overgehaald) een tatoeage op haar lichaam

te zetten met de tekst "[voornaam verdachte]" en een afbeelding van een cobra (zijnde de

bijnaam van verdachte) en/of

-die[slachtoffer] heeft gedwongen dezelfde huisarts als hij, verdachte, had te nemen

en/of heeft bepaald of en zoja wanneer die[slachtoffer] haar familie mocht zien

en/of ander/regulier werk - dat[slachtoffer] liever wilde doen - heeft afgekeurd

en/of verboden

en/of haar mobiel telefoon kapot heeft gemaakt,

waardoor die[slachtoffer] sociaal geïsoleerd werd door verdachte en/of die[slachtoffer] in

een door verdachte gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden,

in elk geval een of meer (andere) handelingen heeft/hebben verricht,

strekkende tot het brengen en/of houden van die[slachtoffer] in een van verdachte

afhankelijke positie, en/of

(sub 1, 4 en 6) hebbende die handeling(en) hieruit bestaan dat

verdachte (en/of zijn mededader(s)) (telkens) (meermalen)

-die[slachtoffer] voorafgaand en (vervolgens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden

(werk-)instructies heeft/hebben gegeven, en/of

-een (of meer) kamer(s)/ruimte(s) in Utrecht en/of den Haag en/of Amsterdam

heeft/hebben geregeld, alwaar die[slachtoffer] haar prostitutiewerkzaamheden

kon/moest verrichten, en/of

-die[slachtoffer] naar haar prostitutiewerkplek heeft/hebben gebracht en/of die[slachtoffer]

van haar prostitutiewerkplek heeft/hebben opgehaald, en/of

-die[slachtoffer] heeft/hebben gecontroleerd en/of heeft/hebben laten controleren op

het moment dat zij, die[slachtoffer], als prostituee aan het werk was, en/of op

andere tijdstippen telkens haar kleding en/of mobiele telefoon en/of

schaamstreek heeft/ hebben gecontroleerd, en/of

-die[slachtoffer] opdracht heeft/hebben gegeven en/of onder druk heeft/hebben gezet

en/of ertoe heeft/hebben aangezet en/of gebracht een (zeer) groot aantal dagen

(per week), en/of een (zeer) groot aantal uren per dag als prostituee te

werken (óók gedurende ziekte en/of zwangerschap en/of ongesteldheid) en/of

-die[slachtoffer] alle, althans een zeer groot deel van haar,

(prostitutie)verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, heeft/hebben

afgepakt, althans heeft/hebben laten afgeven aan hem, verdachte, en/of zijn

mededader(s), althans die[slachtoffer] slechts een (zeer) klein deel van die

verdiensten heeft/hebben laten behouden;

250a lid 1 aanhef en onder sub 1 en/of sub 4 en/of sub 6 jo

250a lid 2 aanhef en onder 1

Wetboek van Strafrecht (oud)

art 250a lid 1 ahf/ond 1° Wetboek van Strafrecht

art 250a lid 2 ahf/ond 1° Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van ongeveer 01

januari 2005 tot met 31 december 2006 te Den Haag en/of Amsterdam, in elk geval

in Nederland,

(telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon, genaamd [slachtoffer]

(sub 1 en/of sub 6 en/of sub 9)

door dwang

en/of geweld

en/of een of meer andere feitelijkheden

en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of door afpersing

en/of door fraude

en/of door misleiding

en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en/of door misbruik van een kwetsbare positie

(sub 1) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of

opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die[slachtoffer], en/of

(sub 4) die[slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot

het verrichten van arbeid of dienst

en/of enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs

moest vermoeden

dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van

arbeid of diensten, en/of

(sub 6) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die[slachtoffer],

en/of

(sub 9) die[slachtoffer] heeft gedwongen dan wel bewogen hem (en/of zijn mededader(s))

te bevoordelen uit de opbrengst van dier seksuele handelingen met of voor een

derde, en/of

bestaande

die dwang

en/of dat geweld

en/of die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of die dreiging met geweld

en/of die dreiging van die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of die afpersing

en/of die fraude

en/of die misleiding

en/of dat misbruik

(telkens) hieruit dat verdachte (en/of zijn mededader(s)) (telkens) (meermalen)

