Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5235

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-09-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
16-661252-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn broer gedurende een periode van ruim 3 jaar schuldig gemaakt aan het dealen van heroïne en cocaïne. De afnemers van deze harddrugs kwamen onder meer midden op de dag in een woonstraat van verdachte en zijn broer afnemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/661252-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 september 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Utrecht, Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 juni 2013, 20 augustus 2013 en 2 september 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Makhloufi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 7 maart 2013 al dan niet samen

met een ander gehandeld heeft in cocaïne en/of heroïne.

feit 2: op 8 maart 2013 heeft geprobeerd om aan[getuige 4] cocaïne te verkopen, af te leveren dan wel te verstrekken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

1 tenlastegelegde heeft gepleegd. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en heeft verzocht om verdachte hiervan vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen kan worden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

Onrechtmatig binnentreden

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning waarin verdachte is aangehouden, gelegen aan de[adres 1] te Amersfoort, onrechtmatig is binnengetreden. Niet alleen zou er geen machtiging tot binnentreden zijn geweest, ook zou er geen sprake zijn geweest van een redelijk vermoeden dat in de woning de Opiumwet werd overtreden, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 van de Opiumwet. De waarnemingen van de betreffende verbalisant, alsmede de bewijsmiddelen die daarna zijn vergaard, mogen daarom als “fruits of the poisonous tree” niet meewerken tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten, zodat vrijspraak dient te volgen van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde, aldus de verdediging.



De rechtbank verwerpt voornoemd verweer.

De verdachte kan zich beroepen op onrechtmatig opsporingsonderzoek indien door de opsporende instantie normen zijn geschonden die zijn, verdachtes, belang beschermen en dat belang door die schending ook werkelijk is geschaad.
De rechtbank is van oordeel dat de voorschriften van (onder meer) artikel 9 van de Opiumwet strekken ter bescherming van de bewoner van de plaats die betreden wordt. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet woonde in de woning waar hij werd aangehouden. Al zou er al een verzuim hebben plaatsgevonden bij het binnentreden van voornoemde woning, dan nog is verdachte niet geschonden in de belangen welke de eventueel overtreden norm - te weten de belangen van de bewoner - beoogt te beschermen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen dat door verbalisanten na binnentreden in de woning is waargenomen, alsmede het bewijs dat daarna is vergaard, derhalve gebruikt worden voor het bewijs.

Onrechtmatige aanhouding

Door de verdediging is subsidiair aangevoerd dat verdachte onrechtmatig is aangehouden, nu er op het moment van de aanhouding geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De na het binnentreden en alle daarna vergaarde bewijsmiddelen mogen daarom als “fruits of the poisonous tree” niet meewerken tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten, zodat vrijspraak dient te volgen van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Uit het dossier volgt dat na een melding dat in harddrugs gedeald zou worden bij

de portiek aan de [adres 1] te Amersfoort gepost is door verbalisanten, waarbij zij meermalen een persoon met het uiterlijk van een harddrugsverslaafde de portiek in- en uit zien lopen.

Vervolgens melden zich bij de portiek nog twee andere mannen. Eén van hen, verdachte, gaat samen met de persoon met het uiterlijk van een harddrugsverslaafde de portiek in. De andere persoon blijft buiten, voor de portiek op wacht staan.

Verbalisant gaat vervolgens de portiek in, ziet een voordeur openstaan, loopt naar binnen en ziet daar dat de persoon met het uiterlijk van een drugsverslaafde een biljet van € 50,00 wil overhandigen aan verdachte. Vervolgens is verdachte aangehouden op grond van een verdenking van overtreding van de Opiumwet.


Gelet op het voorgaande bestond naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 Sv en was de aanhouding van verdachte rechtmatig. Het verweer van de verdediging kan derhalve geen stand houden.

Uitsluiting van verklaringen van getuigen en processen-verbaal van bevindingen

De rechtbank merkt op dat het proces-verbaal van bevindingen van wijkagent[verbalisant], de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaringen van twee anonieme getuigen van respectievelijk 7 september 2012 en 11 april 2013 niet voor het bewijs zullen worden gebruikt. Daarom komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het verzoek tot uitsluiting van het bewijs dat door middel hiervan is verkregen.

