Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5009

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
C-16-304297 - HA ZA 11-648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke ontbinding aanneemovereenkomst voor het tijdstip van oplevering, op grond van artikel 6:265 BW in verbinding met artikel 6:80 lid 1 sub b BW (anticipatory breach).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/304297 / HA ZA 11-648

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. H.J. Schaatsbergen te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Drolsbach te Badhoevedorp.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 augustus 2012

  • -

    het deskundigenbericht van 6 juni 2013

  • -

    de conclusie na deskundigenonderzoek van [gedaagde] tevens akte houdende wijziging van eis in reconventie

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eisers] c.s. van 14 augustus 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

2.1.

[eisers] c.s. heeft in 2010 werkzaamheden verricht aan het pand van [gedaagde] aan de[adres] in Amersfoort (hierna: het pand). Met betrekking tot die werkzaamheden heeft [eisers] c.s. in totaal € 74.046,56 inclusief BTW in rekening gebracht aan [gedaagde]. In verband daarmee heeft [gedaagde] € 60.000,- aan [eisers] c.s. betaald. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis van 18 januari 2012 heeft vastgesteld, heeft [gedaagde] dus een bedrag van € 14.046,56 onbetaald gelaten. In verband met het beroep in conventie en reconventie van [gedaagde] op ontbinding van de overeenkomst vanwege gebreken in het werk en in verband met de overige vorderingen in reconventie (zoals die luidden voor de eiswijziging van 17 juli 2013, zie hierna) heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 15 augustus 2012 de heer [A], werkzaam bij BDA Dakadvies BV te Dordrecht tot deskundige benoemd (hierna: de deskundige). De deskundige heeft vervolgens een rapport opgesteld, gedateerd 6 juni 2013 (hierna: het rapport van de deskundige), waarna [eisers] c.s. en [gedaagde] op de inhoud en de conclusies van de deskundige hebben gereageerd in hun conclusies na deskundigenbericht.

2.2.

Na kennisname van het rapport van de deskundige heeft [gedaagde] haar eis in reconventie gewijzigd. Thans vordert zij, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- de overeenkomst tussen partijen van 6 april 2009 tot het verrichten van werkzaamheden aan het pand gedeeltelijk ontbindt, althans voor recht verklaart dat deze gedeeltelijk is ontbonden

- voor recht verklaart dat [eisers] c.s. (deels) tekort is geschoten in de nakoming van de (deels) ontbonden overeenkomst tussen partijen van 6 april 2009 en dat [gedaagde] niet meer of anders van [eisers] c.s. te vorderen heeft dan € 541,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2010 en € 81,18 aan buitengerechtelijke kosten

- het conservatoire beslag opheft dat op 9 maart 2011 op verzoek van [eisers] c.s. onder Infinitus Zorg BV is gelegd, indien en voor zover dat beslag doel getroffen heeft

- [eisers] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, de kosten van het deskundigenbericht en de kosten van de op verzoek van [gedaagde] ten laste van [eisers] c.s. gelegde conservatoire beslagen daaronder begrepen.

2.3.

Naar aanleiding van de eis in reconventie tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst betoogt [eisers] c.s. dat die vordering niet kan slagen en dat ook het beroep op gedeeltelijke ontbinding bij wijze van verweer in conventie geen effect kan sorteren. In verband daarmee voert [eisers] c.s. aan dat de omstandigheid dat de rechtbank in het tussenvonnis van 18 januari 2012 heeft beslist dat geen oplevering heeft plaatsgevonden impliceert dat een gedeeltelijke ontbinding van de aanneemovereenkomst niet kan worden ingeroepen. Dit volgt volgens [eisers] c.s. uit het eerste lid van artikel 7:756 BW, welke bepaling volgens haar een (gedeeltelijke) ontbinding alleen toelaat wanneer vóór de vastgestelde tijd van oplevering (in dit geval eind april 2010) waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Dit verweer faalt, ook voor zover [eisers] c.s. bedoelt dat ontbinding voor het overige alleen mogelijk is ná oplevering. Dit wordt hierna toegelicht.

2.4.

