Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5349

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
16/650790-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging van ex-partner door het sturen van vele sms-berichten. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank 60 uur werkstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/650790-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. S. Schuurman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

[aangever 1] en/of[aangever 2] meermalen heeft belaagd door hen veelvuldig sms-berichten te sturen, hen veelvuldig te bellen en meerdere malen bij hun woning langs te gaan.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van oordeel dat het feit kan worden bewezen en baseert dat op de beide aangiftes en klachten van[aangever 1], de ex-partner van verdachte, en de door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal van bevindingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat het er onvoldoende bewijs is en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. Er is slechts uitgegaan van wat aangeefster heeft medegedeeld over de inhoud van de sms-jes, haar telefoon is niet onderzocht en die van verdachte evenmin. Het gaat ook alleen maar om sms-berichten, verdachte is - anders dan in het kader van de omgang met zijn zoon  slecht éénmaal bij de woning van aangeefster geweest.

Met betrekking tot het eerste deel van de ten laste gelegde periode wordt in het proces-verbaal op pagina 30 vermeld dat aangeefster op 29 september 2010 aan het politiebureau in [woonplaats] verschijnt, waarbij vervolgens sms-berichten staan beschreven waarvan de data na 29 september 2010 liggen. Verdachte moet in elk geval van dat onderdeel worden vrijgesproken.

Er is sprake van belaging als de ene persoon geen contact wil en door de ander desondanks wordt lastig gevallen. In het onderhavige geval is sprake van twee ouders die met elkaar moeten communiceren over het contact met hun kind. Bezien in dat licht is de hoeveelheid contacten niet groot en is er geen sprake van stelselmatigheid. Dat verdachte boos is, blijkt wel uit de sms-berichten, maar dat wordt hem niet ten laste gelegd. Als het feit wel bewezen verklaard kan worden, dan ontbreekt daaraan de wederrechtelijkheid. De raadsman verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank (LJN BY6265), waarin wordt overwogen “dat het niet ongebruikelijk en vaak zelfs onvermijdelijk is, hoe moeilijk ook voor de ex-partner, dat er na beëindiging van een relatie nog een bepaalde mate van contact is of wordt gezocht, welke frequentie in de loop van de tijd in het algemeen zal afnemen. Dit geldt temeer indien sprake is geweest van een relatie van 3 jaar waarbij men samenwoonde en de relatie opeens en eenzijdig wordt beëindigd.” In het onderhavige geval gaat het om een relatie die na 17 jaar is beëindigd en waarbij een kind is betrokken.

Meer subsidiair is aangevoerd dat de vervolging uitermate laat is aangevangen, zodat verdachte zich moeilijk kan verdedigen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden

Aangeefster en de verdachte hebben 17 jaar een relatie gehad. Uit deze relatie is in 2005 een zoon geboren. De relatie is medio 2009 beëindigd. Aangeefster is na beëindiging van de relatie in [woonplaats] gaan samenwonen met een gemeenschappelijke vriend, de heer[aangever 2]. Op 15 december 2010 is door de wijkagent in [woonplaats] een brief ‘aanzegging wederrechtelijke stalking’ naar verdachte gezonden. Op 1 maart 2011 heeft aangeefster voor het eerst aangifte gedaan van belaging door verdachte en daarover een klacht ingediend met het verzoek om tot vervolging over te gaan. De aangifte betreft de periode 24 september 2010 tot maart 2011. Dit proces-verbaal vermeldt op pagina 30 dat aangeefster op 29 september 2010 aan het politiebureau in [woonplaats] is verschenen, waarbij vervolgens een hoeveelheid sms-berichten zouden zijn overgelegd waarvan de data zijn gelegen na 29 september 2010 lopende tot 8 maart 2011. De rechtbank is met de raadman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van belaging door veelvuldig sms-berichten te sturen in de periode van 24 september 2010 tot 8 maart 2011.

