Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5497

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
2273870 UE VERZ 13-599
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ondernemer en ondernemingsraad over de vraag of de eerder vastgestelde 'Spelregels rond het lidmaatschap van de Ondernemingsraad' (waarin staat dat de voorzitter en secretaris van de OR voor de helft van hun arbeidstijd zijn vrijgemaakt voor het medezeggenschapswerk) moeten worden aangemerkt als een ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR en of de ondernemer deze 'spelregels' zonder overleg met en instemming van de ondernemingsraad mocht wijzigen. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 32 lid 2 WOR. Deze overeenkomst mocht de ondernemer niet zonder voorafgaand overleg met de ondernemingsraad wijzigen. Niet gebleken is dat zwaarwichtige redenen eenzijdige aanpassing noodzakelijk maakte. In afwachting van overleg tussen partijen over een wijziging van de 'spelregels' blijft ondernemer daaraan gebonden.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 18
Wet op de ondernemingsraden 32
Wet op de ondernemingsraden 36
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/295 met annotatie van mr. C. Nekeman
AR-Updates.nl 2013-0928
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2273870 UE VERZ 13-599 LH/4059

Beschikking van 5 november 2013

inzake

Ondernemingsraad van Strukton Worksphere B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen de ondernemingsraad,

verzoekende en verwerende partij,

gemachtigde: mr. L.J.M. van Westerlaak en mr. A.W.H. Joosten,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Strukton Worksphere B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Strukton Worksphere,

verwerende en verzoekende partij,

gemachtigde: mr. S.B. Bijkerk-Verbruggen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De ondernemingsraad heeft op 19 augustus 2013 een verzoekschrift in de zin van artikel 36 Wet op de ondernemingsraden (WOR) ingediend. Nadien heeft de ondernemingsraad nog nadere producties toegezonden.

1.2.

Strukton Worksphere heeft een verweerschrift, tevens houdende een tegenverzoek, ingediend.

1.3.

De verzoeken zijn ter zitting van 15 oktober 2013 behandeld. De gemachtigden van partijen hebben daar hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

De ondernemingsraad is de door Strukton Worksphere voor haar onderneming ingestelde ondernemingsraad. De ondernemingsraad telt 15 leden. De heer [voorzitter] is de voorzitter en mevrouw [secretaris] is de secretaris van de ondernemingsraad.

2.2.

Namens de ondernemer pleegt het overleg met de ondernemingsraad te worden gevoerd door de heer [A], in zijn hoedanigheid van financieel directeur. De hoogste zeggenschap in de onderneming rust bij de heer [B], bestuurder en grootaandeelhouder van Strukton N.V., de moedervennootschap van Strukton Worksphere.

2.3.

In maart 2011 hebben tussen een afvaardiging van de ondernemingsraad (in zijn toenmalige samenstelling) en de heer [C], destijds directeur human resources en belast met het onderhouden van de dagelijkse contacten tussen de ondernemingsraad en de toenmalige directie van Strukton Worksphere (waarvan de heer [D], als algemeen directeur, als bestuurder in de zin van de WOR optrad) gesprekken gevoerd over de tijd die de leden van de ondernemingsraad in werktijd aan hun OR-werkzaamheden mochten besteden. Dit overleg heeft geleid tot een document met de titel ‘Spelregels rond het lidmaatschap van de Ondernemingsraad’ (hierna ook te noemen de ‘spelregels’), dat medio juli 2011 door de heer [C] aan de leidinggevenden binnen de onderneming, alsook ter kennisname aan de ondernemingsraad, is gezonden.

2.4.