Artikel 7:756 BW geeft voor de aanneemovereenkomst slechts een uitbreiding van artikel 6:265 BW in verbinding met artikel 6:80 BW. De regels van boek 6 BW, waaronder artikel 6:80 BW en artikel 6:265 BW en verder, zijn ook van toepassing op de aanneemovereenkomst, zoals bijvoorbeeld blijkt uit artikel 7:761 lid 4 BW.

2.5.

[gedaagde] heeft in december 2010 aan [eisers] c.s. te kennen gegeven dat aan het door hem verrichte werk gebreken kleefden (zie het tussenvonnis van 18 januari 2012, 4.12). Volgens [gedaagde] heeft de heer[B] van Projectbureau Ockenburgh op

13 januari 2011 in opdracht van [gedaagde] een bouwkundige inspectie gedaan en de heer [eisers] uitgenodigd om die inspectie gezamenlijk uit te voeren, waartoe de heer [eisers] niet bereid was omdat hij eerst de openstaande factuur betaald wilde krijgen (zie de akte vermeerdering van eis van [gedaagde] van 10 november 2011, 2.1). [eisers] c.s. heeft deze stelling niet weersproken, zodat deze vast staat. Voorts voert [gedaagde] aan dat zijn raadsman per fax van 18 juli 2011 aan de raadsman van [eisers] c.s. heeft meegedeeld dat de huurder van het pand ernstige lekkageklachten had gemeld, dat die lekkages toe te schrijven waren aan ondeugdelijke uitvoering van het werk door [eisers] c.s. en dat de heer [eisers] toen niet wilde komen kijken omdat de lekkageklachten volgens hem onvoldoende concreet beschreven waren (zie de akte vermeerdering van eis van [gedaagde] van 10 november 2011, 2.2). [eisers] c.s. heeft ook deze stelling niet betwist. Kennelijk naar aanleiding van de verklaring van [gedaagde] ter comparitie van 10 november 2011, dat zij [eisers] c.s. de kans heeft gegeven de gebreken te herstellen maar dat hij niet eens wilde komen kijken, heeft de heer [eisers] tijdens die zitting verklaard dat [gedaagde] wel had aangegeven dat er gebreken waren, maar dat dat zo vaag was, dat hij daar niets mee kon.

2.6.

Uit de hiervoor in 2.5 beschreven omstandigheden, mede gezien de gebreken die de rechtbank hierna als vaststaand beoordeelt, heeft [gedaagde] kunnen afleiden dat [eisers] c.s. tekort zou schieten in de nakoming van de op hem rustende verplichting de werkzaamheden zodanig uit te voeren dat deugdelijk kon worden opgeleverd. Ingevolge artikel 6:80 lid 1 onder b BW was [gedaagde] dan ook bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk buitengerechtelijk te ontbinden. [gedaagde] heeft schriftelijk aan [eisers] c.s. meegedeeld de overeenkomst per 21 september 2011 te ontbinden, waarmee zij destijds doelde op een gehele ontbinding. Gelet op haar eiswijziging wenst [gedaagde] er thans echter van uit te gaan dat de overeenkomst tussen partijen per die datum slechts gedeeltelijk is ontbonden. Dat staat haar vrij, nu [eisers] c.s. hierdoor niet wordt benadeeld. Bij de beantwoording van de vraag voor welk deel de overeenkomst tussen partijen per 21 september 2011 is ontbonden, in zoverre dat [gedaagde] gedeeltelijk van haar verplichting tot betaling is bevrijd, betrekt de rechtbank het rapport van de deskundige in haar beoordeling.

2.7.

De deskundige heeft een aantal gebreken geconstateerd die volgens hem een gevolg zijn van de werkzaamheden van [eisers] c.s. en die volgens hem moeten worden hersteld. De kosten van herstel zijn door de deskundige begroot op € 9.944,- exclusief BTW. De waarde van het door [eisers] c.s. uitgevoerde werk is als gevolg van de later uitgevoerde renovatiewerkzaamheden niet meer aan te geven maar het is volgens de deskundige redelijk de tussen partijen overeengekomen prijs te verminderen met de herstelkosten. [gedaagde] onderschrijft de conclusies van de deskundige. [eisers] c.s. maakt gemotiveerd bezwaar tegen die conclusies.

