Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5342

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
2278153 UV EXPL 13-355 BvdG/4374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding. arbeidszaak. Vraag of arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ingevolge algemeen verbindend verklaarde bepaling uit CAO is voortgezet als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt bevestigend beantwoord.

Verder geldt dat deze voortgezette arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet meer van kleur kan verschieten. Dit zou in strijd zijn met de leer dat een verkregen recht niet aangetast wordt doordat een algemeen verbindend verklaring afloopt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 667
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/10
JAR 2013/294 met annotatie van mr. dr. A. Stege
AR-Updates.nl 2013-0857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2278153 UV EXPL 13-355 BvdG/4374

Kort geding vonnis van 25 oktober 2013

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen: [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. R. Brouwer,

tegen:

de onderlinge waarborgmaatschappij

Onderlinge Verzekeringsmaatschappij "[gedaagde],

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen:[gedaagde],

gedaagde,
gemachtigde: mr. B.E.H. Zwezerijnen,


1.De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,
    - de producties 1 tot en met 8 van[gedaagde],

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 oktober 2013,

  • -

    de pleitnota van[gedaagde].



1.2. Het kort geding is gevoegd behandeld met het verzoekschrift van[gedaagde] tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst (2402241 UE VERZ 13-708).

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten


2.1. [eiser], geboren op 16 juli 1957 (56 jaar oud), is op 1 mei 2010 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij[gedaagde], dit in de functie van Adjunct Directeur.
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, zonder dat daartoe opzegging is vereist, op 30 april 2011.
Partijen hebben deze arbeidsovereenkomst met nog een periode van twaalf maanden verlengd, zij het dat [eiser] vanaf 1 mei 2011 de functie van directeur is gaan vervullen. Partijen hebben dit vastgelegd in de tussen hen op 28 april 2011 gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
Vervolgens hebben partijen de arbeidsovereenkomst nog een keer voor bepaalde tijd verlengd en wel tot 30 april 2013. Partijen hebben deze derde (en laatste) arbeidsovereenkomst op 27 april 2012 ondertekend.
Het laatstgenoten brutoloon van [eiser] bedraagt € 6.166,21 per maand, exclusief vakantiegeld, dertiende maand en andere emolumenten.


2.2. In alle drie de arbeidsovereenkomsten is de volgende bepaling opgenomen:

“Op deze arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de CAO voor het verzekeringsbedrijf (binnendienst) van toepassing, voor zover deze algemeen verbindend zijn verklaard.”.

2.3.

In de CAO voor het verzekeringsbedrijf, binnendienst (hierna: de CAO) met de looptijd van 1 juni 2011 tot 2 januari 2013 is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 1.1 Begripsomschrijving

(…)
3. Deze overeenkomst is niet van toepassing op bestuurders van een onderneming en de
hoogste functionarissen die rechtstreeks bij het bepalen van het ondernemingsbeleid zijn
betrokken”.
(…)

Artikel 2.1 Aanstelling en wijziging in groepsindeling

(…)

c. Een dienstverband voor bepaalde tijd kan eenmalig tot maximaal een totale periode van drie jaar minus één dag worden verlengd, zonder dat daardoor voor zijn beëindiging voorafgaande opzegging nodig is.

d. Wanneer de arbeidsovereenkomst als bedoeld sub b na deze periode wordt voortgezet anders dan conform het bepaalde sub c, respectievelijk wanneer een verlengde arbeidsovereenkomst als bedoeld sub c wordt voortgezet, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.”.

2.4.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij besluit van 17 juli 2012 diverse bepalingen van deze CAO, waaronder de hiervoor weergegeven bepalingen, algemeen verbindend verklaard tot en met 1 januari 2013.
In dit besluit is verder bepaald dat het in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 19 juli 2012, nr. 12717, onder
UAW nr. 11331.

2.5.

[gedaagde] heeft eind november 2012 aan [eiser] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 april 2013 van rechtswege zou eindigen en
dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.6.

Bij brief van 25 april 2013 heeft de gemachtigde van [eiser] aan[gedaagde] laten weten dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat en dat zijn arbeidsovereenkomst daarom niet van rechtswege eindigt per 30 april 2013. Verder heeft [eiser] aan[gedaagde] meegedeeld dat hij zich, ook
na 30 april 2013, beschikbaar houdt voor werkzaamheden en dat hij aanspraak maakt op doorbetaling van zijn reguliere loon, vakantietoeslag, dertiende maand en overige emolumenten.