In zijn schriftelijke verklaring van augustus 2013 heeft de heer [C] voornoemd uiteengezet hoe de ‘spelregels’ in 2011 tot stand zijn gekomen. In dat verband heeft hij onder meer verklaard: ‘In maart van 2011 hebben gesprekken in een tijdsbestek van een aantal weken, uiteraard met medeweten en ook formele instemming van de bestuurder, geleid tot de in het document ‘Spelregels rond het lidmaatschap van de Ondernemingsraad’ vastgelegde afspraken. Ondergetekende heeft, zoals ook de toenmalige samenstelling van de statutaire directie duidelijk is en moet zijn geweest, de schriftelijke afspraken gemaakt in het kader van de WOR art. 21. Het was vanaf het begin van het overleg zowel de directie als OR duidelijk dat partijen zich gehouden zouden voelen aan het handhaven van de aldus en in overleg vastgelegde afspraken en de gegeven verduidelijkingen over de rol van de OR binnen de onderneming. De verspreiding van de ‘set aan spelregels’ is, zoals vaak ook in andere medezeggenschap- en arbeidsvoorwaardelijke mededelingen te doen gebruikelijk is geweest, door ondergetekende en veelal ook blijkend uit de formele ondertekening van communicatie over dit onderwerp ‘namens de directie’, ter kennis gebracht aan alle leidinggevenden binnen Strukton Worksphere. Geen vragen of opmerkingen van negatieve aard hebben ondergetekende na publicatie van de ‘set spelregels’ bereikt. De nu ook schriftelijk, met instemming van de directie, vastgelegde afspraken sloten immers nagenoeg naadloos aan bij de al sinds jaar en dag bestaande praktijk over de tijdsbesteding en invulling van OR-taken binnen Strukton Worksphere. De verduidelijking over ‘de rol en positie van de OR’ werd algemeen geapprecieerd.’

2.5.

Genoemde ‘spelregels’ bepalen onder meer het volgende: ‘Hoewel de wetgever geen strikte regels verbind(t) aan de tijdsbesteding c.q. de ter beschikking te stellen tijd door de werkgever, ligt het in de rede dat hierover naar ‘redelijkheid en billijkheid’ afspraken worden gemaakt. Daarbij wordt rekening gehouden met de verschillende rollen en taken die er binnen de OR te vervullen zijn. Het mag duidelijk zijn dat de tijdbesteding van een secretaris dan wel voorzitter of een lid van één van de commissies dan wel een ‘gewoon lid’ die binnen de OR actief zijn, verschillend moet worden benaderd. Binnen Worksphere zijn afspraken gemaakt met betrekking tot de gemiddelde tijdsbesteding van de voorzitter en de secretaris van de OR. Zij zijn zoals ook blijkt uit de afgelopen periode voor 50% vrijgemaakt voor hun OR werkzaamheden. Voor de andere OR functies zijn geen vaste afspraken gemaakt maar vindt wel - jaarlijks - overleg plaats op Worksphere Directieniveau over een billijke tijdbesteding. Voor OR-leden anders dan de voorzitter en de secretaris ligt dit gemiddeld veelal rond 0,5 tot 1 dag per week. Het lidmaatschap van de ondernemingsraad vraagt in alle gevallen, naast de tijdsbesteding binnen werktijd, ook de nodige flexibiliteit in tijdsbesteding én tijd buiten de normale werktijden. OR werk is ook werk en is daarom tijdens de normale kantooruren gewoon werktijd! (-) Het moge duidelijk zijn dat, zeker onder bijzondere omstandigheden - ingeval er bijvoorbeeld een groot aantal complexe advies of instemmingsaanvragen in behandeling zijn - door de Bestuurder een beroep wordt gedaan op het niet alleen snel maar ook zorgvuldig afhandelen van een gevraagd advies of instemmingsverzoek. Een tijdelijk grotere tijdsbesteding en een beroep op de flexibiliteit van zowel het OR lid als zijn leidinggevende is dan het gevolg.’ Deze ‘spelregels’ zijn tot omstreeks 22 juli 2013 door ondernemer en ondernemingsraad toegepast en nageleefd.

2.6.

Bij brieven van 22 juli 2013 heeft de heer [B] voornoemd aan de heer [voorzitter] als voorzitter van de ondernemingsraad en aan mevrouw [secretaris] als secretaris meegedeeld: ‘Wij zijn overeengekomen dat met directe ingang jouw inzet (-) voor (C)OR werkzaamheden en alles wat daarmee samenhangt (bijvoorbeeld: scholing) is vastgesteld op maximaal acht uur per week. Vorenstaand is in lijn met de huidige WOR-wetgeving.’

2.7.