-een liefdesrelatie is aangegaan met die[slachtoffer] en/of die[slachtoffer] beloofd heeft

met haar te trouwen en/of die[slachtoffer] de indruk heeft gegeven een gezamenlijke

toekomst op te willen bouwen en/of

-die[slachtoffer] heeft verteld dat hij schulden had en/of dat zij hem door

(tijdelijk) in de prostitutie te gaan werken kon helpen die schulden af te

lossen en/of

-sex met die[slachtoffer] heeft gehad en/of haar heeft gedwongen naar sexfilms liet

kijken (met als doel te oefenen en/of kennis op te doen voor haar

werkzaamheden in de prostitutie) en/of

-die[slachtoffer] heeft gefilmd toen zij onder de douche stond en/of terwijl hij,

verdachte, seks met haar had, en/of

-die[slachtoffer] op zijn, verdachte's, woon- en/of verblijfadres(sen) heeft

ondergebracht, en/of

-die[slachtoffer] meermalen (met kracht) op/tegen haar, [slachtoffer], hoofd en/of lichaam

heeft geslagen en/of gestompt, en/of

-die[slachtoffer] met een mes en/of een pistool heeft bedreigd en/of daarbij heeft

gezegd

"ik weet je te vinden als je weggaat" en/of "je blijft altijd van mij tot aan

onze dood"

(althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking), en/of

-(terwijl hij, verdachte, zijn arm om haar nek had) tegen die[slachtoffer] heeft

gezegd "jouw nek is zo dun, die kan ik zo breken (althans woorden van gelijke

aard en/of strekking), en/of

-die[slachtoffer] (meermalen) tegen haar wil, met zijn, verdachtes, penis en/of

zijn, verdachtes, hand/vuist en/of een (grote) dildo anaal en/of vaginaal

heeft gepenetreerd, en/of

-die[slachtoffer] heeft gedwongen (althans overgehaald) een tatoeage op haar lichaam

te zetten met de tekst "[voornaam verdachte]" en een afbeelding van een cobra (zijnde de

bijnaam van verdachte) en/of

-die[slachtoffer] heeft gedwongen dezelfde huisarts als hij, verdachte, had te nemen

en/of heeft bepaald of en zoja wanneer die[slachtoffer] haar familie mocht zien

en/of ander/regulier werk - dat[slachtoffer] liever wilde doen - heeft afgekeurd

en/of verboden

en/of haar mobiel telefoon kapot heeft gemaakt,

waardoor die[slachtoffer] sociaal geïsoleerd werd door verdachte en/of die[slachtoffer] in

een door verdachte gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden,

in elk geval een of meer (andere) handelingen heeft/hebben verricht,

strekkende tot het brengen en/of houden van die[slachtoffer] in een van verdachte

afhankelijke positie, en/of

(sub 1, 4, 6 en 9) hebbende die handeling(en) hieruit bestaan dat

verdachte (en/of zijn mededader(s)) (telkens) (meermalen)

-die[slachtoffer] voorafgaand en (vervolgens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden

(werk-)instructies heeft/hebben gegeven, en/of

-een (of meer) kamer(s)/ruimte(s) in Den Haag en/of Amsterdam heeft/hebben

geregeld, alwaar die[slachtoffer] haar prostitutiewerkzaamheden kon/moest verrichten,

en/of

-die[slachtoffer] naar haar prostitutiewerkplek heeft/hebben gebracht en/of die[slachtoffer]

van haar prostitutiewerkplek heeft/hebben opgehaald, en/of

-die[slachtoffer] heeft/hebben gecontroleerd en/of heeft/hebben laten controleren op