2.7.

Bij brief van 2 mei 2013 heeft[gedaagde] aan [eiser] geantwoord dat zij haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] op 30 april 2013 van rechtswege eindigt handhaaft.

2.8.

[eiser] ontvangt vanaf 1 mei 2013 een WW uitkering.

3 De vordering


3.1. [eiser] vordert dat[gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
a) om hem toe te laten tot zijn reguliere werkzaamheden, dit op straffe van verbeurte van
een dwangsom,
b) om aan [eiser] vanaf 1 mei 2013 het loon van € 6.166,21 bruto per maand vermeerderd
met emolumenten te betalen, dit totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen
rechtsgeldig is beëindigd
c) om aan [eiser] de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het
achterstallig loon zoals bedoeld onder b te voldoen, dit vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag
van algehele voldoening,
d) tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 959,00,
e) tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties van alle door[gedaagde]
aan [eiser] verschuldigde bedragen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,
f) tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen de stelling ten grondslag dat de op 27 april 2012 tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft, welke overeenkomst nog niet rechtsgeldig is beëindigd en daarom nog steeds bestaat. Ter onderbouwing van deze stelling voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
Partijen hebben drie op elkaar aansluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. In al deze arbeidsovereenkomsten is een incorporatiebeding overeengekomen, inhoudende dat de bepalingen van de CAO van toepassing zijn voor zover deze bepalingen algemeen verbindend zijn verklaard. Bij besluit van 17 juli 2012 is het in 2.3 weergegeven artikel 2.1 lid 1 sub c en d van de CAO algemeen verbindend verklaard. Uit dit artikel volgt dat een arbeidsovereenkomst maximaal eenmaal kan worden verlengd en dat wanneer de verlengde arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de bepaalde tijd wordt voortgezet de voortgezette arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd, ook al zijn partijen overeengekomen dat deze voortgezette arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou gelden.
Dit betekent dat de tussen partijen op 27 april 2012 aangegane arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geworden. Deze arbeidsovereenkomst is (nog) niet rechtsgeldig door[gedaagde] beëindigd.[gedaagde] heeft geen toestemming voor opzegging van deze arbeidsovereenkomst van het UWV verkregen.[gedaagde] is gezien het voorgaande gehouden om [eiser] zijn werk te laten verrichten en het loon aan hem door te betalen. Ook is zij vanwege de niet (tijdige) betaling van dit loon de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd.[gedaagde]

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat de tussen partijen op 27 april 2012 gesloten arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft en daarom van rechtswege, zonder dat daarvoor een opzegging is vereist, per 30 april 2013 is geëindigd. Zij betwist dat deze arbeidsovereenkomst is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zij voert daartoe in de eerste plaats aan dat [eiser] als directeur rechtstreeks bij het bepalen van het ondernemingsbeleid van[gedaagde] was betrokken en dat hem gelet op het bepaalde in artikel 1.1 lid 3 van de CAO geen beroep toekomt op de bij besluit van 17 juli 2012 algemeen verbindend verklarende bepalingen van de CAO, waaronder de bepaling zoals neergelegd in artikel 2.1 lid 1 sub c en d.
Verder voert zij aan dat zelfs indien geoordeeld zou worden dat [eiser] zich wel op deze laatste bepaling kan beroepen, [eiser] daaraan geen rechten kan ontlenen, omdat de bepalingen uit deze CAO op het moment dat de laatste arbeidsovereenkomst werd gesloten (27 april 2012) nog niet algemeen verbindend waren verklaard en daardoor geen deel uitmaakten van de rechtsverhouding tussen partijen, terwijl het, gelet op de bepalingen in het BW, op dat moment was toegestaan om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd twee keer voor bepaalde tijd te verlengen.

3.4.

De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.


4. De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is – in tegenstelling tot[gedaagde] – van oordeel dat [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Dit spoedeisend belang volgt al voldoende uit de aard van de vorderingen. Dat [eiser] eind november 2012 door[gedaagde]
is geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst na 30 april 2013 niet zou worden verlengd, maakt dit niet anders. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het spoedeisend belang ook door het verstrijken van de tijd kan ontstaan en dat partijen hebben geprobeerd om hun geschil buiten rechte op te lossen. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.