2.8.

Het werk van de deskundige is bemoeilijkt doordat [gedaagde], nadat [eisers] c.s. haar werkzaamheden had afgerond maar voordat de deskundige een aanvang met zijn onderzoek heeft gemaakt, het pand door een derde opnieuw heeft laten renoveren. Als gevolg daarvan heeft de deskundige een belangrijk deel van zijn conclusies gebaseerd op het rapport van Monumentenwacht van 15 september 2011. Aangezien Monumentenwacht blijkens dat rapport het pand door twee van haar werknemers grondig heeft laten inspecteren met het oog op advies over mogelijk herstel van het pand en zij haar bevindingen uitvoerig heeft onderbouwd in een rapport van 46 pagina's, waarvan 21 pagina's met foto’s die zijn voorzien van commentaar, acht de rechtbank deze werkwijze van de deskundige begrijpelijk en toelaatbaar. Gelet hierop zal aan de hand van de bevindingen van de deskundige worden nagegaan voor welk deel ontbinding toelaatbaar is. Daarbij zal de rechtbank voor zover nodig ingaan op de argumenten die [eisers] c.s. tegen de bevindingen van de deskundige aanvoert.

Goot linkerzijde

2.9.

De deskundige heeft geconstateerd dat de goot aan de linkerzijde aan de dakzijde (kennelijk: de achterkant van de linkerzijde) lager is dan aan de voorkant. Wel is een extra zinken strookje aangebracht maar dat geeft in deze vorm geen verbetering. De goot aan de dakzijde moet volgens hem worden verhoogd. Dat dit niet is gebeurd is een principiële fout. Naar het oordeel van de deskundige bedragen de kosten van herstel € 1.500,-. Volgens [eisers] c.s. behoorde verhoging van die goot niet tot haar opdracht, was haar dat zonder vergunning niet toegestaan en heeft zij geen vergunning willen aanvragen. Voorts voert [eisers] c.s. aan dat wanneer zij die goot wel had verhoogd, de aanneemsom hoger zou zijn uitgevallen.

2.10.

Vast staat dat partijen geen verhoging van de onderhavige goot zijn overeengekomen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de in verband daarmee niet-uitgevoerde werkzaamheden geen onderdeel uitmaken van de door [eisers] c.s. aan [gedaagde] in rekening gebrachte bedragen. [gedaagde] heeft voorts niet aangevoerd dat het extra zinken strookje, waaraan door de deskundige is gerefereerd en dat kennelijk nutteloos is, door [eisers] c.s. is aangebracht en zo ja, welk bedrag [eisers] c.s. daarvoor in rekening heeft gebracht. Of dat zinken strookje door [eisers] c.s. is aangebracht of door de derde die later in opdracht van [gedaagde] renovatiewerkzaamheden heeft verricht blijkt ook niet uit het rapport van de deskundige. De rechtbank kan er dan ook niet van uitgaan dat het zinken strookje door [eisers] c.s. is aangebracht. De conclusie moet dan ook luiden dat [eisers] c.s. weliswaar wanprestatie heeft gepleegd door [gedaagde] niet te adviseren de goot te verhogen, maar dat dit niet heeft geleid tot kosten die [eisers] c.s. nodeloos aan [gedaagde] in rekening heeft gebracht.

Zink- en loodaansluitingen bij de dakkapellen

2.11.

Volgens de deskundige zijn de zink- en loodaansluitingen bij de dakkapellen niet professioneel en afdoende door [eisers] c.s. aangebracht. Dit blijkt volgens hem uit het rapport van Monumentenwacht. In verband hiermee verwijst de deskundige met name naar de foto's 47, 48 en 49 in het rapport van Monumentenwacht. De deskundige stelt de herstelkosten op € 1.000,-, op basis van het door [eisers] c.s. voor deze werkzaamheden begrote bedrag. [eisers] c.s. betwist de door Monumentenwacht geconstateerde gebreken niet, maar betoogt dat zij geen schadevergoeding rechtvaardigen ter hoogte van het gehele gedeelte van de aanneemsom dat is overeengekomen voor de onderhavige aansluitingen.