het moment dat zij, die[slachtoffer], als prostituee aan het werk was, en/of op

andere tijdstippen telkens haar kleding en/of mobiele telefoon en/of

schaamstreek heeft/ hebben gecontroleerd, en/of

-die[slachtoffer] opdracht heeft/hebben gegeven en/of onder druk heeft/hebben gezet

en/of ertoe heeft/hebben aangezet en/of gebracht een (zeer) groot aantal dagen

(per week), en/of een (zeer) groot aantal uren per dag als prostituee te

werken (óók gedurende ziekte en/of zwangerschap en/of ongesteldheid) en/of

-die[slachtoffer] alle, althans een zeer groot deel van haar,

(prostitutie)verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, heeft/hebben

afgepakt, althans heeft/hebben laten afgeven aan hem, verdachte, en/of zijn

mededader(s), althans die[slachtoffer] slechts een (zeer) klein deel van die

verdiensten heeft/hebben laten behouden;

art 273a lid 1 sub 1 en/of 4 en/of 6 en/of 9 jo lid 3 sub 1

Wetboek van Strafrecht (oud)

en/of

art 273f lid 1 sub 1 en/of 4 en/of 6 en/of 9 jo lid 3 sub 1

Wetboek van Strafrecht (oud)

art 273a lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

art 273a lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Dit betreft het dossier SIMPLEX, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 699 en het dossier SFO SIMPLEX, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 948. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 202 tot en met 332, dossier SIMPLEX.

3 Pagina 316, dossier SIMPLEX.

4 Pagina 203, dossier SIMPLEX.

5 Pagina 204, dossier SIMPLEX.

6 Pagina 251, dossier SIMPLEX.

7 Pagina 204, dossier SIMPLEX.

8 Pagina 205, dossier SIMPLEX.

9 Pagina 246, dossier SIMPLEX.

10 Pagina 205, dossier SIMPLEX.

11 Pagina 206, dossier SIMPLEX.

12 Pagina 330, dossier SIMPLEX.

13 Pagina 206 en 207, dossier SIMPLEX.

14 Pagina 211 en 212, dossier SIMPLEX.

15 Pagina 208 en 209, dossier SIMPLEX.

16 Pagina 209, dossier SIMPLEX.

17 Pagina 330, dossier SIMPLEX.

18 Pagina 209, dossier SIMPLEX.

19 Pagina 216, dossier SIMPLEX.

20 Pagina 215 en 216, dossier SIMPLEX.

21 Pagina 222 en 315, dossier SIMPLEX.

22 Pagina 217, dossier SIMPLEX.

23 Pagina 217, dossier SIMPLEX.

24 Pagina 258 en 259, dossier SIMPLEX.

25 De verklaring van aangeefster [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2013.

26 Pagina 217, dossier SIMPLEX.

27 Pagina 257, dossier SIMPLEX.

28 Pagina 219, dossier SIMPLEX.

29 Pagina 218, dossier SIMPLEX.

30 Pagina 256, dossier SIMPLEX.

31 Pagina 318, dossier SIMPLEX en de verklaring van aangeefster [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2013.

32 Pagina 219, dossier SIMPLEX.

33 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2013.

34 Pagina 538 en 539, dossier SIMPLEX.

35 De verklaring van [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 oktober 2013.

36 Pagina 595 tot en met 598, dossier SIMPLEX.

37 Pagina 500 tot en met 504, dossier SIMPLEX.

38 Pagina 518 tot en met 522, dossier SIMPLEX.

39 Pagina 478 tot en met 481, dossier SIMPLEX.

40 Pagina 593, dossier SIMPLEX.

41 Pagina 85, dossier SIMPLEX en de verklaring van [getuige 6], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2013.

42 Pagina 760, dossier SFO SIMPLEX.

43 Pagina 769 en 770, dossier SFO SIMPLEX.

44 Daar waar het huidige artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht wordt beschreven, wordt eveneens het voormalige, maar inhoudelijk gelijkluidende, artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht bedoeld.

45 Pagina 616 tot en met 618, dossier SIMPLEX.