Namens de ondernemingsraad heeft mr. Joosten bij e-mail van 29 juli 2013 betwist dat een wijziging van de ‘spelregels’ was overeengekomen. Tegen de eenzijdige wijziging maakte de ondernemingsraad bezwaar. Bij brief van 2 augustus 2013 heeft mr. Van Westerlaak namens de ondernemingsraad Strukton Worksphere gesommeerd de ‘spelregels’ na te leven, zolang daarin in overleg tussen partijen geen wijziging is gebracht. Bij brief van 9 augustus 2013 heeft de heer [B] aan mr. Van Westerlaak meegedeeld dat Strukton Worksphere blijft bij haar standpunt over de tijd die voorzitter en secretaris aan hun OR-werk besteden. De tijdsbesteding van de OR-leden is volgens Strukton Worksphere nooit onderwerp van met de ondernemingsraad gemaakte afspraken geweest.

2.8.

Op 7 augustus 2013 hebben de heren [B] en [A] achtereenvolgens gesproken met de heer [voorzitter] en met mevrouw [secretaris]. Bij brief van diezelfde dag heeft Strukton Worksphere bevestigd dat zij voornemens is het dienstverband met mevrouw [secretaris] te beëindigen wegens onvoldoende functioneren. Bij brief van 7 augustus 2013 heeft Strukton Worksphere, ter bevestiging van het met de heer [voorzitter] gevoerde gesprek, meegedeeld dat de verdeling tussen de uitoefening van de eigen functie en de OR-werkzaamheden diende te worden gewijzigd van 50/50 naar ongeveer 80/20. In zijn reactie, per e-mail van 13 augustus 2013, heeft de heer [voorzitter] de heer [B] voor een eventuele aanpassing van de ‘spelregels’ verwezen naar het overleg met de ondernemingsraad.

2.9.

Op 19 augustus 2013 heeft de ondernemingsraad zich op grond van artikel 36 WOR tot de kantonrechter gewend. Op 12 september 2013 heeft overleg tussen partijen niet tot een minnelijke regeling van het geschil geleid, omdat partijen in het eigen standpunt volhardden. De kern van het meningsverschil bleef dat Strukton Worksphere meent niet te zijn gebonden aan de ‘spelregels’ uit 2011, terwijl de ondernemingsraad de ‘spelregels’ beschouwt als afspraken die niet eenzijdig beëindigd of gewijzigd kunnen worden.

3 Het verzoek van de ondernemingsraad

3.1.

De ondernemingsraad verzoekt de kantonrechter om op grond van artikel 36 WOR voor recht te verklaren dat de in 2011 afgesproken ‘spelregels’ tussen partijen onverminderd geldig en van toepassing zijn, alsmede dat van een rechtsgeldige eenzijdige wijziging van deze ‘spelregels’ geen sprake is. Voorts verzoekt de ondernemingsraad dat Strukton Worksphere wordt veroordeeld om uitvoering te blijven geven aan de ‘spelregels’, en wel totdat de daarin vervatte afspraken rechtsgeldig zijn beëindigd of gewijzigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per (deel van een) dag dat Strukton Worksphere hiermee in gebreke blijft.

3.2.

De ondernemingsraad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de in 2011 gemaakte afspraken over de faciliteiten voor de medezeggenschap (de ‘spelregels’) moeten worden aangemerkt als een ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR. Van haar verplichtingen uit deze overeenkomst kan Strukton Worksphere zich niet eenzijdig, zonder voorafgaand overleg met de ondernemingsraad en zonder dat voor beëindiging of wijziging ervan zwaarwichtige redenen bestaan, bevrijden. De ondernemingsraad houdt Strukton Worksphere daarom op goede grond aan deze ‘spelregels’, maar is bereid hierover redelijk overleg te voeren. Tot een dergelijk overleg heeft Strukton Worksphere zich niet bereid getoond. Van de aanvang af is de acht uurs-norm een opgelegd dictaat geweest. Daarvan getuigen ook de tegen de voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad individueel genomen represailles. Strukton Worksphere is voornemens de arbeidsovereenkomst van beiden te doen eindigen.

3.3.