4.2.

De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of er vanaf
1 mei 2013 nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat.

4.3.

Voor de beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of de tussen partijen op 27 april 2012 overeengekomen arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dan wel onbepaalde tijd.

4.4.

In deze op 27 april 2012 gesloten arbeidsovereenkomst (en overigens ook in de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomsten) is de volgende bepaling opgenomen:

“Op deze arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de CAO voor het verzekeringsbedrijf (binnendienst) van toepassing, voor zover deze algemeen verbindend zijn verklaard.”.

4.5.

Het is voldoende aannemelijk dat deze bepaling moet worden aangemerkt als een incorporatiebeding. De duidelijke tekst van deze bepaling wijst daarop en feiten en omstandigheden die de conclusie dragen dat partijen niet hebben bedoeld een dergelijk beding overeen te komen, zijn niet, althans onvoldoende, gesteld of gebleken.

4.6.

Het is verder aannemelijk dat dit incorporatiebeding prevaleert boven de in
artikel 1.1 lid 3 van de CAO opgenomen bepaling, welke bepaling onder meer inhoudt dat
de hoogste functionarissen die rechtstreeks bij het bepalen van het ondernemingsbeleid zijn
betrokken geen rechten aan de bepalingen uit deze CAO kunnen ontlenen.
De stelling van[gedaagde] dat dit niet het geval zou zijn, wordt als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd gepasseerd. De beantwoording van de vraag of [eiser] – zoals[gedaagde] aanvoert en [eiser] bestrijdt – als directeur rechtstreeks bij het bepalen van het ondernemingsbeleid van[gedaagde] was betrokken, kan daarom onbeantwoord blijven.

4.7.

Vaststaat dat de bepaling waarop [eiser] zich beroept, namelijk het bepaalde in artikel 2.1 onder c en d van de CAO (hierna ook wel aan te duiden als: de bepaling), bij besluit van 17 juli 2012 algemeen verbindend is verklaard.
Dit besluit is op 19 juli 2012 in de Staatscourant gepubliceerd en, gelet op wat met betrekking tot de inwerkingtreding van dit besluit in het besluit zelf is bepaald, op 20 juli 2012 inwerkingtreding getreden.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bepaling vanaf 20 juli 2012 deel
is gaan uitmaken van de rechtsverhouding tussen partijen.

4.9.

De vraag is vervolgens wat deze bepaling inhoudt.

4.10.

Als uitgangspunt geldt dat voor de uitleg van CAO-bepalingen, in beginsel, de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.11.

Uit de tekst van de bepaling volgt dat een dienstverband (arbeidsovereenkomst) voor bepaalde tijd één keer voor een bepaalde tijd kan worden verlengd (2.1 onder c van de CAO) en dat wanneer de (toegestane) verlengde arbeidsovereenkomst (na het verstrijken van de bepaalde tijd) wordt voortgezet de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd (ook al zijn partijen ten aanzien van die laatste arbeidsovereenkomst een bepaalde tijd overeengekomen).

4.12.

De op 27 april 2012 overeengekomen arbeidsovereenkomst betreft een voortzetting van de op 28 april 2011 voor de eerste keer verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

4.13.

De kantonrechter acht het op grond van het voorgaande aannemelijk dat de tussen partijen op 27 april 2012 overeengekomen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vanaf
20 juli 2012 geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.

4.14.

De door[gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat het, gelet op de toepasselijke bepalingen uit het BW, op het moment van het sluiten van deze arbeidsovereenkomst (wel) was toegestaan om voor een tweede keer de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen, doet hieraan niet af. De bepaling is vanaf 20 juli 2012 deel gaan uitmaken van de rechtsverhouding tussen partijen. Er zijn daarnaast ook geen, althans onvoldoende, aanwijzingen voor de juistheid van de stelling van[gedaagde] dat deze bepaling buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat de voor de tweede keer verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd al voor de inwerkingtreding van deze bepaling tussen partijen is overeengekomen. De tekst van de bepaling gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO biedt daarvoor geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten.

4.15.