2.12.

Gelet hierop luidt de conclusie dat deze werkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd. [eisers] c.s. heeft zich niet uitgelaten over een bedrag dat volgens haar wel redelijk is ter begroting van de herstelkosten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het, bij gebrek aan een beter aanknopingspunt voor de hier aan de orde zijnde herstelkosten, redelijk is om uit te gaan van het door de deskundige genoemde bedrag van € 1000,-.

Schoorstenen

2.13.

Op het pand stonden oorspronkelijk twee schoorstenen. Partijen zijn aanvankelijk overeengekomen dat het metselwerk van de schoorstenen zou worden hersteld en dat de schoorstenen vervolgens zouden worden geïmpregneerd. Later hebben partijen afgesproken dat [eisers] c.s. een van de schoorstenen moest slopen, hetgeen ook is gebeurd. In het kader van de latere renovatie door een derde is ook tweede schoorsteen gesloopt. De deskundige heeft op basis van de beschrijving in het rapport van Monumentenwacht van de schoorsteen waaraan [eisers] c.s. werkzaamheden heeft verricht geconcludeerd dat [eisers] c.s. aan die schoorsteen weinig of niets heeft gedaan. Volgens de deskundige dient het bedrag dat [eisers] c.s. voor deze werkzaamheden heeft begroot (€ 985,-) in mindering te worden gebracht op de tussen partijen overeengekomen prijs.

2.14.

[eisers] c.s. voert aan dat op de foto op bladzijde 21 van het rapport van Monumentenwacht is te zien dat het metselwerk volledig is gemaakt en dat [eisers] c.s. minstens de helft van de lintvoegen heeft uitgehakt en opnieuw gevoegd. Gelet op de lichtere kleur van een aantal voegen ten opzichte van de anderen zal de rechtbank aannemen dat [eisers] c.s. die werkzaamheden inderdaad heeft uitgevoerd, zodat de conclusie van de deskundige dat [eisers] c.s. aan deze schoorsteen weinig of niets heeft gedaan, niet wordt gevolgd. Dit laat onverlet dat Monumentenwacht heeft geconstateerd dat de bovenste negen lagen van het metselwerk van de schoorsteen los staan door horizontale scheuring van de lintvoegen en dat het metselwerk ook deels verticaal is gescheurd. Monumentenwacht heeft naar aanleiding daarvan het advies gegeven om hetzij de schoorsteen opnieuw te metselen, hetzij deze te slopen als het stookkanaal niet meer wordt gebruikt. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat de werkzaamheden van [eisers] c.s. aan deze schoorsteen niet deugdelijk zijn geweest.

2.15.

[gedaagde] heeft in zijn brief aan de deskundige van 4 juni 2013 naar aanleiding van een conceptrapport gemeld dat [eisers] c.s. voor zijn werkzaamheden aan deze schoorsteen € 550,- in rekening heeft gebracht. Aangezien [eisers] c.s. in haar conclusie na deskundigenbericht niet heeft aangegeven welk bedrag zij voor deze werkzaamheden heeft gefactureerd zal de rechtbank er vanuit gaan dat zij het door [gedaagde] genoemde bedrag van € 550,- in rekening heeft gebracht. De rechtbank begroot ook de herstelkosten op dit bedrag.

Onderdorpels dakkapellen

2.16.

Op basis van het rapport van Monumentenwacht heeft de deskundige geconcludeerd dat de waterkering van de door [eisers] c.s. aangebrachte onderdorpels van de dakkapellen onvoldoende is geweest. Het aanpassen van deze vier onderdorpels kost volgens de deskundige € 1600,-. [eisers] c.s. betwist dit. In verband daarmee voert hij aan dat volgens Monumentenwacht weliswaar bij alle dakkapellen ernstige lekkage optrad, maar dat Monumentenwacht dit niet zelf kan hebben vastgesteld omdat het op de dag van haar inspectie een droge, regenloze dag is geweest.