Strukton Worksphere verweert zich tegen toewijzing van het verzoek van de ondernemingsraad. Tot nakoming van de ‘spelregels’ acht zij zich niet gehouden. Het document waarin de ‘spelregels’ zijn vervat, is geen met de ondernemingsraad aangegane overeenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR, maar een destijds eenzijdig namens Strukton Worksphere opgesteld stuk, bedoeld om de betrokken leidinggevenden te informeren over de met het OR-werk gemoeide tijd. Zìj waren de geadresseerden. Aan de ondernemingsraad is het stuk slechts ter kennisname toegestuurd. De ondernemingsraad is destijds niet gevraagd om in te stemmen met de inhoud ervan. Die instemming is toen ook niet gegeven. Een afschrift van het stuk is evenmin aan de bedrijfscommissie gezonden. Het document kan voorts niet als een overeenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR worden aangemerkt, omdat daarin geen inhoudelijke (bovenwettelijke) bevoegdheden aan de ondernemingsraad zijn toegekend. In 2011 is slechts, met toepassing van artikel 18 WOR en ter inrichting en facilitering van de medezeggenschap, een indicatie gegeven van het, door de voorzitter en secretaris, aan het OR-werk te besteden aantal uren.

3.4.

Het is economisch noodzakelijk, en daarom meer dan redelijk, dat de tijd die voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad aan hun OR-werk besteden, wordt teruggebracht naar maximaal acht uren per week. Door de economische crisis die onder meer de bouw heeft getroffen, verkeert Strukton Worksphere in zwaar weer. De bedrijfsresultaten zijn verslechter(en)d en hebben tot ingrijpende kostenbesparing - daaronder personeelinkrimping - genoodzaakt. Net als de andere gremia in de onderneming moet ook de ondernemingsraad bijdragen aan de realisatie van de noodzakelijke bezuinigingen door efficiënter te gaan werken. Nu leidt het OR-werk tot een excessieve tijdsbesteding. Waar Strukton Worksphere de genoemde acht uurs-norm als richtlijn heeft voorgesteld, heeft de ondernemingsraad constructief overleg gefrustreerd door in afwachting van dat overleg te staan op de naleving van de ‘spelregels’ uit 2011, óók nadat Strukton Worksphere een overgangstermijn en een afbouwregeling had aangeboden.

4 Het verzoek van de ondernemer

4.1.

Strukton Worksphere verzoekt harerzijds dat de kantonrechter bepaalt dat de ondernemingsraad gehouden is ingevolge artikel 18 WOR mee te werken aan redelijke afspraken omtrent zijn taakvervulling. Voorts verzoekt Strukton Worksphere om te bepalen dat een tijdsbesteding van gemiddeld 8 uur per week voor voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad als uitgangspunt voor de bespreking niet onredelijk is.

4.2.

De ondernemingsraad meent dat het tegenverzoek dient te worden afgewezen.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, heeft de kantonrechter zich ambtshalve de vraag gesteld of de ondernemingsraad in zijn op artikel 36 WOR gebaseerde verzoek kan worden ontvangen. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Een geschil over de vraag of tussen ondernemer en ondernemingsraad een overeenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR tot stand is gekomen, en of de ondernemer jegens de ondernemingsraad tot nakoming van die overeenkomst gehouden is, kan in het kader van de algemene geschillenregeling van artikel 36 WOR aan de kantonrechter worden voorgelegd. Zoals uit de wetgeschiedenis (Kamerstukken 1996-1997, 24 615, nr. 9, p. 33) volgt, kunnen afspraken over de wijze waarop de medezeggenschap in de onderneming op basis van de WOR gestalte krijgt, worden aangemerkt als ‘hetgeen krachtens deze wet is bepaald’, als bedoeld in artikel 36 lid 2 WOR.

Sinds de inwerkingtreding op 19 juli 2013 van de wetswijziging (Stb. 2013, 296), waarbij onder meer het derde lid van artikel 36 (oud) WOR is vervallen, staat aan de ontvankelijkheid van een verzoek in de zin van artikel 36 WOR, niet langer in de weg dat niet vooraf om bemiddeling door de bedrijfscommissie is gevraagd. De verplichting om eerst de bemiddeling door de bedrijfscommissie te vragen is geschrapt.

5.2.

