Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5399

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_5175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening en beroep gericht tegen een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden voor natuurontwikkeling aan de Ettenlandseweg in Marknesse. De doelstelling voor de percelen is weidevogelgrasland, hetgeen vergunninghouder dmv. ‘vernatting’ wil bereiken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Daartoe is van belang dat verzoekers woning is gelegen op 220 m van de percelen die het dichtst bij liggen. Ook heeft hij maar een beperkt zicht, door de schuin tegenover zijn woning gelegen boerderij met bomenrij c.q. windsingel. De (ruimtelijke) uitstraling van de werkzaamheden naar de omgeving toe is tevens beperkt, omdat het gaat om grondwerkzaamheden. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 13/5175 en UTR 13/3449

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 november 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder,

(gemachtigden: M. de Jong, N. Christiaens en O. Storms).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging tot behoud van natuurmonumenten, te Biddinghuizen, verschenen bij ing. [A], ir. [B] en [C].

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden ten behoeve van natuurontwikkeling van percelen langs de Ettelandseweg, kadastraal bekend sectie B, nr. [nummer] (de percelen).

Bij besluit van 2 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Derde-partij is verschenen bij haar gemachtigden.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. In de uitlating van verzoeker ter zitting dat zijn voorkeur niet uitgaat naar toepassing van artikel 8:86 Awb omdat hij de zitting in de bodemprocedure wil gebruiken om zijn standpunt nader te kunnen toelichten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van de hem gegeven bevoegdheid geen gebruik te maken. Daarbij is van belang de aard van onderstaande beslissing, het gegeven dat de feitelijke situatie voor zover relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid ter zitting voldoende duidelijk is geworden en dat verzoeker niet heeft verzocht of aangekondigd op dat punt nadere stukken te willen inbrengen. Er is dan ook geen beletsel om uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Ten aanzien van het beroep (UTR 13/3449)

2.

Vergunninghouder heeft op 30 november 2012 een aanvraag bij verweerder ingediend om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van natuurontwikkeling op de percelen. Vergunninghouder is van plan om in verband met de doelstelling ‘weidevogelgrasland’ het perceel te ‘vernatten’ en daartoe nieuwe watergangen, greppels en een poel te graven en een watergang af te dammen. Als gevolg van het verhogen van het grondwaterpeil, waarover een afzonderlijk besluit zal worden genomen, in combinatie met de thans vergunde maatregelen zullen de percelen gedurende een gedeelte van het jaar onder water komen te staan. Vergunninghouder en verweerder vinden dit een uit oogpunt van natuurbeheer wenselijke ontwikkeling.

3.

Bij besluit van 19 december 2012 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft deze beslissing bij het bestreden besluit gehandhaafd, waarbij de motivering is aangevuld.

4.

Ambtshalve staat de voorzieningenrechter voor de vraag of verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen is aan te merken.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij er van overtuigd is geraakt dat verzoeker is begaan met de natuur en met de toekomst van de percelen in kwestie in het bijzonder. Die percelen zijn gelegen in de directe omgeving van zijn woning. Verzoeker heeft aangevoerd te genieten van de natuur op de betrokken percelen. Naar zijn mening zal uitvoering van de vergunde maatregelen leiden tot een aantasting van de bestaande natuurwaarden ter plaatse. Verzoeker is daarom tegen uitvoering van de vergunde werkzaamheden; hij vindt het project bovendien verspilling van (belasting)geld. Zijn lidmaatschap van de vereniging van derde-belanghebbende heeft hij om die reden opgezegd.

Betrokkenheid bij een ontwikkeling in de directe omgeving is echter niet hetzelfde als het naar objectieve maatstaven zijn van belanghebbende bij het thans bestreden besluit. Bij besluiten in de ruimtelijke sfeer, zoals hier aan de orde, wordt de vraag of verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt beantwoord aan de hand van enkele hulpcriteria, te weten afstand, zicht en (ruimtelijke) uitstraling. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 29 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5988).
Indien iemands perceel niet direct grenst aan de locatie waarop het besluit ziet, zoals in dit geval, dan geldt dat de afstand tussen beide percelen gering moet zijn om te kunnen spreken van een ontwikkeling “in de onmiddellijke nabijheid” van desbetreffend perceel die de status van belanghebbende verschaft. In deze gevallen vormt - onder andere - het zichtcriterium een hulpmiddel. Ontbreekt zicht op de locatie waarop het besluit ziet, dan leiden afstanden groter dan zo’n 100 meter over het algemeen niet tot het aannemen van belanghebbendheid en wordt soms ook in geval van nog kleinere afstanden geen belanghebbendheid aangenomen.

5.

Wat betekent dit voor de situatie van verzoeker? Vaststaat dat de afstand tussen de woning van verzoeker en het gedeelte van de percelen dat het dichtst bij de woning is gelegen ongeveer 220 meter bedraagt. De afstand tot de overige delen van de percelen is groter. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verzoeker vanuit zijn woning slechts zicht heeft op een beperkt deel van de percelen. Het zicht op die percelen wordt grotendeels weggenomen door de schuin tegenover verzoekers woning gelegen boerderij “[naam]”, en de bomenrij c.q. windsingel op de erfgrens van die boerderij. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij vanuit zijn woning eerst een stukje moet fietsen voordat hij de percelen geheel kan overzien.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat de afstand tot de percelen dusdanig is, en het zicht van verzoeker op de percelen dermate gering, dat niet kan worden geoordeeld dat zijn belangen rechtstreeks bij de bestreden omgevingsvergunning zijn betrokken. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar een uitspraak van de ABRvS van 17 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AX2075).
De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat de uitstraling van de vergunde werkzaamheden op de omgeving, en meer in het bijzonder op de woning van verzoeker, erg beperkt is. Daarbij is van belang dat de vergunning ziet op de activiteit aanleggen en dat op basis van die vergunning enkele grondwerkzaamheden zijn toegestaan. De vergunde watergangen, greppels en poel zullen vanuit de woning van verzoeker niet te zien zijn. De vergunde voorzieningen hebben niet of nauwelijks een ruimtelijke uitstraling. Er wordt immers niet gebouwd en er zal geen wijziging plaatsvinden in de verkeerssituatie ter plaatse. De stelling van verzoeker dat realisering van de werkzaamheden en de beoogde vernatting van de weidegrond zal leiden tot een toename van ongedierte (muggen en bruine rat), ook bij zijn woning, is niet onderbouwd.

6.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, kan worden aangemerkt. Verweerder had verzoeker daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn bezwaar. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit van 2 juli 2013 vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb het bezwaar van verzoeker alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

7.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb op te dragen het door verzoeker betaalde griffierecht van € 160,-, te vergoeden. Van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening (UTR 13/5175)

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:


verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2013,

- verklaart het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit van 19 december 2012 niet-ontvankelijk,

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

- draagt verweerder op het in het beroep (UTR 13/3449) betaalde griffierecht van € 160,- aan verzoeker te vergoeden,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. van Ettekoven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.