De verdediging heeft verder verzocht om uitsluiting van de verklaringen van de getuigen

[getuige 2] (hierna: getuige [getuige 2]) en [getuige 3] (hierna: getuige [getuige 3]) omdat de verklaringen van deze getuigen onbetrouwbaar zouden zijn. De betreffende getuigen gebruiken drugs en zijn daardoor slecht in het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd, aldus de verdediging. De verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zouden verder inconsequent zijn.

De rechtbank verwerpt voornoemd verweer tot bewijsuitsluiting.
Niet gebleken is dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] er enig belang bij hebben om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. De getuigen hebben een voor zichzelf belastende verklaring afgelegd door aan te geven dat zij harddrugs kopen bij dealers.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die voornoemde getuigen hebben afgelegd bij de rechter-commissaris slechts op ondergeschikte punten afwijkend zijn van eerder door hen bij de politie afgelegde verklaringen.
De rechtbank acht de verklaring van de door de verdediging genoemde getuigen derhalve betrouwbaar en is van oordeel dat deze voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

4.3.2

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Na een melding van een wijkagent dat in harddrugs gedeald zou worden bij de portiek van de[adres 1] te Amersfoort, posten verbalisanten op 8 maart 2013 nabij voornoemde locatie. Daar zien zij een persoon met het uiterlijk van een harddrugsverslaafde, naar later blijkt getuige[getuige 4] (hierna: getuige [getuige 4]), meermalen de betreffende portiek in- en uitgaan. Later wordt gezien dat verdachte en [A] bij voornoemde portiek komen, waar verdachte vervolgens samen met getuige [getuige 4] naar binnen gaat. [A], die buiten blijft staan, wekt op verbalisanten de indruk dat hij op de uitkijk staat.1 Daarop loopt één van de verbalisanten in de richting van de portiek, waar hij ziet dat de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 1] open staat. Hij gaat vervolgens naar binnen, waar hij ziet dat getuige [getuige 4] een biljet van € 50,00 wil overhandigen aan verdachte. Verdachte wordt aangehouden.2
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij verdachte die dag tegenkwam en hem vroeg of hij een bolletje wit, cocaïne, van hem kon kopen. Hij vroeg verdachte om daarvoor naar zijn woning, gelegen aan de [adres 1] te Amersfoort, te komen. Dit deed verdachte.

In zijn woning toonde [getuige 4] een biljet van € 50,00 aan verdachte en zei tegen verdachte dat hij 1 bolletje wit wilde hebben. Verdachte zei daarop dat dit oké was. Op het moment dat [getuige 4] verdachte het biljet in ontvangst wilde nemen, werd verdachte aangehouden, aldus getuige [getuige 4].3

4.3.3

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Gelet op voornoemde verklaring van getuige [getuige 4] was er wel degelijk sprake van een poging tot een drugsoverdracht. Dat bij de doorzoeking van de betreffende woning en fouillering van verdachte en getuige [getuige 4] geen drugs is aangetroffen, doet daar niet aan af. Zo blijkt uit het dossier immers dat getuige [getuige 4] ten tijde van de aanhouding van verdachte is ontsnapt aan de aandacht van verbalisanten en zich op dat moment mogelijk succesvol heeft ontdaan van de drugs. De verklaring van verdachte dat hij in de woning van getuige [getuige 4] was om diens recent ontvangen erfenis te bekijken, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

4.3.4

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

Verbalisanten krijgen naar aanleiding van voornoemde aanhouding van verdachte, alsmede naar aanleiding van eerdere meldingen van mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de handel in drugs, toestemming de woning waar verdachte is ingeschreven en vrijwel dagelijks verblijft, gelegen aan de [adres 2] te Amersfoort,4 te betreden en daar zoekend rond te kijken. Daar aangekomen treffen zij in de woonkamer drie plastic bolletjes aan met daarin bruin poeder, zijnde heroïne en een plastic bolletje met daarin wit poeder, zijnde cocaïne.5
In verband met het onderzoek zijn verbalisanten op 8 maart 2013 gedurende ongeveer 2,5 uur in voornoemde woning. Gedurende die tijd bellen verschillende hun ambtshalve bekende drugsgebruikers aan. Deze harddrugsgebruikers zeiden onder andere: “Oh, de winkel is dicht!”, “Nu kan ik mijn 10 euro in mijn zak houden.” En “Dan moet ik ergens anders gaan halen.”6

Dat verdachte vanuit voornoemde woning harddrugs verkoopt, wordt bevestigd door de hierna te noemen getuigen [getuige 5] (hierna: getuige[getuige 5]), [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].

