Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5341

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_2541
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen wijziging mate van arbeidsongeschiktheid naar 76,97%. Eiser stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van lichamelijke en psychische klachten. De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig te achten door het niet toepassen van het CVS-protocol. Voorts niet aannemelijk dat beperkingen zijn onderschat, voldoende rekening gehouden met eisers klachten. Arbeidskundig onderdeel van de schatting blijft ook in stand. De geduide functies hoeft eiser niet daadwerkelijk uit te oefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/2541

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P. Berkhoudt)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Tieman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 13 november 2012 is gewijzigd naar 76,97%, maar dat de hoogte van de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) daardoor niet wijzigt.

Bij besluit van 17 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, tevens vergezeld door [X]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is op 24 februari 2000 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als ingenieur/wetenschappelijk medewerker bij TNO in Enschede. Per 4 februari 2001 heeft hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Deze uitkering is bij besluit van 6 december 2005 ingetrokken. Eiser heeft vanaf 3 januari 2005 tot 1 mei 2008 fulltime gewerkt als elektrotechnisch ingenieur bij FMA Facility Management Activities B.V. Aansluitend heeft eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen, waarna hij zich op 23 oktober 2009 ziek heeft gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Op 10 juli 2011 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 30 augustus 2011 is aan eiser per 21 oktober 2011 een loongerelateerde uitkering op grond van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten toegekend. De uitkering is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 75%. Op 17 september 2012 heeft eiser bij verweerder gemeld dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd. Vervolgens is verweerder gekomen tot de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluitvorming.

2.

In artikel 4 van de Wet WIA is bepaald dat hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.



In artikel 5 van de Wet WIA is bepaald dat hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.

De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek waarvan de strekking en vereisten zijn omschreven in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb).

3.

Eiser voert in beroep allereerst aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest. Aangezien hij lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) dient het voor deze ziekte geldende protocol te worden toegepast. De verzekeringsarts heeft ten onrechte niet aan dit protocol getoetst, terwijl hij de diagnose CVS wel heeft overgenomen. Indien de verzekeringsarts dit protocol had toegepast, dan had de verzekeringsarts meer beperkingen aangenomen. Immers, deze ziekte maakt dat eiser ernstig vermoeid is waardoor hij soms lange perioden in bed ligt. Ook heeft hij veel pijnklachten en herstelt hij langzaam na inspanning. Eiser wijst erop dat bij CVS patiënten aanpassingen in het werk moeten plaatsvinden, zoals het bieden van sociale steun, geen leidinggevende taken en het opnemen van een urenbeperking.

4.

Artikel 2 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (de Regeling) bepaalt - zoals dit artikel gold ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang - dat bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WIA, waarbij sprake is van de in artikel 3 genoemde diagnoses, door de verzekeringsarts als hulpmiddel gebruik wordt gemaakt van de in de bijlagen bij de Regeling vastgestelde wetenschappelijke inzichten met betrekking tot die diagnose.

De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van
30 maart 2013 schrijft dat hij te veel inconsistenties in de anamnese en de onderzoeken aantreft om het CVS protocol van toepassing te achten. Voorts schrijft hij dat de diagnose CVS al jaren geleden is gesteld en dat eiser nadien nog geruime tijd fulltime heeft gewerkt.

De rechtbank stelt voorts vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 7 augustus 2013 een voorbeeld geeft van door hem geconstateerde inconsistenties.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd en gelet op de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen grond voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zelf de diagnose CVS heeft gesteld. Reeds daarom heeft hij geen aanleiding hoeven zien om het CVS-protocol toe te passen. Het is een zelfstandige beoordeling van de verzekeringsarts van het Uwv of er sprake is van CVS en of om die reden het protocol moet worden toegepast. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 30 maart 2013 ook voldoende gemotiveerd waarom toepassing van het CVS-protocol in het geval van eiser niet aan de orde is. Overigens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende aandacht besteed aan de vermoeidheidsklachten van eiser. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 april 2013 is een urenbeperking opgenomen tot maximaal 30 uur werken per week en eiser is uitgezonderd van nachtwerk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook gemotiveerd waarom eisers klachten op dit punt niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen. De beroepsgrond slaagt niet.

5.

Eiser voert vervolgens aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. Bij hem is in oktober 2012 de ziekte van Lyme vastgesteld, waardoor veel van zijn klachten kunnen worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een e-mail van zijn behandelend arts P.W.M. van Meerendonk van 18 oktober 2012 en de daarbij gevoegde uitslagen van laboratoriumtesten. Eiser heeft tevens last van onbehandelbaar atriumfibrilleren. Dit brengt mee dat eiser niet meer dan 10 uur per week kan werken. Daarbij moet het gaan om werk waarbij geen fysieke inspanning is vereist, omdat hij lang moet herstellen van (korte) fysieke inspanningen.

6.