Op 12 april 2012 heeft aangeefster (opnieuw) aangifte gedaan van belaging door verdachte in de periode van 21 april 2011 tot april 201212, en daarover een klacht ingediend met het verzoek om tot vervolging over te gaan.3 Zij heeft verklaard dat ze alle sms-berichten die verdachte in die periode heeft gestuurd aan verbalisant [verbalisant] heeft laten lezen. Zij heeft vervolgens de sms-berichten uitgetypt en naar hem ge-emaild.4 Aangeefster heeft verklaard dat zij al bijna drie jaar lang eigenlijk altijd over haar schouder moet kijken en dat zij erg bang is voor verdachte.5

Verbalisant [verbalisant] verklaart dat aangeefster een logboek heeft bijgehouden van de sms-berichten die aangeefster in de periode vanaf 21 april 2011 heeft ontvangen en verbalisant daarvan in kennis gesteld. Deze verbalisant heeft de sms-berichten gelezen op het telefoontoestel van aangeefster en zag dat de berichten afkomstig waren van het telefoontoestel van verdachte. Hij zag dat bij de sms-berichten de naam “[verdachte]” stond en het telefoonnummer van verdachte, te weten[nummer].6 De sms-berichten zijn als bijlage achter dit proces-verbaal gevoegd. Verdachte heeft tot 1 februari 2012 ruim 30 sms-berichten gestuurd, waarvan vele scheldwoorden en/of bedreigingen bevatten.7

Voor de overige ten laste gelegde feiten – veelvuldig bellen en (meerdere malen) bij het huis van aangeefster langs gaan – zal verdachte moeten worden vrijgesproken, nu het dossier daarvoor te weinig bewijs bevat.

Voorts kan worden vastgesteld dat de partner van aangeefster,[aangever 2], geregeld betrokken is geweest in de contacten, in die zin dat verdachte ook hem sms-berichten heeft gestuurd. Hij heeft echter zelf geen aangifte gedaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken voor zover het ten laste gelegde[aangever 2] betreft.

Nadere overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is van stelselmatigheid en verdachte daarom moet worden vrijgesproken. Indien wel sprake is van stelselmatig contact dan ontbreekt daaraan de wederrechtelijkheid omdat de contacten de omgang met hun kind betreffen en niet ongebruikelijk en vaak zelfs onvermijdelijk zijn.

De rechtbank verwerpt deze verweren. De relatie is in de eerste helft van 2009 beëindigd en op 15 december 2010 is aan verdachte een brief ‘aanzegging wederrechtelijke stalking’ gezonden, waarna aangeefster in maart 2011 de eerste aangifte van belaging heeft gedaan. Na al hetgeen eerder was voorgevallen, moest verdachte weten dat door hem gezonden sms-berichten niet gewenst waren en een inbreuk vormden op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat het versturen van de sms-berichten niet bezien moeten worden als verstuurd in het kader van de omgangsregeling met het kind, nu bij beschikking van 8 september 2010 een omgangsregeling is vastgesteld en uit de inhoud van de berichten niet blijkt van een normaal overleg over deze regeling, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd kan worden dat de wederrechtelijkheid ontbreekt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in of omstreeks de periode van 21 april 2011 tot en met 1 februari

2012 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig

opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

[aangever 1] met het oogmerk die[aangever 1], vrees aan te jagen, immers heeft hij,

verdachte veelvuldig sms berichten gestuurd naar die[aangever 1].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Belaging.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden van reclasserings-toezicht zoals geformuleerd in het Reclasseringsrapport. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een werkstraf voor de duur van 200 uur.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een kleine voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit, omdat een zware straf geen goed doet aan de onderlinge verhouding tussen aangeefster en verdachte, die uit hoofde van hun ouderschap contact moeten onderhouden over de omgang met hun kind. Vergelding kan in deze zaak geen motief zijn voor de straf omdat beide partijen een conflict hebben over de omgang met hun kind.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner [aangever 1]. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die[aangever 1]. Uit de aangifte blijkt dat aangeefster langdurig angstgevoelens heeft ondervonden, hetgeen ook van invloed was op de partner van aangeefster en op het kind van aangeefster en verdachte. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

