Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5174

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_3763
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Wet Bibob, horecawetvergunning, exploitatievergunning, terrasvergunning, intrekking, RIEC-advies, handelen in heroïne/cocaine, witwassen, criminal charge.

Wetsartikelen: artikel 6 van het EVRM, artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2.28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2013 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, artikel 31 van de Drank- en Horecawet en artikel 3 de Wet Bibob.

Samenvatting:

Dat het LLB geen advies heeft gegeven, betekent dan ook niet dat verweerder ten onrechte is afgaan op het RIEC-advies. Verweerder mocht naar het RIEC-advies verwijzen waar het gaat om onderzoek naar het voor de toepassing van de Wet Bibob relevante feitencomplex. Verweerder dient vervolgens wel te motiveren of dit feitencomplex de kwalificatie ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob rechtvaardigt, hetgeen verweerder bij het bestreden besluit ook heeft gedaan.

Gelet op de omstandigheid dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is geworden dat het geld waarmee verzoeker op 17 april 2012 is aangetroffen mogelijkerwijs uit misdrijf afkomstig is en verzoeker daardoor in verband kan worden gebracht met witwassen, in combinatie met het feit dat de broer van verzoeker meermalen is veroordeeld voor handel in drugs en verzoeker tot deze door zijn broer in het verleden gepleegde delicten in relatie staat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat verzoeker in relatie staat tot strafbare feiten die verband houden met witwassen en handel in drugs. Verweerder kon de intrekking van de vergunningen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob baseren. Verweerder kon de intrekking van de vergunningen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter eveneens op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob baseren.

Dat wat verzoeker heeft betoogd over artikel 6 van het EVRM is niet zodanig overtuigend dat op voorhand al moet worden geconcludeerd dat er geen tijfel over mogelijk is dat de vaste jurisprudentielijn van de ABRvS geen stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/3763

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, h.o.d.n. [pizzeria] te [vestigingsplaats],

(gemachtigde: mr. I.P. Sigmond),

en

de burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder

(gemachtigden: mr. M.C. Muus en mr. A.C.M. Kusters, werkzaam bij advocaten & notariaat van Benthem & Keulen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan verzoeker ten behoeve van het horecabedrijf [pizzeria] (hierna: de pizzeria ) verleende drank- en horecawetvergunning, exploitatievergunning en terrasvergunning met ingang van vier weken na de dag van verzending van het bestreden besluit ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2013. Verzoeker is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze zaak het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat de vergunningen weliswaar ten tijde van het indienen van de voorlopige voorziening waren ingetrokken en de pizzeria was gesloten, maar dat gelet op het economisch belang dat verzoeker heeft bij schorsing van de werking van dit besluit niet kan worden gezegd dat elk spoedeisend belang ontbreekt. Daarom moet aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en een belangenafweging worden beoordeeld of er voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

4.

Op 17 april 2012 is verzoeker aangehouden in een auto. De politie Utrecht heeft in de auto een zakje met vermoedelijke cocaïne en/of amfetamine en papiergeld ter waarde van in het totaal € 20.300,- en £ 280,- aangetroffen.

5.

Naar aanleiding van informatie van de regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van de regiopolitie Utrecht op 17 april 2012 over een eerder binnengekomen tip heeft verweerder in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) een advies gevraagd van het van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC). Het RIEC heeft op 21 januari 2013 aan verweerder geadviseerd de verleende vergunningen in te trekken, omdat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

6.

Het RIEC-advies is voor verweerder aanleiding geweest verzoeker bij brief van 26 februari 2013 in kennis te stellen van zijn voornemen de aan verzoeker verleende drank- en horecavergunning, de terrasvergunning en de exploitatievergunning in te trekken.

7.

Verzoeker is hierbij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze tegen het voornemen kenbaar te maken. Nadat verzoeker bij brief 6 maart 2013 zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

8.

Op grond van artikel 2.28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2013 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (de APV 2013) is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

9.

Op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Op grond van artikel 31, derde lid, aanhef en onder a, van de DHW kan een vergunning worden ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob en kan, doordat daaraan toepassing wordt gegeven, het Bureau Bibob door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

10.

In artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob is bepaald dat bestuursorganen, voor zover zij

bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, een gegeven beschikking kunnen intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om (a) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (b) strafbare feiten te plegen.

In het tweede en derde lid van dit artikel is bepaald dat de mate van gevaar als hiervoor genoemd, wordt vastgesteld op basis van (a) feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, (b) ingeval van vermoeden de ernst daarvan, (c) de aard van de relatie en (d) de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen dan wel het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Op grond van het derde lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven.

