Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5233

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
16-659665-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 1,5 jaar schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. De rechtbank legt aan hem een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden op, waarvan 7 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/659665-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Nieuwegein, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.T.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: in de periode van 1 juli 2011 tot en met 25 juli 2013 heeft gehandeld

in cocaïne;

subsidiair: op een of meer tijdstippen in voornoemde periode een hoeveelheid

cocaïne in bezit heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, te weten de handel in cocaïne. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich hieraan gedurende een periode van 1,5 jaar schuldig heeft gemaakt, te weten de periode van 25 januari 2012 tot en met 25 juli 2013.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit, maar betwist dat het zou gaan om een langere pleegperiode dan 1 maand.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging het hierna te noemen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelenverweer

Betwisting betrouwbaarheid verklaringen getuigen

De verdediging heeft zich afgevraagd in hoeverre de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] betrouwbaar zijn. Dezelfde vraag heeft de verdediging gesteld ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]. De betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen worden ter discussie gesteld omdat de betreffende getuigen drugs gebruiken en daardoor slecht zijn in het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd, aldus de verdediging.

Voor zover de verdediging met deze stelling heeft willen aanvoeren dat de betreffende verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, verwerpt de rechtbank dat verweer. De rechtbank acht deze verklaringen wel degelijk betrouwbaar en overweegt daartoe als volgt. Niet gebleken is dat de voornoemde getuigen er enig belang bij hebben om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Daarbij hebben zij, door te verklaren dat zij gedurende langere tijd drugs bij een dealer hebben gekocht, zelfs een voor hen zelf belastende verklaring afgelegd. Waarom zij dat, in strijd met de waarheid, zouden doen is op geen enkele wijze onderbouwd en de rechtbank volstrekt onduidelijk. Daarbij komt dat de getuigenverklaringen duidelijk en helder zijn geformuleerd, op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen en een consistent beeld geven van de handelwijze van verdachte.
De rechtbank acht de verklaringen van de door de verdediging genoemde getuigen dan ook betrouwbaar en is van oordeel dat deze voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

4.3.2

De bewijsmiddelen 1

Dat verdachte heeft gehandeld in harddrugs, volgt allereerst uit de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.2

Daarnaast heeft getuige [getuige 1] op 25 juli 2013 een verklaring bij de politie afgelegd, waarin hij heeft aangegeven al ongeveer 1,5 jaar bij “Turk” cocaïne te kopen. De getuige heeft verklaard dat hij “Turk” op 25 juli 2013 had gebeld omstreeks 16.00 uur, dat deze daarna in een zwarte Polo kwam aanrijden en de envelopjes cocaïne overhandigde. Hij betaalde € 20,00 per envelopje.3

Uit het proces verbaal van bevindingen van de politie d.d. 25 juli 2013 volgt dat verdachte op 25 juli 2013 met de zwarte Polo is gereden naar getuige [getuige 1] omstreeks 16.40 uur en dat hij daar kleine witte voorwerpen, hetgeen later de zgn ponypacks bleken te zijn, heeft afgegeven aan [getuige 1] en de broers Knoope.4

Getuige [getuige 2] verklaarde op 25 juli 2013 dat hij al zeker 2 jaar cocaïne koopt van “deze dealer”. Hij betaalde Euro 20,00 per halve gram.5

Getuige [getuige 4] verklaarde op 1 augustus 2013 dat het kan kloppen dat haar telefoonnummer is aangetroffen in het Nokia toestel dat bij verdachte in beslag is genomen, omdat zij al 3 jaar lang cocaïne koopt, de eerste 1,5 jaar voor haarzelf en de laatste 1,5 jaar voor een vriendin.6

4.3.3

Bewijsoverwegingen

De pleegperiode

Verdachte heeft bekend dat hij heeft gehandeld in cocaïne maar betwist dat dit heeft plaatsgevonden gedurende de gehele in de tenlastelegging genoemde periode. Voor wat betreft die pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat met de aanduiding “Turk” verdachte wordt bedoeld omdat [getuige 1] tevens verklaart dat de man die hij “Turk” noemt de man is die op 25 juli 2013 envelopjes cocaïne (de zgn ponypacks) kwam brengen toen hij met getuigen[getuige 2] en [getuige 3] aan het vissen was. Op basis van deze verklaring in combinatie met de bevindingen van de politie die verdachte op 25 juli 2013 naar getuige [getuige 1] hebben zien rijden in de zwarte Polo, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat getuige [getuige 1] met de aanduiding “Turk” verdachte bedoeld en dus dat getuige [getuige 1] verklaart dat hij al 1,5 jaar van verdachte cocaïne koopt.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat getuige [getuige 2] verklaart dat hij al 2 jaar van verdachte cocaïne koopt. Weliswaar spreekt deze getuige over “deze dealer” en noemt niet de naam van verdachte, maar met de aanduiding “deze dealer” verwijst hij naar de verdachte, aangezien uit de verklaring blijkt dat met “deze dealer” gedoeld wordt op de persoon die ook op 25 juli 2013 de cocaïne kwam brengen toen hij aan vissen was met getuige [getuige 1] en zijn broer[getuige 3]. Daardoor staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat niemand anders kan worden bedoeld met “deze dealer” dan verdachte.

