Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5008

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
2027273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Minderjarige. Vernietiging overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2027273 UC EXPL 13-5384 JK4204

Vonnis van 16 oktober 2013

inzake

[eisende partij],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eisende partij],

eisende partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen:

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 juni 2013;

- de brief van 4 september 2013 van[eisende partij] met productie 9 tot en met 13;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Begin april 2000 hebben de ouders van [eisende partij] op zijn naam twee aandelenlease-overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en[contractnummer 2] (hierna: de overeenkomsten) gesloten met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna: Dexia), door middel van tussenkomst van SpaarSelect.

2.2.

[eisende partij] is geboren op[geboortedatum] en was ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten derhalve minderjarig.

2.3.

De ouders van[eisende partij] hebben voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten geen toestemming van de kantonrechter, als bedoeld in artikel 1:345 Burgerlijk Wetboek (BW), gevraagd en verkregen.

2.4.

De overeenkomsten hadden allebei een looptijd van 240 maanden. Ter uitvoering van deze overeenkomsten is in totaal € 17.425,16 aan Dexia vooruitbetaald. Er zijn geen dividenden uitgekeerd.

2.5.

Beide overeenkomsten zijn op 20 januari 2006 geëindigd met een restschuld van

€ 3.377,83.

2.6.

Bij brief van 15 mei 2010 heeft [eisende partij] de overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd op grond van artikel 1:345 BW in verbinding met artikel 1:347 BW.

2.7.

Bij brief van 16 maart 2013 heeft[eisende partij] zich wederom op vernietiging van de overeenkomsten beroepen en Dexia verzocht althans gesommeerd om de op deze overeenkomsten betaalde gelden, vermeerderd met wettelijke rente, binnen veertien dagen nadien terug te betalen en het Bureau Kredietregistratie in Tiel (hierna: het BKR) te informeren dat de overeenkomsten met terugwerkende kracht nietig zijn en geacht moeten worden nimmer te hebben bestaan.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

primair:

  • -

    te verklaren voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd;

  • -

    veroordeling van Dexia tot terugbetaling van al hetgeen door en ten behoeve van [eisende partij] krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente;

subsidiair:

- te verklaren voor recht dat Dexia door schending van haar zorgplichten en van haar mededelingsplicht [eisende partij] op onrechtmatige wijze heeft laten benaderen en heeft bewogen om de overeenkomsten met Dexia aan te gaan en aansprakelijk is voor de volledige als gevolg daarvan door [eisende partij] geleden schade;

- veroordeling van Dexia tot terugbetaling van al hetgeen door en ten behoeve van[eisende partij] krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente;

primair en subsidiair:

  • -

    voorwaardelijk, voor het geval Dexia een kredietregistratie aan het BKR heeft doorgegeven op naam van [eisende partij], veroordeling van Dexia om te bewerkstelligen dat elke registratie op naam van [eisende partij] bij het BKR wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom;

  • -

    veroordeling van Dexia tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    veroordeling van Dexia in de proceskosten.

3.2.

Dexia heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vernietiging

4.1.

[eisende partij] heeft aan zijn primaire vordering ten grondslag gelegd dat zijn ouders op grond van artikel 1:345 BW een machtiging van de kantonrechter behoefden voor het aangaan van de overeenkomsten. [eisende partij] stelt dat hij de overeenkomsten, bij gebreke van deze machtiging, op grond van artikel 1:347 BW rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd. [eisende partij] meent dat daarom al de in het kader van de overeenkomsten verrichte betalingen aan hem dienen te worden gerestitueerd.

4.2.

Dexia heeft erkend dat [eisende partij] de overeenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd. Deze vernietiging kan er volgens Dexia echter niet toe leiden dat[eisende partij] aanspraak kan maken op de betalingen die onder deze overeenkomsten aan Dexia zijn verricht. Dexia heeft daartoe, onder verwijzing naar een (gedeelte van een) dagvaarding op naam van [eisende partij] (productie 9), aangevoerd dat de ouders van [eisende partij] in 2006 een procedure tegen Dexia zijn gestart met betrekking tot onderhavige overeenkomsten. Daaruit leidt Dexia af – zo begrijpt de kantonrechter – dat de ouders van[eisende partij] zichzelf als contractspartij beschouwden en de betalingen onder de overeenkomsten derhalve voor eigen rekening hebben verricht. Dexia heeft betoogd dat de artikelen 1:345 en 1:347 BW ter bescherming van de minderjarige ([eisende partij]) strekken en niet ter bescherming van diens ouders, die zelf in strijd met deze artikelen hebben gehandeld. Vernietiging van de overeenkomsten op grond van voormelde artikelen heeft daarom slechts tot gevolg dat de minderjarige ([eisende partij]) geen verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten meer heeft jegens Dexia. Dexia heeft daaraan reeds gevolg gegeven: Dexia maakt geen aanspraak meer op de uit de overeenkomsten ontstane restschulden en heeft daarnaast de registratie bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel laten verwijderen. Aldus nog steeds Dexia.

4.3.

De kantonrechter volgt Dexia hierin niet. Niet in geschil is dat [eisende partij] partij is bij de overeenkomsten. De verrichte betalingen gelden dan ook in de relatie tussen Dexia en [eisende partij] als betalingen door[eisende partij], uit hoofde van de tussen [eisende partij] en Dexia geldende overeenkomsten. Het is voor die relatie niet relevant dat anderen de betalingen voor [eisende partij] verrichten, teneinde[eisende partij] betalingsverplichtingen jegens Dexia na te komen. De omstandigheid dat een ander, zoals een ouder, voor [eisende partij] die betaling verricht, maakt immers niet dat die ander in de plaats van [eisende partij] contractspartij van Dexia wordt. De door de ouders van[eisende partij] verrichte betalingen dienen dan ook te worden aangemerkt als komend voor rekening en risico van [eisende partij].