De kantonrechter overweegt verder nog het volgende.
De bepaling is, gelet op het tussen partijen overeengekomen incorporatiebeding, tussen partijen van toepassing gedurende de periode dat deze bepaling algemeen verbindend is verklaard. Gelet op het besluit van 17 juli 2012 is dat in de periode vanaf 20 juli 2012 tot
2 januari 2013. Afgevraagd kan worden of de op 27 april 2012 gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die vanaf 20 juli 2012 voor onbepaalde tijd moet worden geacht te zijn voortgezet op 2 januari 2013 weer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moet worden geacht te zijn, omdat vanaf dat moment de algemeen verbindend verklaarde bepaling niet meer van toepassing is. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat dit van kleur verschieten in strijd zou zijn met de leer dat een verkregen recht niet aangetast wordt doordat een algemeen verbindend verklaring afloopt.

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op 30 april 2013 van rechtswege is geëindigd. Vaststaat dat[gedaagde] het UWV niet heeft verzocht om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst te verlenen. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds bestaat.[gedaagde]

4.17.

[gedaagde] heeft de kantonrechter in de procedure met nummer 2402241 UE VERZ 13-708 echter verzocht om, voor het geval de arbeidsovereenkomst niet al per 30 april 2013 van rechtswege is geëindigd, de arbeidsovereenkomst met ingang van 15 oktober 2013 te ontbinden, althans met ingang van een datum zo spoedig mogelijk na deze datum. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat dit voorwaardelijke ontbindingsverzoek zal worden toegewezen.

4.18.

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies ten aanzien van de toewijsbaarheid van het door [eiser] gevorderde.

Wedertewerkstelling

4.19. De door [eiser] gevorderde wedertewerkstelling zal worden afgewezen, aangezien de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn zal eindigen.

Betaling loon, wettelijke rente en wettelijke verhoging

4.20. Vaststaat dat[gedaagde] vanaf 1 mei 2013 geen loon meer aan [eiser] heeft betaald.

De door [eiser] vanaf 1 mei 2013 gevorderde betaling van het bruto loon vermeerderd met emolumenten zal worden toegewezen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Ook de over het achterstallig loon gevorderde vertragingsrente, zijnde de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal worden toegewezen.

4.21.

De door [eiser] gevorderde wettelijke verhoging zal worden afgewezen.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat er aanleiding is om deze wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De kantonrechter kan[gedaagde] hierin volgen. Niet ter discussie staat dat[gedaagde] [eiser] eind november 2012 te kennen heeft gegeven dat zij de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 30 april 2013 niet zou voortzetten. Verder is niet in geschil dat in de periode van eind november 2012 tot 25 april 2013 zowel [eiser] als[gedaagde] in de veronderstelling verkeerden dat de arbeidsovereenkomst tussen hen op 1 mei 2013 zou eindigen en dat alleen om die reden niet tijdig ook een ontslagvergunning voor [eiser] is gevraagd en verkregen. Daarbij komt dat vaststaat dat [eiser] vanaf 1 mei 2013 nog inkomen heeft ontvangen. Vaststaat immers dat hij vanaf dat moment een WW-uitkering heeft.

Buitengerechtelijke kosten

4.22. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking,
aangezien gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

Specificaties
4.23. De door [eiser] gevorderde specificaties zullen op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen, omdat dit op de wet is gegrond en[gedaagde] daartegen overigens ook geen verweer heeft gevoerd. De in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen met dien verstande dat aan[gedaagde] een termijn van
14 dagen na betekening van dit vonnis zal worden gegeven om deze specificaties te verstrekken en de dwangsom zal worden bepaald op € 50,00 per dag met een maximum van € 1.500,00.



Proceskosten

4.24.[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,91

- griffierecht € 213,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 716,91



5.De beslissing

De kantonrechter geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt[gedaagde] om aan [eiser] te betalen het loon van € 6.166,21 bruto per maand vermeerderd met emolumenten, en wel vanaf 1 mei 2013 totdat de
arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd,

5.2.

veroordeelt[gedaagde] om de wettelijke rente over het achterstallig loon zoals bedoeld in 5.1 aan [eiser] te voldoen, zulks vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt[gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken bruto/netto specificaties van hetgeen zij op grond van 5.1 van dit vonnis aan [eiser] dient te betalen,

5.4.

veroordeelt[gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag dat niet aan de in 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 1.500,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt[gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 716,91, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde,


5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.