Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5421

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
C-16-350753 - FA RK 13-5351
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning buitenlandse uitspraken; artikel 431 lid 2 RV; beoordeling of is voldaan aan drietal minimumvereisten: heeft de vreemde rechter op een internationaal aanvaarde grond rechtsmacht aangenomen, is het vreemde vonnis tot stand gekomen na een behoorlijk

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 431
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/25
FJR 2014/79.9
JPF 2014/120 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: C/16/350753 / FA RK 13-5351

Beschikking van 16 oktober 2013

in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [woonplaats], California (Verenigde Staten van Amerika),

hierna te noemen: de vader,

advocaten mr. H.P. Scheer en mr. P. van der Geest,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats], Kitwe (Zambia),

hierna te noemen: de moeder,

advocaten mr. A.G. Ouwejan en mr. P.J. Montanus,

met als belanghebbende:

Stichting Bureau Jeugdzorg UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: BJZ.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vader heeft op 14 augustus 2013 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, met producties 1 tot en met 13.

1.2.

De moeder heeft op 27 september 2013 een verweerschrift met producties 1 tot en met 4 ingediend.

1.3.

Bij de rechtbank zijn verder nog de volgende stukken binnengekomen:

- de brief van 14 augustus 2013 van de zijde van de vader, met bijlage;

- het faxbericht van 29 augustus 2013 van de zijde van de vader;

- het F-formulier van 5 september 2013 van de zijde van de vader, met bijlagen;

- de brief van 20 september 2013 van de zijde van de vader met bijlage.

1.4.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 27 september 2013. Hierbij zijn verschenen:

- de vader;

- de advocaten van de vader, mr. H.P. Scheer en mr. P. van der Geest;

- mevrouw W.J. van Maarschalkerweerd, als tolk voor de vader;

- de advocaten van de moeder, mr. A.G. Ouwejan en mr. P.J. Montanus;

- mevrouw S. van Leeuwen en mevrouw D. de Jong, namens BJZ;

- mevrouw A. Willems, namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad.

1.5.

De moeder is niet in persoon verschenen. De advocaten van de moeder hebben een verweerschrift ingediend en zijn ter terechtzitting verschenen, zodat van een niet behoorlijke oproeping van de moeder geen sprake kan zijn.

1.6.

De heer[X], de oom van de minderjarige waar hij thans feitelijk verblijft, is door de rechtbank niet aangemerkt als belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat het verzoek niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen.

1.7.

De minderjarige is gelet op zijn leeftijd niet in de gelegenheid gesteld om door de rechter te worden gehoord.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De vader heeft de Amerikaanse nationaliteit. De moeder heeft de Zambiaanse nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

[A] , geboren op [2005] te [2005] in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS).

2.3.

Partijen zijn op [2006] met elkaar gehuwd te [woonplaats], California, in de VS. Op 29 en 30 juni 2009 heeft de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek van de moeder (verzoekster) en de vader (verweerder) plaatsgevonden bij de “Superior Court of the State of California for the County of Orange” (hierna: de Amerikaanse rechter). De uitspraak van ontbinding is ingeschreven op 13 mei 2010 waarmee de huwelijkse staat is beëindigd.

2.4.

De uitspraak van de Amerikaanse rechter van 13 mei 2010 bevat, voor zover van belang en als opgenomen in de door de man overgelegde beëdigde vertaling, de volgende overwegingen:

“2. Partijen krijgen gezamenlijk de wettelijke voogdij over het minderjarige kind van partijen, namelijk [A], JR., geboren op [2005]. (..)

2.B. Geen der partijen mag het minderjarige kind verhuizen naar een andere staat zonder de schriftelijke toestemming van de andere ouder of nadere beschikking van de rechtbank. (..)

3. Partijen hebben gezamenlijk de feitelijke voogdij over het minderjarige kind, waarbij de verweerder als volgt de zorg en verantwoordelijkheid voor het minderjarige kind heeft: (..)

3.K. Als de verzoekster ervoor kiest om zonder het minderjarige kind naar Zambia of een andere plaats te reizen heeft zij zeker alle recht om dat doen, maar heeft de verweerder tijdens haar afwezigheid de voogdij.”

2.5.