In het vierde lid is bepaald dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. (…) of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

11.

Verweerder heeft de drank- en horecavergunning ingetrokken op grond van artikel 31, derde lid, aanhef en onder a, van de DHW in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob. Verweerder heeft de terras- en exploitatievergunning ingetrokken op grond van artikel 2.28, eerste lid, van de APV 2013 in samenhang met de artikel 7, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob.



12. Bij de vraag of er aanleiding bestaat om bij wijze van een voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeker behandeld wordt als ware hij in het bezit van de ingetrokken vergunningen, betrekt de voorzieningenrechter dat voor het treffen van een dergelijke verstrekkende voorziening slecht plaats is indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat verweerder bij de te nemen beslissing op bezwaar tot de conclusie zou komen dat de vergunningen niet hadden mogen worden ingetrokken. In dat kader wordt als volgt overwogen.

13.

Verzoeker voert aan dat het RIEC-advies geen deskundigenadvies is als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat verweerder hier niet zonder nadere motivering en onderzoek op af mag gaan zoals dat het geval is bij een advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Volgens verzoeker is verweerder kennelijk van mening dat dit advies niet waterdicht is, omdat verweerder in de bezwaarfase alsnog een advies van het LBB heeft opgevraagd.

14.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR2279) overweegt de voorzieningenrechter dat bestuursorganen in het algemeen onvoldoende zijn toegerust om onderzoek te doen naar het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, aangezien zij geen toegang hebben tot de justitiële en fiscale registers en andere gesloten bronnen waartoe het LBB toegang heeft. Deze omstandigheid brengt met zich dat het in veel gevallen in de rede zal liggen dat een bestuursorgaan het LBB om advies vraagt indien het bestuursorgaan het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob vermoedt. Het bestuursorgaan is daartoe echter niet verplicht. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om te volstaan met een eigen onderzoek of om een andere adviseur dan het LBB in te schakelen teneinde bepaalde onderdelen van het voor de toepassing van de Wet Bibob relevante feitencomplex te onderzoeken. Op basis van het Convenant RIEC Midden Nederland (MN) is geregeld dat het RIEC kan beschikken over gesloten broninformatie van de diverse partners die aangesloten zijn bij het samenwerkingsverband RIEC MN.

15.

Dat het LLB geen advies heeft gegeven, betekent dan ook niet dat verweerder ten onrechte is afgaan op het RIEC-advies. Verweerder mocht naar het RIEC-advies verwijzen waar het gaat om onderzoek naar het voor de toepassing van de Wet Bibob relevante feitencomplex. Verweerder dient vervolgens wel te motiveren of dit feitencomplex de kwalificatie ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob rechtvaardigt, hetgeen verweerder bij het bestreden besluit ook heeft gedaan. De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of deze motivatie voldoende draagkrachtig is.

16.

Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat er geen sprake is van witwasserij en het plegen van Opiumwetdelicten in zijn pizzeria. Verzoeker heeft een blanco strafblad. Er is volgens verzoeker geen aanleiding voor de conclusie dat hij in drugshandel zit. Daarvoor geeft het strafrechtelijke dossier geen aanknopingspunten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2012, welke in het door verzoeker overgelegde strafdossier zit, volgt dat op 17 april 2012 tijdens een doorzoeking naar verdovende middelen in de pizzeria geen drugs zijn aangetroffen. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor witwassen. Het geld dat is aangetroffen is volgens hem voor een groot deel afkomstig van spaargeld. Een bedrag van € 2.000,- heeft verzoeker, naar zijn zeggen, geleend van een bevriende coffeeshophouder. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat geen sprake is van een samenwerkingsverband tussen hem en zijn broer, nu op geen enkele wijze is gebleken dat zij samenwerken. De samenwerking in de vorm van een vennootschap onder firma is juist verbroken vanwege de drugsverslaving van zijn broer.

17.

Bij de beantwoording van de vraag of de strafbare feiten bij de beoordeling van het gevaar mogen worden betrokken, is niet vereist dat de dader van die strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld dan wel is vervolgd. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 8 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892) geoordeeld dat het aannemelijk moet zijn dat de strafbare feiten zijn gepleegd, willen die feiten betrokken kunnen worden in de beoordeling.

18.