2.17.

Monumentenwacht heeft geconstateerd dat [eisers] c.s. de bestaande ramen en de onderdorpels van de kozijnen heeft verwijderd en nieuwe, naar binnen draaiende ramen heeft geplaatst met lager geplaatste onderdorpels. Volgens Monumentenwacht zijn de onderdorpels zo laag geplaatst dat deze 3 cm lager zitten dan de vooropstand van de goot en wordt door wind opgestuwd water gemakkelijk tegen het kozijn geblazen (toelichting bij de foto's 46 en 47). De onderdorpels en de raamkozijnen hebben volgens Monumentenwacht nauwelijks een waterkering en regenwater kan gemakkelijk naar binnen worden geblazen. Deze bevindingen kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat als gevolg van de hier aan de orde zijnde werkzaamheden van [eisers] c.s. gemakkelijk lekkages hebben kunnen optreden. Reeds deze omstandigheid is voldoende om te concluderen dat [eisers] c.s. deze werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Het door de deskundige vermelde bedrag van € 1.600,- voor herstel komt de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van verweer ten aanzien van dit bedrag, redelijk voor.

EPDM in plaats van zink

2.18.

Partijen zijn overeengekomen dat de daken van de dakkapellen zouden worden uitgevoerd in zink. De deskundige heeft geconstateerd dat [eisers] c.s. dakbedekkingen van EPDM heeft aangelegd. EPDM is volgens hem weliswaar een goed alternatief, maar is aanzienlijk goedkoper dan zink en over het gebruik van EPDM hebben partijen, voor zover hem bekend, niet gecommuniceerd. Volgens de deskundige heeft [eisers] c.s. ten onrechte het door haar voor deze werkzaamheden begrote bedrag van € 3.250,- aan [gedaagde] in rekening gebracht.

2.19.

[eisers] c.s. voert hiertegen aan dat zij later wel met [gedaagde] heeft afgesproken dat EPDM mocht worden gebruikt en dat dit minderwerk is verrekend met meerwerk op andere onderdelen. In verband hiermee verwijst [eisers] c.s. naar haar brief van 22 mei 2013 aan de deskundige, naar aanleiding van zijn conceptrapport, waarin zij die stelling ook heeft betrokken.

2.20.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Van laatstgenoemde brief is een kopie verzonden aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft enkele weken later, bij brief van

4 juni 2013, gereageerd op het conceptrapport van de deskundige. In die brief staat dat [eisers] c.s. voor de dakkapellen zinken daken heeft becijferd en in rekening heeft gebracht

(€ 3.250,40), maar EPMS heeft geleverd (bedoeld zal zijn: EPMD). Nu [eisers] c.s. ook niet concreet, aan de hand van bijvoorbeeld een factuur, heeft aangegeven met welk meerwerk zij de lagere kosten voor deze werkzaamheden heeft verrekend, moet de conclusie luiden dat [eisers] c.s. haar in 2.18 weergegeven stelling, onvoldoende heeft onderbouwd. Het standpunt van [eisers] c.s., dat het gebruik van EPMD geen gebrek in het werk oplevert, kan haar niet baten. Weliswaar volgt uit het rapport van de deskundige niet dat de dakbedekking als zodanig gebrekkig is, maar doordat in strijd met de afspraak een ander, goedkoper materiaal is gebruikt is wel sprake van een gebrek in de nakoming van de overeengekomen prestatie.

2.21.

Terecht merkt [eisers] c.s. op dat het niet juist is dat, zoals de deskundige voorstelt, het volledige door [eisers] c.s. begrote bedrag in mindering zou moeten worden gebracht op de tussen partijen overeengekomen prijs. De EPDM-dakbedekking is immers niet gebrekkig en aan de levering en montage daarvan zijn ook kosten verbonden. [eisers] c.s. heeft echter niet aangegeven welk bedrag in dit geval voor EPDM in rekening had kunnen worden gebracht. Gelet op de opmerking van de deskundige dat EPDM aanzienlijk goedkoper is dan zink gaat de rechtbank uit van de helft van het door [eisers] c.s. gefactureerde bedrag, dus van

€ 1.625,20.