Uit de in de notulen opgenomen beschikking van de Amerikaanse rechter van

5 november 2009 blijkt dat het verzoek van de moeder om met het minderjarige kind naar Zambia te reizen, is afgewezen.

2.6.

In december 2009 is de moeder, zonder de (schriftelijke) toestemming van de vader, met de minderjarige vertrokken naar Zambia.

2.7.

Op 7 januari 2010 heeft bij de Amerikaanse rechter een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij, voor zover van belang en als opgenomen in de door de man overgelegde beëdigde vertaling, als volgt is beslist:

“Het minderjarige kind, [A] JR., dient onmiddellijk te worden geretourneerd aan de voogdij van verweerder in de staat Californië; verzoekster dient geen omgang met het minderjarige kind te hebben.”

De uitspraak is op 1 november 2010 op schrift gesteld.

2.8.

In juli 2013 is de moeder van moederszijde vanuit Zambia met de minderjarige naar Nederland gereisd voor een vakantie in Nederland bij de oom van de minderjarige die woonachtig is in Utrecht.

2.9.

Bij schriftelijke uitspraak van de Amerikaanse rechtbank van 9 augustus 2013 heeft die rechtbank, voor zover van belang en als opgenomen in de door de man overgelegde beëdigde vertaling, als volgt bepaald:

“a) Aan [de vader] Sr. wordt het wettelijke en feitelijke alleen gezag over[A] Jr. toegekend;

b) Deze voogdijtoekenning is van kracht geworden op 4 december 2009; en

c) Deze toekenning is sinds 4 december 2009 van kracht gebleven en blijft van kracht.

d) Het minderjarige kind,[A] Jr., dient onverwijld te worden geretourneerd aan de voogdij van verweerder, [de vader], Sr.”

2.10.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2013 is de minderjarige voorlopig onder toezicht van BJZ gesteld, met ingang van 18 juli 2013 tot 18 oktober 2013. Tevens is daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin bij de oom van de minderjarige verleend, met ingang van 18 juli 2013 tot 15 augustus 2013. De bij voornoemde beschikkingen uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn bij beschikking van 31 juli 2013 in stand gelaten. Bij beschikking van 13 augustus 2013 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 18 oktober 2013.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De vader heeft verzocht de uitspraken van de Superior Court of the State of California for the County of Orange van 30 juni 2009 - schriftelijk vastgelegd op 13 mei 2010 -, van 7 januari 2010 - schriftelijk vastgelegd op 1 november 2010 - en van 9 augustus 2013, alle met het zaaknummer 08D003718, te erkennen en voor zover nodig de vader verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen dan wel de uitspraken integraal, subsidiair gedeeltelijk, over te nemen in een Nederlandse beschikking dan wel te bepalen dat die uitspraken onderdeel uitmaken van de te geven beschikking, dan wel te bepalen dat de minderjarige aan de vader dient te worden afgegeven door een ieder die hem onder zich heeft zodat de vader met de minderjarige naar Californië kan reizen, dan wel een beschikking te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De moeder heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de verzoeken van de vader.

3.3.

De moeder heeft allereerst aangevoerd dat de vader de wettelijke grondslag van zijn verzoek onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Zij betwist dat de Amerikaanse rechter op 30 juni 2009 mondeling uitspraak heeft gedaan. Voorts heeft de moeder gesteld dat in dit geval sprake is van dusdanig gewijzigde omstandigheden dat een verlof aan de vader tot tenuitvoerlegging van (een van) de uitspraken niet kan worden verleend. De moeder heeft zich - samengevat -, onder verwijzing naar de beschikking van het gerechtshof ’s Gravenhage van 27 augustus 2003 en het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2013, op het standpunt gesteld dat het belang van de minderjarige te allen tijde zorgvuldig dient te worden bezien althans in de beoordeling moet worden meegenomen. De moeder is van mening dat, ondanks dat zij de minderjarige zonder toestemming, en daarmee onrechtmatig, heeft meegenomen naar Zambia, het kind daar inmiddels is geworteld. Het is niet (meer) in het belang van de minderjarige, dat een of meer van de uitspraken ten uitvoer worden gelegd, nu dat mee zal brengen dat de minderjarige plotseling uit zijn vertrouwde omgeving wordt gehaald om ineens elders te verblijven, waar hij niemand kent en niet gewend is aan de cultuur. Het gevolg is dat de minderjarige niet zal terugkeren naar zijn moeder en met zijn vader naar Californië zal moeten vertrekken.