De rechtbank stelt vast dat de primaire verzekeringsarts S. Raddjoe eiser op 23 oktober 2012 op het spreekuur heeft gezien. Eiser is psychisch onderzocht en de verzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling tevens rekening gehouden met de beschikbare medische informatie van eisers behandelaars. De verzekeringsarts concludeert dat eiser cardiologisch stabiel is en dat er wegens het nieuwe ziektebeeld geen additionele beperkingen van toepassing zijn.

Uit de rapportage van 30 maart 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep
B.C. Bockwinkel blijkt dat hij eiser heeft gezien tijdens de hoorzitting op 18 maart 2013, waar hij eiser heeft bevraagd over zijn klachten. Voorts heeft hij bij zijn beoordeling rekening gehouden met medische informatie in het dossier, waaronder informatie van P.W.M. van Meerendonk, arts bij het Biologisch Medisch Centrum, van 22 februari 2010, een rapportage naar aanleiding van een op verzoek van verweerder verrichte expertise van internist J.J.J. de Sonnaville van 19 juli 2011 en brieven van neuroloog G. Hageman van 13 juni en 22 augustus 2012 en van cardioloog S. van Bennekom van 3 mei 2012. Volgens de brief van Van Meerendonk lijdt eiser sinds een CMV-infectie aan CVS en is bij hem een mitochondriale dysfunctie vastgesteld. Uit de informatie van de neuroloog volgt onder meer dat eiser impulsdoorbraken met woedeaanvallen heeft. De neuroloog acht het onwaarschijnlijk dat eisers klachten worden veroorzaakt door toxische blootstelling in de periode 1980 tot 1987. De vermoeidheidsklachten zijn duidelijk verbeterd, maar eiser is nog emotioneel instabiel. Voorts blijkt uit informatie van de cardioloog dat er sprake is van een redelijke inspanningstolerantie. Uit de bijgevoegde bijlage volgt dat eiser tijdens een holter registratie over 48 uur verschillende activiteiten heeft verricht, zoals studeren, muziek maken, huishoudelijk werk, sporten, boodschappen doen en autorijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in zijn rapportage dat eiser weliswaar toegenomen klachten en afname van zijn vitaliteit claimt, maar dat uit diverse rapporten waaronder die van de neuroloog en de cardioloog juist kan worden geconcludeerd dat het beter met eiser gaat. Met een beperking in arbeidsduur van twee uur per dag is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in ruime mate tegemoet gekomen aan de iets verminderde vitaliteit van eiser. In de FML van 2 april 2013 zijn de eerder vastgestelde beperkingen gehandhaafd, met uitzondering van het werken onder toezicht. Daarnaast merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de beperking op hoog handelingstempo alleen ziet op niet-routineuze handelingen.

In zijn rapportage van 25 juni 2013 schrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit de informatie van de cardioloog is op te maken dat eisers inspanningstolerantie nog heel redelijk is en dat bovendien uit die informatie niet kan worden opgemaakt dat er sprake is van een onbehandelbare vorm van atriumfibrilleren. Ook gezien de dagelijkse activiteiten van eiser en het runnen van een eigen huishouding als alleenstaande, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep eisers stellingname dat ook lichte arbeid niet mogelijk is niet houdbaar.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft ten slotte in zijn rapportage van 7 augustus 2013 in reactie op de door eiser in beroep overgelegde e-mail van Van Meerendonk dat het laboratorium onderaan de testuitslagen een kanttekening plaatst bij de uitslagen door te stellen dat een diagnose niet op een positieve laboratoriumtest alleen kan worden gesteld maar dat de uitslagen moeten worden geïnterpreteerd in samenhang met het klinisch beeld. De laboratoriumtesten waarnaar door eiser wordt verwezen laten alleen zien dat eiser een infectie heeft doorgemaakt en dat hij tegen de Borrelia burgdorferi antistoffen heeft aangemaakt. Dat wil volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zeggen dat eiser de ziekte van Lyme heeft of heeft doorgemaakt. Als eiser zou lijden aan een chronische vorm van Lyme, dan zou van wisselingen in vitaliteit geen sprake zijn.

7.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290, komt aan rapportages opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een bijzondere waarde toe, mits deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Ook mogen deze rapportages niet tegenstrijdig of onsamenhangend zijn en moeten ze tot een dwingende conclusie leiden. Als aan deze voorwaarden is voldaan, brengt dat mee dat verweerder zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Dit betekent niet dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep onaantastbaar zijn. Het is echter, gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wel aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages van het Uwv niet voldoen aan de hiervoor genoemde vereisten of dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts noodzakelijk.