Over de vraag of verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat ernstig gevaar bestaat dat de verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt voor het benutten van op geld waardeerbare voordelen uit gepleegde strafbare feiten of voor het plegen van strafbare feiten, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder terecht waarde heeft gehecht aan de omstandigheid dat in de auto waarin verzoeker reed een bedrag van € 20.300,-, waaronder 30 biljetten van € 500,- in een sigarettenpakje, en £ 280,- is aangetroffen. Verzoeker heeft erkend dat dit bedrag van hem is en uit het proces-verbaal verhoor verdachte van 17 april 2012 volgt dat hij heeft verklaard dat hij € 2.000,- van dit bedrag heeft geleend van een vriend en dat de rest van dit bedrag uit de pizzeria afkomstig is. Omdat klanten van een pizzeria doorgaans niet met biljetten van € 500,-, betalen en biljetten van € 500,- in het legale economische verkeer ongebruikelijke coupures zijn, lag het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verzoeker om de herkomst en bestemming van dit geld te verklaren. Verzoeker is hierin naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans (nog) niet geslaagd. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekers verklaring dat een groot gedeelte van het aangetroffen geld uit de pizzeria afkomstig is niet valt te rijmen met de omstandigheid dat de pizzeria zich ten tijde van verzoekers aanhouding op 17 april 2012 in staat van faillissement bevond. Uit de door verzoeker overgelegde concept jaarrekening 2012 van de pizzeria blijkt niet dat verzoeker op korte termijn over (een groot gedeelte) van genoemd bedrag uit de pizzeria kon beschikken. Evenmin heeft hij aangetoond dat hij dit bedrag anderszins bij elkaar kon sparen. Dat verzoeker geld uit zijn pizzeria in coupures van € 500,-, zou hebben omgewisseld bij de bank, omdat hij het geld dan makkelijker kan vervoeren, zoals hij ter zitting heeft verklaard, heeft hij niet aannemelijk gemaakt door bijvoorbeeld een bon of verklaring van de bank te overleggen waaruit dit blijkt. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van de curator, dat hij een afspraak had met zijn curator om € 20.000,- aan hem te overhandigen. Verzoeker heeft dan ook (nog) geen aannemelijke verklaring gegeven voor een legale bron van herkomst en bestemming van het aangetroffen geld en ook anderszins is dat niet gebleken. Gelet op die situatie, in combinatie met het feit dat het aangetroffen geld in overwegende mate uit, in het legale economische verkeer ongebruikelijke, coupures van € 500,- bestond, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat het geld uit misdrijf afkomstig is en dat er werd voldaan aan zogeheten witwas typologieën .

19.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er voldoende grond is voor het ernstige vermoeden dat het geld dat verzoeker bij zich had afkomstig is uit handel in drugs. Dit vermoeden heeft verweerder onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat de broer van verzoeker in verband is te brengen met Opiumwetdelicten. Zo is hij op 16 september 2004 en op 18 maart 2010 door de politierechter te Utrecht, op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, veroordeeld voor het handelen in heroïne/cocaïne. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, naast het bestaan van een familieband tussen verzoeker en zijn broer, verzoeker ook in een zakelijk en samenwerkingsverband tot zijn broer staat en om die reden in relatie staat tot de door zijn broer gepleegde strafbare feiten. Volgens verweerder blijkt dat samenwerkingsverband uit de omstandigheden dat zijn broer voormalig vennoot is van verzoeker en dat hij in de keuken van de pizzeria werkt.

20.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de bevindingen van het RIEC dat verzoekers broer is veroordeeld voor het handelen in heroïne/cocaïne niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook kunnen uitgaan van de in het RIEC-advies genoemde strafbare feiten, die door verzoekers broer op 16 september 2004 en 18 maart 2010 zijn gepleegd, verband houden met Opiumwetdelicten, meer in het bijzonder handel in drugs.

21.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat verzoeker in relatie staat tot de door zijn broer gepleegde strafbare feiten. Gezien artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob staat de betrokkene onder meer in relatie tot door een andere persoon gepleegde strafbare feiten, indien deze persoon direct of indirect leiding heeft gegeven of zeggenschap heeft gehad over de betrokken onderneming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat vast dat verzoekers broer in het verleden vennoot van de pizzeria is geweest. Verzoeker en zijn broer zijn immers vanaf 1 januari 2006 samen vennoten geweest van de pizzeria. Vast staat dat vanaf het moment dat verzoekers broer geen vennoot meer is van de pizzeria en de pizzeria een eenmanszaak van verzoeker is geworden, in de keuken van de pizzeria werkt. Gelet hierop kan worden geoordeeld dat verzoeker in relatie staat tot de door zijn broer gepleegde strafbare feiten in de zin van de Wet Bibob, welke feiten verband houden met handel in drugs, gepleegd in de periode dat verzoekers broer betrokken was bij de pizzeria. Verder bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor ten aanzien van verzoekers broer uiteengezet, niet als ernstig heeft kunnen aanmerken.

22.