3.4.

De rechtbank merkt het verzoek van de vader aan als een verzoek ex artikel 431 Rv. Immers, nu tussen de VS en Nederland geen bilateraal erkenningsverdrag op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid is gesloten en andere multilaterale verdragen niet van toepassing zijn, is het commune Nederlandse internationale erkenningsrecht, zoals geregeld in artikel 431 lid 2 Rv, van toepassing. Op grond van artikel 431 Rv en het gegeven dat de minderjarige feitelijk in Nederland verblijft en thans onder toezicht is gesteld van BJZ Nederland, in samenhang met de algemene regel met betrekking tot verzoekschriftprocedures van artikel 3 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.

3.5.

Artikel 431 lid 2 Rv bepaalt dat gedingen opnieuw bij de Nederlandse rechter kunnen worden behandeld en afgedaan. Naar de huidige stand van het Nederlands internationaal privaatrecht en de gevormde jurisprudentie inzake de erkenning van vreemde vonnissen is erkenning evenwel mogelijk indien als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het vreemde vonnis, ongeacht zijn aard en strekking, aan een drietal minimumvereisten voldoet, te weten het vereiste dat de vreemde rechter op een internationaal aanvaarde grond rechtsmacht heeft aangenomen, het vereiste dat het vreemde vonnis tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging en het vereiste dat het vreemde vonnis niet in strijd mag zijn met de openbare orde. Indien aan deze drie vereisten is voldaan kan het vreemde vonnis worden erkend in Nederland op grond van artikel 431 lid 2 Rv en kan een behandeling ten gronde van het verzoek achterwege blijven.

3.6.

De rechtbank stelt voorop dat partijen van mening verschillen over de vraag of de beslissing van de Amerikaanse rechter over de voogdij is gegeven op 30 juni 2009 of op 13 mei 2010. Nu de uitspraak van de Amerikaanse rechter daar geen uitsluitsel over geeft, zal de rechtbank daarover geen beslissing nemen. Niet in geschil is dat het huwelijk op 13 mei 2010 is ontbonden.

Ten aanzien van de verzoeken van de vader overweegt de rechtbank als volgt.

Uitspraak 9 augustus 2013

3.7.

Deze uitspraak waarvan de vader de erkenning verzoekt, is een uitspraak waarbij de Amerikaanse rechter, na beoordeling van het verzoekschrift van het bureau van het Openbaar Ministerie van het bestuursdistrict Orange en de verklaring van onderzoeker Katherine Kriskovic, een oordeel heeft gegeven, inhoudende een bevestiging van de voogdijstatus van de minderjarige. De rechtbank zal eerst beoordelen of is voldaan aan het vereiste van behoorlijke rechtspleging.

3.8.

De vader heeft gesteld dat die uitspraak feitelijk een verklaring van recht betreft met betrekking tot de gezagsverhouding en met betrekking tot de afgifte van de minderjarige aan de vader. Hij is van mening dat de uitspraak niet meer is dan een vaststelling van hetgeen rechtens tussen partijen geldt. Het gaat aldus om een procedure waarvoor niet noodzakelijk is dat partijen in de procedure betrokken zijn, aldus de vader.

3.9.

De moeder heeft betwist dat de uitspraak tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor, nu de moeder niet behoorlijk is opgeroepen en niet van de procedure in kennis is gesteld.

3.10.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit deze uitspraak blijkt dat de procedure is ingeleid met een eenzijdig verzoek van het bureau van het Openbaar Ministerie van het bestuurdistrict Orange. Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld hun standpunt ten aanzien van dit verzoek kenbaar te maken. Of, zoals door de vader is betoogd, sprake is van een verklaring van recht, kan in het midden blijven, nu het naar Nederlands recht niet mogelijk is om de rechter een rechtsverhouding te laten vaststellen, zonder dat de bij die rechtsverhouding betrokken personen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten daarover kenbaar te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, naar Nederlands recht, van een behoorlijke rechtspleging geen sprake is geweest, zodat het verzoek van de vader met betrekking tot de uitspraak van 9 augustus 2013 zal worden afgewezen.