Het geschil betreft allereerst de vraag of in 2011 tussen partijen een ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR tot stand is gekomen. De ondernemingsraad heeft dit betoogd, Strukton Worksphere heeft dit bestreden. De kantonrechter overweegt hieromtrent allereerst dat partijen er niet over van mening verschillen dat de in 2011 gemaakte afspraken voldoen aan de in artikel 32 lid 2 WOR omschreven geldigheidsvereisten. Strukton Worksphere erkent dat aan het schriftelijkheids-vereiste is voldaan en heeft - terecht - niet betoogd dat het feit dat de ‘spelregels’ niet in afschrift aan de bedrijfscommissie zijn gezonden aan de geldigheid ervan in de weg staat. Het geschil betreft de - preliminaire - vraag of Strukton Worksphere zich überhaupt jegens haar ondernemingsraad heeft verbonden. De kantonrechter overweegt het volgende.

5.3.

Zoals overeenkomsten in het algemeen, komt ook een ondernemingsovereenkomst tussen ondernemer en ondernemingsraad (afgezien van de bedoelde vormvereisten) tot stand door een aanbod van de een en de aanvaarding daarvan door de ander (artikel 6:217 BW). Òf de gedane uitlatingen kunnen worden aangemerkt als een aanbod tot het aangaan van een overeenkomst respectievelijk als de aanvaarding daarvan, en wat dat aanbod en die aanvaarding inhouden, moet worden beoordeeld aan de hand van de zogenoemde wilsvertrouwensleer (artikel 3:35 BW). Dit brengt mee dat het daarbij aankomt op de zin die partijen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. ook HR 13 maart 1981 NJ 1981, 635; ‘Haviltex’).

5.4.

Niet in geschil is dat de heer [C] in 2011 in het overleg met de ondernemingsraad over de tijdsbesteding van de OR-leden bevoegd was Strukton Worksphere te vertegenwoordigen en te binden. Uit de in dit geding overgelegde verklaring van [C] van augustus 2013 en het uittreksel uit de notulen van de landelijke directieraad van juli 2011 leidt de kantonrechter af dat in 2011, in elk geval aan de zijde van de ondernemingsraad, behoefte bestond aan nadere afspraken over de tijdsbesteding van OR-leden en aan de schriftelijke vastlegging van die afspraken, en dat Strukton Worksphere daaraan tegemoet heeft willen komen. In maart 2011 zijn hiertoe gesprekken gevoerd tussen (de vertegenwoordigers van) de ondernemer en de ondernemingsraad. Kennelijk hebben deze besprekingen geleid tot overeenstemming over de omvang van de - in elk geval door de voorzitter en de secretaris - in werktijd aan het OR-werk te besteden tijd. Zij werden daartoe vrijgesteld voor de helft van hun werktijd. Uit het feit dat de ondernemingsraad niet heeft gereageerd op de tekst van het door [C] destijds ‘ter kennisname’ toegezonden document, moet worden afgeleid dat de gemaakte afspraken daarin juist waren verwoord. Dat het door [C] geredigeerde stuk de vorm heeft van een instructie aan de betrokken leidinggevenden kan er onder deze omstandigheden niet aan afdoen dat de gemaakte afspraken het karakter van een obligatoire overeenkomst hadden. Uit de omstandigheid dat de afspraken op deze wijze werden gecommuniceerd met de leidinggevenden, heeft de ondernemingsraad mogen opmaken dat Strukton Worksphere zich ervoor inspande om de naleving van de gemaakte afspraken binnen de onderneming te verzekeren. Waar het de tijdsbesteding door voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad betreft, waren de afspraken ook voldoende bepaald: beiden werden vrijgesteld voor de helft van hun werktijd. Vast staat dat deze afspraken tot in juli 2013 door partijen steeds zijn nageleefd.

5.5.

