Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4979

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
UTR 13-3471 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet op [ECLI beroepszaak toevoegen]. De rechtbank constateert dat opposant op 21 augustus 2013, dus na de uitspraak van 8 augustus 2013 een beslissing op het bezwaar heeft genomen waarbij het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard.

Ten tijde van de uitspraak was er (nog) geen beslissing op bezwaar. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank terecht de dwangsom vastgesteld. Dat opposant – naderhand – het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard maakt niet dat (alsnog) geen dwangsom verschuldigd zou zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/3471-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2013 op het verzet van

de Minister van Veiligheid en Justitie (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie), opposant.

Procesverloop

Bij uitspraak van 8 augustus 2013 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep [naam], gericht tegen het besluit van 9 juli 2013 van opposant, gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank tevens de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, van de Awb vastgesteld. De rechtbank is hiertoe overgegaan, omdat opposant niet voldaan heeft aan de verplichting binnen de termijn een beslissing op het bezwaar van [naam] te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb –voorzover hier van belang– kan een belanghebbende tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet doen bij de rechtbank. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb in stand.

2.

De rechtbank constateert dat opposant eerst op 21 augustus 2013, dus na de uitspraak van 8 augustus 2013 een beslissing op het bezwaar heeft genomen waarbij het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard.

3.

Opposant stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb, geen dwangsom verschuldigd is nu het bezwaar kennelijk ongegrond is geacht. In de uitspraak van de rechtbank van 8 augustus 2013 is ten onrecht geen ruimte meer gelaten voor afwijzing van de dwangsom op deze grond.

4.

De rechtbank volgt de redenering van opposant niet. Ten tijde van de uitspraak was er (nog) geen beslissing op bezwaar. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank terecht de dwangsom vastgesteld. Dat opposant – naderhand – het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard maakt niet dat (alsnog) geen dwangsom verschuldigd zou zijn.

5.

In hetgeen opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 8 augustus 2013 is gedaan.

6.

Het verzet is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van J.W. van Essen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.