Gelet op de omstandigheid dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is geworden dat het geld waarmee verzoeker op 17 april 2012 is aangetroffen mogelijkerwijs uit misdrijf afkomstig is en verzoeker daardoor in verband kan worden gebracht met witwassen, in combinatie met het feit dat de broer van verzoeker meermalen is veroordeeld voor handel in drugs en verzoeker tot deze door zijn broer in het verleden gepleegde delicten in relatie staat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat verzoeker in relatie staat tot strafbare feiten die verband houden met witwassen en handel in drugs. Aangezien dergelijke delicten er naar hun aard op gericht zijn om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aan verzoeker verleende vergunningen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Verweerder kon de intrekking van de vergunningen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob baseren.

23.

Dat bij de doorzoeking in de pizzeria op 17 april 2012 geen drugs of aanknopingpunten voor witwassen zijn aangetroffen laat het voorgaande onverlet. Niet is vereist dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden binnen de pizzeria zelf. Noodzakelijk is dat aannemelijk is dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden en dat de pizzeria van verzoeker in relatie staat tot de pleger van deze strafbare feiten. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van de ABRvS van 9 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW5278). Indien de aanvrager of houder van een beschikking in relatie staat tot strafbare feiten die losstaan van activiteiten als die waarop de beschikking betrekking heeft, maar die geld opleveren of opgeleverd hebben dat met gebruik van de beschikking witgewassen kan worden, kan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob worden toegepast om dit te voorkomen. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van de ABRvS van 20 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR2279).

24.

Onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de ABRvS van 20 juli 2011 overweegt de voorzieningenrechter voorts het volgende. Indien het aannemelijk is dat zich witwaspraktijken zullen voordoen waartoe de aanvrager of houder van een beschikking in relatie staat en welke verband houden met activiteiten als die waarop de beschikking betrekking heeft, kan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob worden toegepast om witwaspraktijken te voorkomen. Degene die gebruik maakt van op geld waardebare voordelen die uit gepleegde strafbare feiten zijn verkregen, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze voordelen van criminele herkomst zijn, pleegt, gezien de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, het strafbare feit wiswassen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder er van mogen uitgaan dat verzoeker in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd met betrekking tot de activiteit waarvoor vergunningen zijn verleend. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat de in de beoordeling betrokken gepleegde strafbare feiten Opiumwetdelicten betreffen en dat er voldoende samenhang bestaat tussen de exploitatie van een horeca-onderneming en de strafbare feiten waarmee verzoeker in verband wordt gebracht. De betrokken branche, horeca, is naar zijn aard faciliterend voor de handel in drugs.

Derhalve mocht verweerder zich ook op het standpunt stellen dat gevaar bestaat dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen. Gezien alle omstandigheden heeft verweerder deze gevaren als ernstig kunnen beschouwen. Verweerder kon de intrekking van de vergunningen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook eveneens op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob baseren.

25

De omstandigheid dat de intrekking van de vergunningen grote (financiële) gevolgen heeft voor verzoeker, maakt de intrekking niet onevenredig. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het belang dat is gediend met de intrekking van de vergunningen zwaarder kunnen laten wegen dan het individuele belang van verzoeker om de pizzeria te kunnen blijven exploiteren. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat het financieel belang bij de exploitatie van de inrichting niet opweegt tegen de handhaving van de openbare orde door te voorkomen dat de vergunningen worden gebruikt om voordelen die zijn verkregen uit gepleegde strafbare feiten te benutten. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vergunningen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob in te trekken.