8.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven beoordeling onjuist is. Eiser heeft zijn stelling dat zijn beperkingen zijn onderschat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Steun voor deze stelling kan niet worden gevonden in de e-mail van Van Meerendonk van 18 oktober 2012 en evenmin in de later overgelegde e-mail aan de huisarts van 28 oktober 2012. Daartoe overweegt de rechtbank dat Van Meerendonk in die stukken weliswaar concludeert dat uit de uitslag volgt dat eiser de ziekte van Lyme heeft, maar een onderbouwing van die conclusie ontbreekt. Met betrekking tot de door eiser overgelegde laboratoriumtesten overweegt de rechtbank dat bij de vraag naar de aanwezigheid en mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA het niet zozeer gaat om de gestelde diagnose, als wel om de in aanmerking genomen beperkingen. Daarbij geldt dat aan een diagnose ter verklaring van de klachten niet zonder meer kan worden ontleend dat er meer of andere beperkingen in aanmerking hadden dienen te worden genomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert in zijn rapportages met inachtneming van de beschikbare medische gegevens en gelet op het bij hem bestaande klinische beeld waarom hij geen meer of andere beperkingen aanneemt naar aanleiding van de overgelegde laboratoriumgegevens. Met betrekking tot de door atriumfibrilleren ervaren klachten overweegt de rechtbank dat eiser ook op dit punt geen medische stukken heeft overgelegd waarin steun kan worden gevonden voor zijn stelling. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de beschikbare informatie van de cardioloog geen aanleiding heeft gezien om meer beperkingen aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Eiser voert vervolgens aan dat hij de geduide functies niet kan verrichten vanwege impulsdoorbraken die hij heeft. Omdat de geduide functies van een aanzienlijk lager niveau zijn dan het niveau waarop eiser functioneert, is het waarschijnlijk dat hij woedeaanvallen krijgt tijdens de samenwerking met mensen met een ander werk- en denkniveau. Ter zitting heeft Van Ingen, directeur van Bald Consulting en begeleider van hoogbegaafde mensen, hierover opgemerkt dat eisers werk- en denkniveau ver boven het wetenschappelijk opleidingsniveau uitsteekt. Hij is hoogbegaafd en voelt zich snel niet begrepen, wat de impulsdoorbraken kan veroorzaken. Volgens Van Ingen dient eiser dan ook in een gecontroleerde omgeving te werken.

10.

De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) heeft geduid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft in zijn rapportage van 30 maart 2013 dat hij vindt dat er weliswaar soms een stoornis in de impulscontrole is geweest en dat dit op zichzelf wel een beperkende score onder 2.7 rechtvaardigt, maar de kans hierop is bij passend werk minimaal. In de FML van 2 april 2013 is eiser op item 2.7.1 beperkt geacht. Dit brengt mee dat eiser beperkt wordt geacht op het uiten van eigen gevoelens. Ter toelichting op deze score staat in de FML vermeld dat het mogelijk is dat hij anderen in verwarring brengt door een onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 maart 2013 blijkt verder dat werken onder toezicht niet nodig is, omdat er bij eiser geen sprake is van een vermindering in autonomie. Hij woont immers zelfstandig en runt zijn eigen huishouding. Om die reden is de beperking op item 1.9.3 vervallen in de FML. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in het beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder eisers beperkingen op dit punt heeft onderschat. Evenmin vindt zij daarvoor aanknopingpunten in de medische informatie in het dossier en de toelichting van Van Ingen ter zitting. Uitgaande van de juistheid van de bij eiser op dit punt vastgestelde beperkingen, heeft verweerder de hiervoor genoemde functies aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 12 april 2013, waaruit volgt dat in de geduide functies geen hoge eisen worden gesteld aan samenwerking of communicatie. De beroepsgrond slaagt niet.

11.

Eiser voert ten slotte aan dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten omdat hij ook overigens meer beperkt is dan verweerder heeft aangenomen. Er is met name sprake van een overschrijding van zijn belastbaarheid omdat eiser de gevraagde fysieke inspanning niet kan leveren, gelet op zijn vermoeidheidsklachten en het atriumfibrilleren. Daarnaast sluiten de functies niet aan bij eisers werk- en denkniveau.

12.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen van eiser op onjuiste wijze zijn vastgesteld. Met de arbeidskundige rapportages van 13 november 2012 en 12 april 2013, gelezen in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige rapportages en de voorliggende gegevens uit het Claim- Beoordelings en BorgingsSysteem (CBBS), is voldoende gemotiveerd dat de drie geduide functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van eiser zoals omschreven in de FML. Daarbij is van belang dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg heeft gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de passendheid van de geduide functies. Uitgaande van de juistheid van de door verweerder bij eiser aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat eiser de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. Wat betreft eisers stelling dat de functies onvoldoende passen bij zijn werk- en denkniveau, overweegt de rechtbank dat het hier gaat om voorbeeldfuncties die eiser niet daadwerkelijk hoeft uit te oefenen. Zoals gemachtigde van verweerder ook ter zitting heeft toegelicht, staat het eiser vrij om te gaan werken in een voor hem passende functie. De functies die in het arbeidskundige rapport van 12 april 2013 staan vermeld, zijn enkel geduid om door middel van een theoretische schatting eisers mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen bepalen. De stelling van eiser dat deze functies niet aansluiten bij zijn niveau, maakt daarom niet dat verweerder deze functies niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit. De beroepgrond slaagt niet.

13.

Geen van eisers beroepsgronden slagen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 oktober 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.