Luiken

2.22.

Volgens de deskundige sluiten de door [eisers] c.s. aangebrachte luiken niet goed. Het aanpassen van de luiken begroot hij op € 750,-. [eisers] c.s. betoogt dat [gedaagde] pas bij het bezoek van de deskundige aan het pand heeft meegedeeld dat de luiken niet goed sloten omdat ze iets te groot zijn en dat deze klacht toen niet door de deskundige is onderzocht. Volgens [eisers] c.s. is het onbegrijpelijk dat de deskundige een betwiste en niet door hem vastgestelde klacht heeft gehonoreerd. Dit verweer slaagt. Bij 6.4 in zijn rapport heeft de deskundige in zijn reactie op het commentaar van de advocaat van [gedaagde] op zijn conceptrapport vermeld dat de luiken zijn vervangen maar dat deze ‘naar mededeling’ niet sluiten. Hieruit volgt dat de deskundige inderdaad niet zelf heeft vastgesteld dat de luiken niet sluiten, zodat de rechtbank er niet vanuit kan gaan dat [eisers] c.s. deze werkzaamheden ondeugdelijk heeft verricht.

Conclusie

2.23.

Uit het bovenstaande volgt dat [eisers] c.s. haar werkzaamheden ten aanzien van de zink- en loodaansluitingen bij de dakkapellen, de schoorsteen en de onderdorpels van de dakkapellen ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Ten aanzien van de dakbedekking heeft zij ander, goedkoper materiaal (EPDM) toegepast dan afgesproken (zink), terwijl zij daarvoor wel de kosten van zink in rekening heeft gebracht. Deze tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst leveren, beschouwd in hun onderlinge samenhang, voldoende grond op voor gedeeltelijke ontbinding per 21 september 2011, in zoverre dat [gedaagde] gedeeltelijk van haar betalingsverplichting wordt bevrijd. Omdat het redelijk is om hierbij uit te gaan van de herstelkosten begroot de rechtbank dit bedrag op € 5.682,49 inclusief BTW. Dit bedrag is als volgt bepaald:

zink- en loodaansluitingen bij de dakkapellen € 1.000,-

schoorsteen € 550,-

onderdorpels van de dakkapellen € 1.600,-

EPDM in plaats van zink € 1.625,20

Totaal exclusief BTW € 4.775,20

Totaal inclusief BTW (19%) € 5.682,49

2.24.

De in reconventie gevorderde verklaring voor recht, dat de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk ontbonden is zal met inachtneming van laatstgenoemd bedrag worden toegewezen, met de toevoeging van de datum (21 september 2011, zie 2.6). In conventie is de vordering van [eisers] c.s. als gevolg van het geslaagde beroep van [gedaagde] op gedeeltelijke ontbinding toewijsbaar tot een bedrag van € 8.364,07 (€ 14.046,56 –

€ 5.682,49).

2.25.

De reconventionele vordering van [gedaagde] strekkende tot een verklaring voor recht zoals vermeld in 2.2, tweede gedachtestreepje, zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen. Bij een verklaring voor recht dat [eisers] c.s. (deels) tekort is geschoten in de nakoming van de gedeeltelijk ontbonden overeenkomst tussen partijen heeft [gedaagde] immers geen belang, terwijl de hier aan de orde zijnde reconventionele vordering voor het overige niet toegewezen kan worden, gelet op de veroordeling van [gedaagde] in conventie tot betaling van € 8.364,07. Ook de reconventionele vordering tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag dat ten laste van [gedaagde] is gelegd zal worden afgewezen, aangezien [eisers] c.s. bij dat beslag belang kan hebben in verband met de veroordeling in conventie van [gedaagde] tot betaling aan [eisers] c.s.

in conventie voorts

Buitengerechtelijke incassokosten

2.26.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] het standpunt ingenomen dat deze vordering moet worden afgewezen omdat vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet is overeengekomen, en [eisers] c.s. niet meer dan twee sommaties heeft verstuurd. In haar conclusie na deskundigenonderzoek stelt [gedaagde] dat ter zake van de buitengerechtelijke kosten in het beste geval niet meer dan € 81,18 (€ 541,25 x 15%) toewijsbaar is. Gelet op deze formulering gaat de rechtbank er vanuit dat dit standpunt van [gedaagde] subsidiair is ten opzichte van haar bij conclusie van antwoord ingenomen standpunt.