26

Verzoeker voert vervolgens aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens hem is sprake van een ‘criminal charge’ jegens verzoeker en staat de onschuldpresumptie in deze procedure gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) vast. Volgens verzoeker beperkt verweerder zich ten onrechte niet tot het aannemen van een ‘state of the art suspicion’ maar tot een ‘finding of guilt’ met betrekking tot de ‘criminal charge’. Verzoeker acht het oordeel van de ABRvS dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet zou doorwerken in de bestuurlijke procedure onjuist. Verzoeker wijst op de uitspraken van de ABRvS van 9 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2013:BW5278 en ECLI:NL:RVS:2013:BW5279) en 20 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1695). Volgens verzoeker miskent de ABRvS dat uit het arrest van het EHRM van 27 september 2011, nr. 23272/07 (Hrdalo tegen Kroatie), volgt dat de onschuldpresumptie doorwerkt in de bestuursrechtelijke procedure. De uitleg die de ABRvS geef aan het arrest van 20 maart 2012, nr. 18450/07 (Bingol tegen Nederland) acht verzoeker onjuist en onvolledig, nu het EHRM in die zaak zelf constateert dat de klacht en motivering toezag op de vraag of toepassing van de Wet Bibob zelf een ‘criminal charge’ impliceert. Voorts ging het in die zaak om onherroepelijke veroordelingen, aldus verzoeker. Volgens verzoeker is dit geval beter vergelijkbaar met de situatie in het arrest van het EHRM van 12 april 2011, nr. 34388/05 (Celik/Turkije), nu in dat geval het bestuursorgaan weigerde een vergunning te geven op de grond dat uit de niet afgedane strafzaak was gebleken dat zij lid was een terroristische organisatie. Volgens verzoeker werkt de bestuurlijke procedure in dit geval door omdat het ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob wordt ingevuld met feiten die op identieke wijze ten grondslag liggen aan een lopende ‘criminal charge’, te weten de nog lopende strafprocedure. Volgens verzoeker is verweerder rigoureus overgegaan tot intrekking van de vergunning en dreiging met bestuursdwang. Verweerder had de uitkomst van de strafprocedure moeten afwachten alvorens het begrip ernstig gevaar in te vullen. De basis van het invullen van het begrip ernstig gevaar is door verweerder beoordeeld met de beantwoording van de vraag of betrokkene een strafbaar feit heeft gepleegd, althans of dit aannemelijk moet worden geacht. In dit geval acht verweerder het immers aannemelijk dat verzoeker een Opiumwetdelict heeft gepleegd en opbrengsten daaruit heeft witgewassen. Dit standpunt legt een duidelijk verband met de lopende ‘criminal charge’ en maakt dat de onschuldpresumptie doorwerkt. Verweerders woordgebruik brengt dan ook een schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM met zich mee. Voorts volgt volgens verzoeker uit de arresten van het EHRM van 19 juni 2012, nr. 36937/06 (Hajnal tegen Servië), en 18 december 2008, nr. 43529/07 (Nerattini tegen Grienkenland), dat de argumentatie van de ABRvS dat een lopende ‘criminal charge’ ook mag worden aangemerkt als relevant antecedent onjuist is. Ter zitting heeft verzoeker gewezen op het arrest van het EHRM van 12 juli 2013, nr. 25424/09 (Allen tegen het Verenigd Koninkrijk), waar het ging om een strafzaak die niet is geëindigd in een veroordeling. Ook uit dit arrest volgt volgens verzoeker dat de onschuldpresumptie doorwerkt.

27.

Volgens vaste jurisprudentie, de voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van de ABRvS van 16 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2009:BD7378) en 27 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7372) en de door verzoeker aangehaalde uitspraken, geldt artikel 6, tweede lid, van het EVRM alleen voor strafrechtelijke of daarmee vergelijkbare procedures. De weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob valt buiten het kader van die bepaling, reeds omdat een daartoe strekkend besluit er niet toe strekt de schuld van een persoon aan een strafbaar feit vast te stellen. Het inroepen van de in artikel 3 van de Wet Bibob neergelegde grond heeft tot doel te voorkomen dat overheidsorganen onbewust en ongewild door vergunningen te verlenen, subsidie te geven of een overheidsopdracht te gunnen, criminele activiteiten faciliteren. De intrekking heeft niet tot strekking leed toe te voegen om langs die weg normconform gedrag te bewerkstelligen. Derhalve is geen sprake van een strafsanctie of een ‘criminal charge’ en speelt de onschuldpresumptie in dit geschil geen rol.

28.

Ten aanzien van het argument van verzoeker dat de bestaande jurisprudentie van ABRvS over artikel 6 van het EVRM niet in stand kan blijven en de intrekking van de vergunningen moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter dat een voorlopige voorziening hangende bezwaar zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van de juistheid van vaste jurisprudentie. Dat wat verzoeker heeft betoogd over artikel 6 van het EVRM is niet zodanig overtuigend dat op voorhand al moet worden geconcludeerd dat er geen tijfel over mogelijk is dat de vaste jurisprudentielijn van de ABRvS geen stand kan houden. De voorzieningenrechter verwijst dan ook naar vaste jurisprudentie van de ABRvS op dit punt.

29.

Gelet op al het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het betreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Aan de kant van verweerder speelt het voorkomen dat de vergunningen worden gebruikt om voordelen die zijn verkregen uit gepleegde strafbare feiten te benutten een rol om geen schorsende werking te geven aan het besluit. Daar staat voor verzoeker tegenover haar wens om door te gaan met de exploitatie van zijn pizzeria en de financiële belangen die hij daarbij heeft. De voorzieningenrechter ziet, vooral in het licht van het hiervoor gegeven rechtmatigheidsoordeel, in de belangen van verzoeker geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen of een andere voorlopige voorziening te treffen. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.