Uit de verklaringen van deze getuigen volgt verder dat niet alleen verdachte, maar ook zijn broer[medeverdachte], die in de woning aan de [adres 2] te Amersfoort woont,7 bij deze verkoop van harddrugs betrokken is.

Getuige[getuige 5] heeft op 9 juni 2010 een verklaring bij de politie afgelegd, waarin zij heeft aangegeven sinds een paar maanden cocaïne en heroïne te kopen van “[bijnaam 1]” [achternaam] en “[bijnaam 2]”, vanuit een woning aan de [adres 2] te Amersfoort. Zij verklaarde dat “[bijnaam 1]” [achternaam] een grote tatoeage in zijn nek heeft en dat “[bijnaam 2]” een kleine tatoeage in zijn nek heeft.8 De rechtbank heeft tijdens de terechtzitting van

2 september 2013 waargenomen dat [medeverdachte] een grote tatoeage in zijn nek heeft, terwijl verdachte een kleine tatoeage in zijn nek heeft9 en begrijpt dat getuige [getuige 5] met “[bijnaam 1]” doelt op [medeverdachte] en met “[bijnaam 2]” op [verdachte].

Getuige [getuige 2] verklaarde op 24 november 2011 bij de politie dat zij heroïne en cocaïne van “de jongens van [achternaam]” koopt aan de [adres 2] te Amersfoort.10 Als getuige [getuige 2] circa 1,5 jaar later opnieuw wordt gehoord door de politie, verklaart zij dat zij voordat zij in november 2011 werd aangehouden, al circa een half jaar bij [medeverdachte] en [verdachte] drugs kocht en hiervoor € 10,00 per bolletje betaalde.11

Getuige [getuige 4] verklaarde op 25 maart 2013 al ongeveer een jaar cocaïne te kopen van [verdachte].12 Hij kocht dit onder meer van hem bij de woning van [medeverdachte], aan de [adres 2]. Daarvoor kocht hij daar ook cocaïne van [medeverdachte]. Hij betaalde € 10,00 per bolletje.13

Ook getuige [getuige 3] heeft verklaard drugs te kopen van [verdachte] en[medeverdachte].14 Op 2 juli 2012 verklaarde deze getuige al enige tijd bij hen drugs te kopen bij de woning aan de [adres 2] te Amersfoort.15 Zij kocht dan “een bolletje wit”, cocaïne, voor

€ 10,00.16 Zij verklaarde dat zij om bij hen drugs te kopen, [medeverdachte] buiten bij de woning bij de portiek aanspreekt, waarna hij de drugs binnen voor haar ophaalt. Als [medeverdachte] er niet is, spreekt zij [verdachte] aan om vervolgens op dezelfde wijze bij [verdachte] drugs te kopen. Als noch [medeverdachte], noch [verdachte] buiten staat, belt zij aan bij voornoemde woning om bij één van hen drugs te kopen.17

De door getuige [getuige 3] omschreven modus operandi wordt bevestigd door

getuige [getuige 6] (hierna: getuige [getuige 6]). Deze getuige is sinds 2008 werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar in de wijk waarin voornoemde woning is gelegen. Getuige [getuige 6] verklaarde dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] vaak buiten staan bij de portiek van de woning gelegen aan de [adres 2]. Gedurende de dag komen meerdere personen langs bij deze woning. Nadat deze personen contact hebben gemaakt met[verdachte] dan wel met[medeverdachte], gaat of [medeverdachte] of [verdachte] voor een korte tijd naar binnen. Kort nadat zij weer buiten komen, vertrekt de persoon weer.18

Verder wordt voornoemde modus operandi bevestigd door observaties van de woning aan de [adres 2] te Amersfoort op respectievelijk 20 september 2011,19 3 oktober 2011,20 6 juni 2012,21 27 juni 201222 en van de periode van 13 augustus 2012 tot en met

20 augustus 2012.23 Uit deze observaties volgt voorts dat een deel van de personen die contact maakt met [medeverdachte] en/of [verdachte], ambtshalve bekende harddrugsgebruikers betreft.24

4.3.5

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De pleegperiode

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet de gehele onder
1 ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard.
Een exacte datum waarop verdachte en zijn broer [medeverdachte] samen zijn begonnen met handelen, valt niet vast te stellen, maar uitgaande van de hiervoor vermelde verklaring van getuige[getuige 5], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn broer in ieder geval vanaf 1 januari 2010 samen cocaïne en heroïne hebben verkocht.

