Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5496

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
352820 / HA RK 13-264
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie: Lelystad

Rekestnummer: 352820 / HA RK 13-264

Zaaknummer: WK2013/029

Beslissing van 18 oktober 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken.

op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

geboren op [1968]

wonende te [woonplaats]

verder te noemen verzoeker.

raadsman: mr. G.I. Roos

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 september 2013

  • -

    het schriftelijke verweer van mr. M.A.A. ter Meer-Siebers van 27 september 2013

  • -

    de aanvraag deskundigenonderzoek van de politie Midden Nederland van 19 augustus 2013

  • -

    de vordering tot benoeming van een NFI-deskundige van de officier van justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland van 23 augustus 2013

  • -

    de benoeming van een NFI-deskundige door de rechter-commissaris, mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, van 23 augustus 2013

1.2.

Bij de mondelinge behandeling op 4 oktober 2013 is verschenen mr. G.I. Roos. Hij deelt mee dat verzoeker zelf niet zal verschijnen.

1.3.

Mr. M.A.A. ter Meer-Siebers heeft in haar schriftelijke reactie van 27 september 2013 laten weten vanwege verhindering niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. ter Meer-Siebers, rechter-commissaris in de strafzaak met parketnummers 16/702181-12 en 21/006510-13 tegen verzoeker als verdachte.

2.3.

Ter zitting heeft mr. Roos een pleitnotitie overlegd die aan deze beslissing wordt gehecht en daarvan onderdeel uitmaakt. De inhoud van de pleitnotitie kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2.4.

De gewraakte rechter-commissaris, mr. ter Meer-Siebers heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft hieromtrent schriftelijk een standpunt ingenomen. Dat standpunt wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door zowel artikel 512 van het Wetboek van strafvordering als door artikel 6 EVRM, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is.

Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten of omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter kan onderscheid gemaakt worden tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. De verzoeker hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden ook werkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid, een gerechtvaardigde vrees hiertoe kan voldoende zijn. De feiten waarop de verzoeker zich beroept moeten aannemelijk zijn geworden en zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid.

3.4.Verzoeker is op een aantal gronden van mening dat mr. Ter Meer-Siebers blijk heeft gegeven van een gebrek aan onpartijdigheid jegens verzoeker. Ten eerste heeft mr. Ter Meer-Siebers op 28 november 2012 als lid van de raadkamer, de gevangenhouding van verzoeker bevolen. Daarnaast heeft zij op 21 februari 2013 als rechter-commissaris de bewaring van verzoeker bevolen. Gelet op deze aanzienlijke rol van mr. Ter Meer-Siebers in het vooronderzoek is verzoeker van oordeel dat er thans sprake is van - ten minste - een schijn van partijdigheid of vooringenomenheid. Verzoeker heeft niet langer het vertrouwen dat mr. Ter Meer-Siebers zijn strafzaak zonder vooringenomenheid kan behandelen.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor aangevoerde feiten en omstandigheden objectief bezien niet worden afgeleid dat mr. Ter Meer-Siebers jegens verzoeker vooringenomen is. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat mr. Ter Meer-Siebers eerder bemoeienis heeft gehad met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker en daarin (tweemaal) een beslissing heeft genomen over voorlopige hechtenis, op zichzelf niet de vrees voor partijdigheid rechtvaardigt.1 De omstandigheid dat mr. Ter Meer-Siebers in haar beslissingen ten nadele van verzoeker heeft beslist maakt dat niet anders. Dat verzoeker dit wel zo ervaart, levert objectief bezien nog niet een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid op.

3.6.

Verzoeker voert voorts als grond aan dat mr. Ter Meer-Siebers op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist op de dag dat het verzoek is gedaan en zonder dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld om op dit verzoek te reageren. Verzoeker acht zulks onbegrijpelijk en is van mening dat mr. Ter Meer-Siebers daarmee grond heeft gegeven om te vrezen dat het haar in deze omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is zulks niet het geval. Uit de schriftelijke reactie van mr. Ter Meer-Siebers komt naar voren dat de onderbouwing van het verzoek van de officier van justitie voor haar voldoende was. Het behoort tot de normale taak van een rechter-commissaris om (desgevorderd) beslissingen te nemen over het al dan niet aanstellen van een deskundige. Een dergelijke beslissing is een processuele beslissing Voor het nemen van dit soort beslissingen bestaan procesrechtelijke regels in met name het Wetboek van Strafvordering. Niet is gebleken dat de rechter-commissaris bij het nemen van haar beslissing die regels heeft geschonden. Het benoemen van een deskundige getuigt naar het oordeel van de rechtbank ook overigens niet op enigerlei wijze van vooringenomenheid jegens verzoeker.

3.8.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat mr. ter Meer-Siebers blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. ter Meer-Siebers af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, zijn raadsman en de gewraakte rechter-commissaris, alsmede aan de voorzitter van de afdeling strafrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de strafzaak tegen verzoeker dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. O.E. Mulder, voorzitter, en mr. drs. M.C.P. de Ridder en mr. A.C. van den Boogaard, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van Gaal en in openbaar uitgesproken op 18 oktober 2013.

1 vgl. HR 16 januari 2009, NJ 2009, 562.