Strukton Worksphere heeft haar standpunt, dat de ‘spelregels’ niet kunnen worden aangemerkt als een ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR, mede gebaseerd op een onderscheid dat zou moeten worden gemaakt tussen enerzijds de afspraken die in het kader van artikel 18 WOR plegen te worden gemaakt en anderzijds de in artikel 32 lid 2 WOR bedoelde overeenkomst. Volgens Strukton Worksphere kan van een ‘convenant’ in de zin van laatstbedoelde bepaling, waaraan de ondernemer zich alleen onder bijzondere voorwaarden eenzijdig kan onttrekken, uitsluitend sprake zijn in het geval de ondernemer aan de ondernemingsraad ‘extra’ bevoegdheden verleent. Van dat laatste is hier geen sprake geweest, zo meent Strukton Worksphere. De kantonrechter verwerpt dit standpunt. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van artikel 32 lid 2 WOR biedt aanknopingspunten voor de door Strukton Worksphere voorgestane beperkte uitleg van de rechtsfiguur van de ondernemingsovereenkomst of voor het door haar verdedigde strikte onderscheid. Strukton Worksphere ziet eraan voorbij dat artikel 32 lid 2 WOR bepaalt dat in de daar bedoelde overeenkomst aan de ondernemingsraad niet alleen bovenwettelijke bevoegdheden kunnen worden toegekend, maar dat bij ondernemingsovereenkomst ook aanvullende voorschriften over de toepassing van het bij of krachtens de WOR bepaalde kunnen worden gegeven. Van dat laatste is hier ontegenzeglijk sprake. Ook de wetsgeschiedenis dwingt allerminst tot een beperkte uitleg van de overeenkomst als bedoeld in artikel 32 lid 2 WOR. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 1995/1996, 24 615, nr. 3, p. 25) is uiteengezet dat de wetgever weliswaar verantwoordelijk is voor het vaststellen van ‘heldere en qua niveau adequate basisvoorzieningen van beschermende en ordenende aard’, maar dat het aan de betrokkenen

- ondernemers en ondernemingsraden - zèlf is om ‘nader invulling te geven aan de medezeggenschap en te zorgen voor een effectief functioneren daarvan.’ ‘Overeenkomsten tussen betrokkenen zijn daartoe een geëigend middel. Daarmee kan de medezeggenschap in de eigen onderneming op maat gesneden worden, afgestemd op de bedrijfsomstandigheden’, aldus de minister. Strukton Worksphere en haar ondernemingsraad moeten geacht worden in 2011 van die verruimde wettelijke mogelijkheid gebruik te hebben willen maken.

5.6.

Anders dan Strukton Worksphere meent, is de door haar voorgestane visie ook niet nodig om te voorkómen dat de ondernemer aan de met de ondernemingsraad gesloten overeenkomst gebonden blijft, terwijl de omstandigheden in de onderneming wezenlijk zijn gewijzigd of externe omstandigheden dringend tot aanpassing nopen. Het staat contractpartijen vrij zich jegens elkaar slechts voor een bepaalde tijd, bijvoorbeeld voor de duur van de zittingperiode van de ondernemingsraad, te verbinden. Nu in de ‘spelregels’ over de looptijd niet anders is bepaald, gelden zij tussen partijen voor onbepaalde tijd. Daaraan doen een gewijzigde samenstelling van de ondernemingsraad en een opvolging van bestuurders niet af. Voorts bestaat de mogelijkheid om met elkaar te overleggen over het openbreken en aanpassen van de overeenkomst. Kan daarover geen overeenstemming worden bereikt, dan kan - onder bijzondere voorwaarden - tot eenzijdig wijziging van de overeenkomst worden besloten.

5.7.

De verhouding tussen partijen wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid geregeerd. Daarom, alsmede gelet op de aard van de in 2011 overeengekomen ‘spelregels’ en de daaraan gedurende geruime tijd gegeven uitvoering, kon Strukton Worksphere de werktijd die voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad aan hun OR-werk mogen besteden niet verminderen zonder voorafgaand overleg met de ondernemingsraad, zijnde haar contractspartij bij de ondernemingsovereenkomst. Anders dan Strukton Worksphere heeft betoogd, kan in de brieven die de heer [B] op 22 juli 2013 aan de heer [voorzitter] en mevrouw [secretaris] heeft gestuurd geen uitnodiging aan de ondernemingsraad tot het voeren van overleg over een neerwaartse aanpassing van de in 2011 gemaakte afspraken worden gelezen. Ook kunnen die brieven niet als een voorstel tot wijziging van de overeenkomst worden aangemerkt. De reactie van [B] op de e-mail van 29 juli 2013 van mr. Joosten wijst er bovendien bepaald niet op dat Strukton Worksphere nog slechts het voornemen had opgevat de OR-tijd van [voorzitter] en [secretaris] terug te brengen tot maximaal acht uren per week en dat zij open stond voor overleg. Dat Strukton Worksphere, na de indiening van onderhavig verzoek, alsnog heeft aangedrongen op overleg en in dat kader een overgangsregeling heeft aangeboden, brengt daarin geen verandering, omdat zij zich op het standpunt bleef stellen dat van een eerdere afspraak over de tijdsbesteding van voorzitter en secretaris geen sprake was en dat op zichzelf niet viel te ontkomen aan de gestelde acht uurs-norm. De ondernemingsraad mocht zich daarom redelijkerwijs op het standpunt stellen dat in afwachting van overleg de ‘spelregels’ zouden worden nagekomen. Dat Strukton Worksphere daartoe niet bereid was en er wat haar betreft aan de acht uurs-norm niet te tornen viel, heeft derhalve verhinderd dat - alsnog - overleg van de grond kwam.