Uitspraak van 13 mei 2010

3.11.

De rechtbank stelt vast dat de moeder zelf het verzoek tot echtscheiding bij de Amerikaanse rechter heeft ingediend en partijen op dat moment hun gewone verblijfplaats hadden in Californië. Verder blijkt uit deze uitspraak dat partijen met hun advocaten op 29 en 30 juni 2009 ter zitting aanwezig waren en hun standpunten naar voren hebben kunnen brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het vereiste dat de vreemde rechter op een internationale aanvaardbare grond rechtsmacht heeft aangenomen en aan het vereiste van een behoorlijke rechtspleging is voldaan.

3.12.

De vader heeft gesteld dat de uitspraak niet in strijd is met de openbare orde. De Amerikaanse rechter heeft beslist dat partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarige belast zijn, maar dat de vader het eenhoofdig gezag zal hebben vanaf het moment dat de moeder naar het buitenland vertrekt. Ook in Nederland kan worden bepaald dat het eenhoofdig gezag toekomt aan een van de ouders, zodat van strijd met de openbare orde geen sprake is, aldus de vader.

3.13.

Volgens de moeder houdt de uitspraak in dat aan het gezamenlijk gezag van partijen als voorwaarde is verbonden dat zij in de VS verblijven, en dat een overtreding van die voorwaarde er toe leidt dat het eenhoofdig gezag aan de andere ouder toekomt. De moeder is van mening dat een dergelijke uitspraak in strijd is met de fundamentele beginselen van de Nederlandse wetgeving. Daarbij meent de moeder dat de uitspraak wat betreft de bepalingen over de ‘legal custody’ en ‘physical custody’ dermate tegenstrijdig althans onduidelijk zijn dat de uitspraken nimmer voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking kunnen komen. De moeder heeft verder aangevoerd dat zij geen verblijfsvergunning bezat. Volgens haar is een beslissing waarbij het gezag gekoppeld wordt aan een verblijf in de VS, terwijl dat verblijf illegaal was, in strijd met de Nederlandse openbare orde.

3.14.

De rechtbank begrijpt de uitspraak, zoals geciteerd onder overweging 2.4., aldus dat de vader de voogdij (custody) over de minderjarige krijgt als de moeder zonder de minderjarige naar Zambia of een andere plaats reist. De situatie dat de moeder zonder de minderjarige naar het buitenland is vertrokken, heeft zich evenwel niet voorgedaan, nu zij is vertrokken met de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat partijen (nog altijd) gezamenlijk het gezag hebben over de minderjarige. Ook in de Nederlandse wetgeving is het uitgangspunt dat na een echtscheiding het gezamenlijk gezag wordt voortgezet. Dat de voogdij over de minderjarige (‘custody’), bij afwezigheid van de moeder naar de vader gaat, zoals bepaald in artikel 3K van de uitspraak van de Amerikaanse rechter levert geen strijd op met de openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak dan ook niet in strijd met de openbare orde.

3.15.

De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat de uitspraak van 13 mei 2010 voor erkenning vatbaar is en zal het verzoek van de vader met betrekking tot deze uitspraak daarom als na te melden toewijzen.

Uitspraak 7 januari 2010

3.16.

Deze uitspraak waarvan de vader de erkenning verzoekt, is - voor zover relevant - de gerechtelijke beslissing waarbij is bepaald dat de minderjarige dient te worden teruggebracht naar de vader en dat de moeder geen omgang dient te hebben met de minderjarige.

3.17.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de Amerikaanse rechter rechtsmacht had op grond van de aanhangige echtscheidingsprocedure, hem tevens rechtsmacht toekwam om van de daarmee samenhangende zaak betreffende de voogdij over de minderjarige kennis te nemen.

3.18.

De moeder heeft gesteld dat geen sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging bij deze procedure omdat zij niet op de hoogte is geweest van de zitting, nu zij in december 2009 naar Zambia is vertrokken. Volgens de moeder heeft zij de advocaat, die ter zitting namens haar aanwezig zou zijn geweest, daartoe niet gemachtigd. In het bijzonder is geen sprake geweest van hoor en wederhoor, aldus de moeder.