Dat getuige [getuige 4] verdachte bedoelt als zij verklaart al 3 jaar cocaïne te kopen van een dealer staat eveneens vast nu, zoals hiervoor is aangegeven, zij ten behoeve van de aankoop van de cocaïne het telefoonnummer belt van de Nokia telefoon die bij verdachte in beslag is genomen en getuige [getuige 4] een beschrijving geeft van degene die de drugs aflevert, welke beschrijving overeenkomt met verdachte.

Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet de gehele onder het primair ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard. Een exacte datum waarop verdachte is begonnen met handelen in cocaïne valt niet vast te stellen, maar uitgaande van de hiervoor vermelde verklaringen van getuigen [getuige 1], ([getuige 2] en [getuige 4] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in ieder geval vanaf 25 januari 2012 cocaïne heeft verkocht.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen - in onderling verband en samenhang beschouwd - is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 25 januari 2012 tot en met 25 juli 2013 in cocaïne heeft gehandeld, zoals onder 1 primair ten laste is gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 25 januari 2012 tot en met 25 juli 2013 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

primair: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van

de Opiumwet gegeven verbod.

7 De strafbaarheid

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 De strafoplegging

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering in het advies van 25 september 2013.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank daaraan toekomt, een

onvoorwaardelijke gevangenisstrafstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 1,5 jaar schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Verdachte is hierdoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

  • -

    een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 augustus 2013, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten;

  • -

    een reclasseringsrapport van Reclassering Nederland, waarin reclasseringsmedewerker mevrouw H.S. Wiebe adviseert om, indien een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd, hieraan de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen: een meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie, een behandelverplichting en een locatiegebod (met toezicht door middel van een elektronisch controlemiddel).

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel
63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 15 februari 2013 door de politierechter in deze rechtbank is veroordeeld en nu wordt schuldig verklaard aan een misdrijf dat deels voor de hierboven genoemde datum is gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend is. De rechtbank zal een deel hiervan, te weten 7 maanden, voorwaardelijk opleggen en hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Deze voorwaardelijke straf dient te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten en maakt voorts de verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid voor de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden, zoals de officier van justitie heeft gevorderd. Op grond van het bepaalde in artikel 14e Wetboek van Strafrecht kan tot dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden worden besloten, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of een gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Gelet op de aard van de onderhavige zaak is niet aan dat criterium voldaan.

9 Het beslag

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 238,00 (zegge tweehonderdachtendertig euro) en onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen drugs.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Verklaart verbeurd: het geldbedrag ad € 238,00 en onttrekt aan het verkeer de 14 ponypacks cocaïne.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

primair: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 7 (zeven) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Veroordeelde moet zich, na onherroepelijk worden van dit vonnis, binnen zeven dagen nadat hij de detentie inrichting mag verlaten melden bij Reclassering Nederland te Utrecht (Vivaldiplantsoen 200 te (3533 JE) Utrecht). Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelde wordt verplicht om, nadat hij de detentie inrichting mag verlaten, deel te nemen aan de gedragsinterventie GI-RN Arbeidsvaardigheden (ArVa), aangeboden door de reclassering of soortgelijke instelling waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven.

Veroordeelde wordt verplicht om zich, nadat hij de detentie inrichting mag verlaten, onder behandeling stellen voor zijn beperkte coping bij (Forensische) psychiatrie – Ambulante behandeling gericht op partnergeweld of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Veroordeelde moet gedurende een periode van zes (6) maanden nadat hij de detentie inrichting mag verlaten op de door de reclassering te bepalen dagen en tijdstippen aanwezig te zijn op de volgende locatie: Edelsteen 186 te (3991 SV) Houten. De reclassering kan de tijden en de locatie aanpassen. Het locatiegebod kan worden gecontroleerd door middel van een elektronische enkelband.

Geeft aan de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd: een geldbedrag van € 238,00 (zegge tweehonderdachtendertig euro).

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 14 ponypacks cocaïne.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman , voorzitter, mrs. A. van Maanen en
N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 oktober 2013.

mr. D.A. Groenevelt-Timmer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2011 tot en met 25 juli 2013 te Houten en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 19 ponypacks, in elk geval een (grote) hoeveelheid, cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om het proces-verbaal van de Politie Utrecht, met nummer PL0960-2013167065, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 oktober 2013.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 25 juli 2013, pagina 52.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juli 2013, pagina 41

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 25 juli 2013, pagina 55

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 1 augustus 2013, pagina 85