4.4.

De rechtsgeldige vernietiging van de overeenkomsten heeft tot gevolg dat hetgeen uit hoofde van die overeenkomsten aan Dexia is voldaan, onverschuldigd is betaald en door Dexia dient te worden terugbetaald, verminderd met hetgeen [eisende partij] op grond van deze overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen. De primaire vordering is dan ook toewijsbaar. Vaststaat dat krachtens de overeenkomsten in totaal € 17.425,16 aan Dexia is betaald en dat Dexia geen dividenden of andere bedragen heeft uitgekeerd. Dat betekent dat een bedrag van

€ 17.425,16 aan [eisende partij] dient te worden gerestitueerd.

Wettelijke rente

4.5.

[eisende partij] vordert de wettelijke rente over bovengenoemd bedrag vanaf de data van de onderliggende rentetermijnen. Daartoe heeft [eisende partij] gesteld dat Dexia deze betalingen te kwader trouw in ontvangst heeft genomen in de zin van artikel 6:205 BW, zodat Dexia zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Volgens [eisende partij] wist Dexia ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten, althans had zij als professionele financiële instelling behoren te weten, dat deze overeenkomsten vernietigbaar waren wegens het ontbreken van machtiging door de kantonrechter als bedoeld in artikel 1:345 BW.[eisende partij] heeft in dat verband gewezen op een door hem in het geding gebracht intern document van Dexia met de naam “Juridische aspecten van de effectenlease-praktijk” van 7 november 2001 (productie 12). Daarin wordt op pagina 7 onder het kopje “Minderjarigen” vermeld, voor zover thans van belang: “Bij de leasecontracten wordt een lening aangegaan. Voor het aangaan van een lening voor rekening van de minderjarige behoeven de ouders een daartoe strekkende machtiging van de kantonrechter. Gevolg is dat de overeenkomst vernietigbaar is en wel van de zijde van de minderjarige zelf. Vernietigbaarheid kan niet worden ingeroepen als de handeling hem geen nadeel heeft berokkend. De vraag of nadeel is berokkend moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de vordering tot nietigverklaring wordt ingesteld.”

4.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter vindt artikel 6:205 BW in de onderhavige situatie geen toepassing. Ontvanger te kwader trouw is hij, die een prestatie ontvangt van een ander terwijl hij weet of vermoedt dat het hem niet verschuldigd is. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat op het moment dat de in het geschil zijnde betalingen werden verricht, bij Dexia het vermoeden of de wetenschap bestond dat de onderliggende overeenkomsten later door [eisende partij] zouden worden vernietigd. De rechtsgrond voor de betalingen was tot het moment van de vernietiging aanwezig en er was van onverschuldigde betaling eerst sprake vanaf het moment dat de overeenkomsten daadwerkelijk waren vernietigd. Voor Dexia was derhalve pas na ontvangst van de brief van 15 mei 2010 van [eisende partij] duidelijk dat de vooruitbetalingen zonder rechtsgrond waren verricht. Om het verzuim te doen intreden, blijft dan ook op grond van artikel 6:81 BW een ingebrekestelling vereist.

4.7.

[eisende partij] heeft nog gesteld dat de wettelijke rente vanaf de betaaldata verschuldigd is omdat (ook) de zorgplicht is geschonden en daarbij geen eigen schuld kan worden toegerekend aan de minderjarige afnemer. [eisende partij] heeft de primaire vordering echter niet gegrond op schending van de zorgplicht, maar op onverschuldigde betaling. Aan de stelling van [eisende partij] wordt daarom verder voorbij gegaan.

4.8.

Het vorenstaande betekent dat de wettelijke rente eerst toewijsbaar is vanaf het moment dat Dexia met de terugbetaling aan[eisende partij] in verzuim is geraakt. Volgens Dexia is dat het geval vanaf 23 mei 2010. [eisende partij] heeft dit niet weersproken, zodat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf dat moment.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.9.

[eisende partij] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van de gestelde buitengerechtelijke incassokosten een aantal sommatiebrieven overgelegd en een schikkingsvoorstel van Dexia in een andere zaak. Verder heeft [eisende partij] een opsomming gegeven van een aantal standaardwerkzaamheden dat in het kader van een incassozaak moet worden verricht. Daarmee is niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk verdergaande buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt voor verrichtingen als hiervoor omschreven. De kosten waarvan [eisende partij] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten, reden waarom de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.

BKR-registratie

4.10.

Ter comparitie heeft Dexia verklaard dat de BKR-registratie is verwijderd. [eisende partij] heeft gesteld dat hij dit niet heeft kunnen verifiëren omdat daarvoor betaald diende te worden. Hij handhaaft daarom zijn voorwaardelijke vordering tot, kort gezegd, doorhaling van de BKR-registratie. Nu Dexia geen bewijs van de verwijdering van de registratie bij het BKR heeft overgelegd en vaststaat dat [eisende partij] geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft, zal de kantonrechter deze vordering toewijzen.

Proceskosten

4.11.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht € 75,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2,0 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 567,82

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] rechtsgeldig zijn vernietigd;

5.2.

veroordeelt Dexia om aan [eisende partij] tegen bewijs van kwijting te betalen € 17.425,16 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 mei 2010 tot de voldoening;

5.3.

veroordeelt Dexia voorwaardelijk, voor het geval Dexia een kredietregistratie aan het BKR heeft doorgegeven op naam van [eisende partij], om te bewerkstelligen dat elke registratie op naam van [eisende partij] bij het BKR wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt;

5.4.

veroordeelt Dexia om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.3 uitgesproken voorwaardelijke hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt Dexia tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eisende partij], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 567,82, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.C. de Vaan, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.