3.19.

De rechtbank stelt vast dat tijdens de zitting op 7 januari 2010 een advocaat voor de moeder aanwezig is geweest, zodat kan worden aangenomen dat de moeder in het geding is verschenen en dat zij bij monde van haar advocaat haar standpunt naar voren heeft kunnen brengen. De enkele stelling van de moeder dat zij de advocaat niet gemachtigd zou hebben, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging.

3.20.

De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak niet in strijd is met de openbare orde, nu een beslissing waarin is bepaald dat een minderjarig kind dient te worden teruggebracht naar een gezagdragende ouder ook in Nederland kan worden gegeven. Hetzelfde geldt volgens de vader ten aanzien van de bepaling dat de moeder geen contact zal hebben met de minderjarige.

3.21.

De moeder is van mening dat de uitspraak in strijd is met de openbare orde omdat bepaald is dat de moeder geen contact mag hebben met de minderjarige. De moeder heeft aangevoerd dat daarmee het recht van de moeder en de minderjarige op family life als bedoeld in artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK geschonden is. Het omgangsrecht is een fundamenteel recht van ouder en kind, zoals ook in de Nederlandse wetgeving verankerd is. Volgens de moeder kan in Nederland de omgang slechts worden ontzegd op de limitatief opgesomde gronden, welke beslissing behoorlijk dient te worden gemotiveerd.

3.22.

De rechtbank overweegt dat een buitenlandse uitspraak slechts in uitzonderlijke gevallen in strijd zal komen met de openbare orde. De omstandigheid dat de buitenlandse rechter anders heeft beslist dan de Nederlandse rechter zou hebben beslist is, in het kader van de beoordeling die thans aan de rechtbank voorligt, in dit geval niet voldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is van belang dat de Nederlandse wet voorziet in een mogelijkheid waarbij een kind wordt teruggebracht naar een ouder met gezag en dat een wettelijke grondslag bestaat om de omgang tussen een ouder en kind te ontzeggen. Dat de Amerikaanse rechter hieraan wellicht een andere invulling heeft gegeven dan de Nederlandse zou doen, is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven situatie onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van strijd met de openbare orde.

3.23.

De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat de uitspraak van 7 januari 2010 voor erkenning vatbaar is en zal het verzoek van de vader met betrekking tot deze uitspraak daarom als na te melden toewijzen.

3.24.

Nu de uitspraken van 13 mei 2010 en 7 januari 2010 voldoen aan de drie vereisten voor erkenning kunnen deze uitspraken op de voet van artikel 431 lid 2 Rv worden erkend in Nederland en kan een inhoudelijke behandeling achterwege blijven. Daarmee komt de rechtbank, anders dan de moeder heeft gesteld, niet toe aan beoordeling van het standpunt van de moeder dat de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd en dat daarbij het belang van de minderjarige moet worden betrokken. Immers daarmee zou alsnog een inhoudelijke behandeling van de verzoeken plaatsvinden.

3.25.

De vader heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder heeft daartegen verweer gevoerd. Volgens de moeder zal, in geval van een beslissing waarbij de vader de uitspraken ten uitvoer kan leggen, hoger beroep niet meer mogelijk, althans niet meer nuttig, zijn. Zij gaat ervan uit dat de vader dan direct het land zal verlaten en zij daardoor feitelijk niet de mogelijkheid heeft tot een hoger beroepprocedure. De rechtbank ziet in het door de vrouw gestelde verweer geen aanleiding om het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet toe te wijzen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1.

erkent de uitspraken van de Superior Court of the State of California for the County of Orange van 30 juni 2009, schriftelijk vastgelegd op 13 mei 2010, en van 7 januari 2010, schriftelijk vastgelegd op 1 november 2010, van welke uitspraken een fotokopie alsmede een fotokopie van de Nederlandse vertaling daarvan aan deze beschikking zijn gehecht;

4.2.

bepaalt dat deze uitspraken deel uitmaken van deze beschikking, waaronder de beslissing dat de minderjarige onmiddellijk dient te worden geretourneerd aan de voogdij van verweerder (de vader);

4.3.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.B.M.L. Oomes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.