5.8.

Ook indien er evenwel vanuit zou moeten worden gegaan dat het de bedoeling van Strukton Worksphere is geweest om redelijk overleg met de ondernemingsraad te voeren en dat het haars ondanks daarvan niet is gekomen, is niet voldaan aan het in de rechtspraak (vgl. Hof Den Haag 3 november 2006 JAR 2007, 32) aan een rechtsgeldige eenzijdige wijziging van een ondernemingsovereenkomst gestelde vereiste dat zwaarwichtige redenen de door de ondernemer gewenste aanpassing ervan noodzakelijk maken. Het enkele feit dat de bedrijfsresultaten onder druk staan betekent niet - in elk geval niet zonder meer - dat de voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad hun OR-werkzaamheden in minder dan de helft van de tijd moeten gaan doen. Niet gesteld of gebleken is dat, net als in 2011 is gebeurd, de tijdsbesteding door [voorzitter] en [secretaris] in de afgelopen jaren is onderzocht en dat die een drastische vermindering van hun OR-tijd rechtvaardigt. Evenmin is gesteld of gebleken dat (het dagelijks bestuur van) de andere gremia in het bedrijf eenzelfde bijdrage aan de bezuinigingen hebben moeten leveren. Ook heeft Strukton Workshere niet gemotiveerd weersproken dat de omvang van het medezeggenschapswerk in tijden van economische crisis eerder toe- dan afneemt.

5.9.

Zoals de wetgever zich verantwoordelijk noch in staat acht de wijze waarop de medezeggenschap wordt vormgegeven toe te snijden op de bedrijfsomstandigheden, zo past ook de rechter in dit geding terughoudendheid waar het erop aankomt hoeveel tijd de voorzitter en secretaris redelijkerwijs voor hun OR-werkzaamheden nodig hebben. Het ligt op de weg van partijen om in redelijk overleg (de omvang van) de faciliteiten ten behoeve van de medezeggenschap af te stemmen op wat in de (gewijzigde) omstandigheden passend is. De kantonrechter wijst Strukton Worksphere er in dit verband wèl op dat een met de ondernemingsraad te maken nieuwe afspraak over de tijdsbesteding in die zin flexibel dient te zijn dat ruimte bestaat voor afwijking indien een verantwoorde uitoefening van de medezeggenschap in een bepaalde periode vergt dat daaraan meer tijd wordt besteed. De te stellen tijdsnorm zal dan ook wèl een gemiddelde, maar niet een strikt maximum aantal uren per week kunnen behelzen. In de ‘spelregels’ uit 2011 is dit adequaat verwoord.

5.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de ondernemingsraad wordt toegewezen, zoals hierna omschreven. De kantonrechter ziet reden deze beschikking met toepassing van artikel 288 Rv ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor het opleggen van een dwangsom is in de verhouding tussen ondernemer en ondernemingraad geen plaats. Het tegenverzoek van Strukton Worksphere wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat de ondernemingsraad niet met haar wenst te overleggen en eerst in het te voeren overleg van partijen kan blijken welke tijdsbesteding door voorzitter en secretaris als redelijk is aan te merken.

6 De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat de in 2011 afgesproken ’spelregels’ in afwachting van het door partijen te voeren overleg over een aanpassing daarvan onverminderd tussen hen gelden;

veroordeelt Strukton Worksphere om in afwachting van een rechtsgeldige wijziging van de ‘spelregels’ uit 2011 toe te staan dat de voorzitter en secretaris van de ondernemingsraad wekelijks de helft van hun arbeidstijd aan OR-werkzaamheden besteden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.