In het reclasseringsrapport van 3 oktober 2013 komt naar voren dat verdachte spijt heeft van zijn gedrag en dat het ook een reactie was op berichten van zijn ex-vrouw. Hij zat in die periode veel in de kroeg en het merendeel van de berichten zouden onder invloed van de ontremmende werking van alcohol en drugs verzonden zijn. Naar zijn zeggen drinkt verdachte sinds anderhalf jaar bijna niet meer en de reclassering ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Er is sprake van een delictpatroon waarin geweld en bedreiging met geweld een rol speelt. De zoon van aangeefster en verdachte is inmiddels 8 jaar oud. Tot afgelopen juli bestond de omgangsregeling uit één weekend in de twee weken en de helft van de schoolvakanties. Naar aanleiding van bij zijn zoon geconstateerde blauwe plekken zou door Bureau Jeugdzorg een forensisch onderzoek ingesteld zijn. In afwachting van de uitslag ziet verdachte zijn zoon slechts één keer per twee weken gedurende anderhalf uur onder begeleiding. Als gevolg daarvan ondervindt verdachte veel onrust, waarvoor hij medicatie gebruikt.

Bij de laatste veroordeling van 22 april 2011 heeft verdachte reclasseringstoezicht opgelegd gekregen dat tot 28 november 2013 voortduurt. In april 2012 is hij aangemeld bij De Waag in Amersfoort. Verdachte was weinig gemotiveerd voor een behandeling, hij bleef van mening geen problemen te hebben. De behandeling is gestart in juni 2012 en vervolgens in januari 2013 voortijdig beëindigd. Het contact met de toezichthouder van de reclassering is goed. Er is vertrouwen en verdachte lijkt (enigszins) open te staan voor diens ideeën en aanwijzingen. Verdachte blijft van mening geen behandeling of therapie nodig te hebben. Positieve factor is zijn behoefte aan rust en zijn wens om geen problemen meer te hebben.

Er wordt een voorwaardelijke straf geadviseerd met voortzetting en verlenging van de huidige meldplicht.

Verdachte heeft ter zitting meegedeeld dat de behandeling bij De Waag in zijn beleving klaar was en dat men niet goed wist wat men met hem aanmoest. Hij heeft naar zijn tevredenheid om de week contact met zijn reclasseringsmedewerker, die hem adviseert en steun verleent.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 28 augustus 2013 blijkt dat verdachte bij arrest van het Hof Arnhem d.d. 22 april 2011 (onder meer) is veroordeeld voor mishandeling en bedreiging met zware mishandeling in de sfeer van huiselijk geweld tot een gevangenisstraf van 185 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is derhalve van toepassing.

De rechtbank houdt bij de hoogte van de strafoplegging ook rekening met het feit dat de bewezen verklaarde periode aanzienlijk korter is dan ten laste is gelegd, alsmede met het feit dat het bewezenverklaarde reeds langere tijd geleden heeft plaatsgevonden en er nadien niets meer is gebeurd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22c, 22d, 63, 285b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat de verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich zal blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering dat noodzakelijk acht;

* geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Veroordeelt de verdachte voorts tot een WERKSTRAF voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Wijna, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en J.F. Haeck, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2013.

BIJLAGE :

Tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 24 september 2010 tot en met 1 februari

2012 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig

opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

[aangever 1] en/of[aangever 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die

[aangever 1], en/of die [aangever 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen,

niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij,

verdachte:

-veelvuldig sms berichten gestuurd naar die[aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of

-veelvuldig gebeld naar die[aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of

-(meerdere malen) bij het huis van die[aangever 1] langs geweest;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht;

1 De in de noten opgenomen vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nr PL0987-2012220931 d.d. 8 oktober 2012, doorlopend genummerd van 1 t/m 92. De in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 70-75;

3 Het proces-verbaal van ontvangst van klacht door de hulpofficier van justitie, p. 76;

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 74;

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 73 onderaan.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 81;

7 Bijlage bij het onder 6 genoemde proces-verbaal p. 82-88;