Voor een langere periode, zoals door de officier van justitie bewijsbaar is geacht, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier.

De rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen - in onderling verband en samenhang beschouwd - derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 maart 2013 in cocaïne en heroïne heeft gehandeld, zoals onder 1 ten laste is gelegd.


De rechtbank acht gelet op voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

feit 1:
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 maart 2013 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht, en afgeleverd en verstrekt hoeveelheden heroïne en/of cocaïne, zijnde cocaïne en heroïne, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2:

op 8 maart 2013 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk te verkopen 1 bolletje cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk zich naar een woning gelegen aan de[adres 1] te Amersfoort heeft begeven en aldaar getracht heeft het door de koper[getuige 4] aangeboden geldbedrag in ontvangst te nemen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: een poging tot het opzettelijk handelen in strijd met een artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

7 De strafbaarheid

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 De strafoplegging

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank daaraan toekomt, een onvoorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer gedurende een periode van ruim 3 jaar schuldig gemaakt aan het dealen van heroïne en cocaïne. De afnemers van deze harddrugs kwamen onder meer midden op de dag in een woonstraat van verdachte en zijn broer afnemen. Hierdoor werd overlast veroorzaakt voor de omwonenden. Verdachte is hiervoor, net als zijn broer, verantwoordelijk.

Daarnaast is verdachte medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat heroïne en cocaïne stoffen zijn die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een poging tot het dealen van cocaïne.

De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

  • -

    een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 augustus 2013, waaruit blijkt dat verdachte op 21 januari 2010 door de politierechter in deze rechtbank is veroordeeld voor onder meer drugshandel tot een werkstraf voor de duur van 80 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    een reclasseringsrapport van 18 april 2013, opgesteld door M. Tijhuis, reclasseringsmedewerker. M. Tijhuis adviseert om, indien een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd, hieraan geen bijzondere voorwaarden te koppelen.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel
63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 24 maart 2011 is veroordeeld door de kantonrechter in deze rechtbank en nu wordt schuldig verklaard aan een misdrijf dat deels voor de hierboven genoemde datum is gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde een kortere pleegperiode bewezen acht dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend is.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: een poging tot het opzettelijk handelen in strijd met een artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2013.

Mr. A. van Maanen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 7 maart 2013 te

Amersfoort, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelheden heroïne en/of

cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 08 maart 2013 te Amersfoort ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk te verkopen en/of af te leveren

en/of te verstrekken aan (ongeveer)1 bolletje cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk zich naar een woning

(gelegen aan de[adres 1] te Amersfoort) heeft begeven en aldaar getracht

heeft het hem door de koper [getuige 4]) aangeboden geldbedrag in ontvangst

te nemen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 2 ahf/ond B Opiumwet.

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

1 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2013, opgenomen op pagina 57 van het proces-verbaal dossiernummer PL0940/2013-053361B, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 176.

2 Ibidem, pagina 58.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 8 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 114.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 154 tot en met 160 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in ditzelfde proces-verbaal, pagina 168 en 169.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 72, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 80 en 81 en het deskundigenverslag, te weten een Rapport identificatie van drugs en precursoren d.d. 26 maart 2013, opgemaakt door A.B.M. van Esch-De Bruin, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 82 en 83.

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 60 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in ditzelfde proces-verbaal, pagina 164 en 165.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 26 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 48.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 134 en 135.

9 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 2 september 2013.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] d.d. 24 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 97 en 98.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige E. [getuige 2] d.d. 8 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 128.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige J. [getuige 4] d.d. 25 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 115 en 116.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige J. [getuige 4], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 116 en de verklaring van getuige J. [getuige 4], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 augustus 2013.

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuige A.K. [getuige 3] d.d. 2 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 107 en de verklaring van getuige A.K. [getuige 3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 augustus 2013.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige A.K. [getuige 3] d.d. 2 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 107.

16 De verklaring van getuige A.K. [getuige 3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 augustus 2013.

17 Het proces-verbaal van verhoor van getuige A.K. [getuige 3] d.d. 2 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 107.

18 Het proces-verbaal van verhoor van getuige M.J. [getuige 6] d.d. 14 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 123 en 124.

19 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 136 tot en met 139.

20 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 147 tot en met 149.

21 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 150 tot en met 153.

22 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 140 tot en met 146.

23 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 154 tot en met 160.

24 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 175.