2.27.

Op deze zaak zijn de - op 1 juli 2012 in werking getreden - Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten recht en het bijbehorende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. [eisers] c.s. heeft immers niet (onderbouwd) gesteld dat vergoeding voor buitengerechtelijke kosten met [gedaagde] is overeengekomen en ook niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eisers] c.s. vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Beslagkosten en (overige) proceskosten

2.28.

Uit de omstandigheid dat [eisers] c.s. beslagstukken in het geding heeft gebracht leidt de rechtbank af dat zij een vergoeding voor haar beslagkosten van [gedaagde] wil vorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 430,46 voor verschotten (explootkosten) en € 384,- voor salaris advocaat (beslagrekest).

2.29.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Met betrekking tot de kosten ter zake van het deskundigenbericht zal de rechtbank in reconventie een beslissing nemen (zie hierna). Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers] c.s. op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding €  76,31

- griffierecht 588,00

- salaris advocaat 1.152,00 (3,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal €  1.816,31

in reconventie voorts

2.30.

[gedaagde] vordert [eisers] c.s. te veroordelen tot vergoeding van haar beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen. Het beslag is onnodig gelegd, omdat [gedaagde] naar aanleiding van het deskundigenbericht haar aanvankelijke eis in reconventie tot veroordeling van [eisers] c.s. tot betaling van een bedrag van ruim € 100.000,- heeft verminderd tot nihil en haar eis tot veroordeling van vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, heeft ingetrokken.

2.31.

[eisers] c.s. zal als de deels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van het deskundigenbericht zullen echter worden gecompenseerd, in die zin dat elk van partijen daarvan de helft dient te dragen. Mede naar aanleiding van het deskundigenbericht wordt de vordering van [gedaagde] in reconventie tot gedeeltelijke ontbinding weliswaar toegewezen, maar wordt de vordering van [eisers] c.s. in conventie, gelet op die gedeeltelijke ontbinding, voor meer dan de helft toegewezen. Bovendien heeft [gedaagde], zoals gezegd, naar aanleiding van het deskundigenbericht haar reconventionele eis tot veroordeling tot betaling van ruim

€ 100.000,- verminderd tot nihil en haar eis tot veroordeling van vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, ingetrokken. Aangezien de kosten van het deskundigenbericht ter hoogte van € 6.612,65 bij wijze van voorschot geheel bij [gedaagde] in rekening zijn gebracht, dient [eisers] c.s. de helft daarvan aan [gedaagde] te vergoeden. Met inachtneming van het voorgaande worden de kosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- deskundige 3.306,32

- salaris advocaat 576,00 (3,0 punten × factor 0,5 × tarief € 384,00)

Totaal €  3.882,32

in conventie en in reconventie voorts

2.32.

De rechter die het tussenvonnis van 15 augustus 2012 heeft gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen omdat zij inmiddels een leidinggevende functie heeft in een andere vestiging van de rechtbank Midden-Nederland.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van € 8.364,07 (achtduizenddriehonderdvierenzestig euro en zeven eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 9 december 2010 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 814,46,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op € 1.816,31,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6.

verklaart voor recht dat de tussen partijen op 6 april 2009 gesloten overeenkomst op 21 september 2011 gedeeltelijk is ontbonden, in zoverre dat [gedaagde] voor in totaal

€ 5.682,49 inclusief BTW van haar betalingsverplichting is bevrijd,

3.7.

veroordeelt de vennootschap onder firma Aannemersbedrijf [eisers] en[eiser sub 2] hoofdelijk, in zoverre dat indien de één betaalt, de ander van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.882,32,

3.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de onder 3.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.1

1 type: JvdB4223coll: RS4234