Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4968

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
16/652184-13; 21/005060-08 (tul); 16/600248-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 1 november 2012 een familie gestalkt. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.

Daarnaast gelast de rechtbank, ten aanzien van parketnummer 21/005060-08, dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van het gerechtshof Arnhem van 21 december 2010 is opgelegd in de zaak onder bovengenoemd parketnummer ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een geldboete van €4.500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/652184-13; 21/005060-08 (tul); 16/600248-10 (tul) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [1935] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 oktober 2013. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht. Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte de familie[naam] heeft gestalkt in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met

1 november 2012.

De rechtbank begrijpt dat telkens waar in de tenlastelegging staat “de familie[naam]”, dit kan worden gelezen als de heer [A] en/of mevrouw[X].

3 Voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging tegen verdachte vanwege een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Verdachte wordt vervolgd, terwijl de familie[naam] ongemoeid wordt gelaten. Het Openbaar Ministerie had - na afweging van alle belangen - volgens de raadsman niet tot vervolging over moeten gaan.

3.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen aangezien het Openbaar Ministerie zelf kan besluiten in welke gevallen zij al dan niet tot vervolging overgaat. Er is in casu volgens de officier van justitie bovendien geen sprake van gelijke gevallen, omdat verdachte - in tegenstelling tot aangever[naam] - driemaal eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij in twee proeftijden loopt. Het Openbaar Ministerie moet dan ook ontvankelijk worden verklaard, aldus de officier van justitie.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet vast staat dat sprake is van gelijke gevallen wat betreft de zaak van verdachte en de familie[naam]. Het ligt binnen de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie om te beslissen of iemand al dan niet wordt vervolgd. Dat de officier van justitie van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt ten aanzien van verdachte en niet ten aanzien van de familie[naam] levert op zichzelf geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. Nu de raadsman zijn verweer op dit punt niet verder heeft onderbouwd en ook overigens niet is gebleken van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel, zal de rechtbank dit verweer verwerpen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Ingevolge artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het misdrijf van belaging slechts op klacht vervolgbaar. De klacht bestaat ingevolge artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Bij pluraliteit van klachtgerechtigden kan blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad niet worden volstaan met één rechtsgeldige klacht (vgl. HR 2 november 2011, LJN: AQ4289 en

26 april 2011, LJN: BP1278). Uit het onderhavige strafdossier blijkt dat - in tegenstelling tot de heer [A] - mevrouw[X] geen aangifte heeft gedaan en geen verzoek tot vervolging heeft ingediend. Nu er geen klacht door[X] is ingediend, verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op[X] niet-ontvankelijk in haar vervolging.

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte wat betreft de belaging van [A].

3.2

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, maar daarbij enkel ingaan op die standpunten die zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1
Tussen verdachte en zijn buren, de familie[naam], bestaat reeds langere tijd een conflict dat verband houdt met een recht van overpad.2

Aangever [A] (verder: aangever) heeft bij de politie verklaard dat zijn buurman

[verdachte] onder meer hem,[naam], blijft belagen. Dit gebeurt onder meer door fotograferen en het sturen van brieven.3

Fotograferen

Verbalisant [verbalisant] geeft een beschrijving van camerabeelden die door aangever op een USB-stick aan de politie zijn overhandigd.4

Op de beelden is op 2 juli 2012 de keukenzijde van de woning van[naam] zichtbaar. De verbalisant ziet twee personen die de keukenramen aan het schilderen zijn. Hij ziet[verdachte] vanuit de richting van zijn woning in beeld komen en kennelijk foto’s maken van de schilders. Te zien is ook dat mevrouw[naam] uit de woning komt. De verbalisant ziet dat[verdachte] zich met de camera richt op mevrouw[naam] en kennelijk ook foto’s van haar maakt.5

Op 6 juli 2011, 20 september 2011 en 22 september 2011 is op de beelden te zien dat[verdachte] foto’s aan het maken is van de woning van[naam].6

Op 27 augustus 2011 is het gastenverblijf van[naam] zichtbaar op de beelden. De verbalisant ziet een persoon in beeld verschijnen die komt vanuit de richting van de ondergrondse garage van[verdachte]. Deze persoon keert zich in de richting van de woning van[naam] en neemt een houding aan alsof hij aan het fotograferen is.[naam] komt in beeld en kijkt in de richting van de persoon die kennelijk fotografeert. De persoon blijft staan en er verandert niets aan zijn houding. Na ongeveer 1 minuut lang kennelijk foto’s te hebben gemaakt loopt de persoon weg in de richting van de ondergrondse garage van de woning van[verdachte].7

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend meermalen [A], de familie[naam] en hun woning aan de [adres 2] te [woonplaats], gemeente Utrechtse Heuvelrug, alsmede het gastenverblijf en de schuur van de familie[naam] en personen werkzaam voor de familie[naam] te hebben gefotografeerd. Dit betreffen in ieder geval de foto’s zoals die zijn opgenomen op pagina’s 68, 69 en 89 van het dossier.8

Brieven

Aangever heeft verklaard dat er door verdachte verschillende brieven naar instanties zijn verstuurd.9 Aangever heeft hierbij onder andere verklaard over:

- Een klachtbrief van 3 juli 2012 gericht aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug.10

Deze klachtbrief is opgenomen op pagina 174 en 175 van het procesdossier en houdt onder meer in dat [A] een pathologische leugenaar is.11

- Een bezwaarschrift van 25 augustus 2013 gericht aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug.12

Dit bezwaarschrift is opgenomen op pagina 150 en verder van het procesdossier en houdt onder meer in dat [A] een pathologische leugenaar is en spreekt over leugenachtigheid van en fraude en chantage door de [naam].13

Aangever verklaart dat hij in het bezwaarschrift en de brieven wordt beschuldigd van oplichting, chantage van de gemeente en valse aangifte. Ook leest aangever in de brief dat hij een pathologische leugenaar is.14

Verdachte heeft bekend de brieven te hebben geschreven en verstuurd aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug.15

Ten aanzien van de wederrechtelijkheid

In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 768, nr. 5, p. 2) bij het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van belaging, het huidige artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, wordt belaging, ook wel ‘stalking’ genoemd, als volgt omschreven:

“Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van het slachtoffer, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van het slachtoffer, het verspreiden van valse geruchten over het slachtoffer, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het slachtoffer, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega's, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. Het slachtoffer kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc. Veel slachtoffers voelen zich gevangene in eigen huis.”

Bij de beoordeling of in het ten laste gelegde geval sprake is geweest van belaging, zal de rechtbank deze opmerkingen bij de beoordeling betrekken.

Gelet op het samenstel van gedragingen van verdachte ten aanzien van aangever stelt de rechtbank vast dat deze gedragingen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van

aangever oplevert. De rechtbank neemt hierbij onder meer in aanmerking dat verdachte meerdere malen foto’s heeft gemaakt van aangever en zijn familie, hun woning, het gastenverblijf en de schuur van de familie van aangever en personen werkzaam voor de familie van aangever. Daarnaast heeft verdachte een bezwaarschrift en een klachtbrief naar de gemeente Utrechtse Heuvelrug gestuurd, waarin hij aangever een pathologische leugenaar noemt en hem beticht van leugenachtigheid, frauduleuze handelingen en chantage. De gedragingen van verdachte hadden een dermate frequent karakter dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever.

Dat de handelingen van verdachte gericht waren op het dwingen iets te dulden en vrees aanjagen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de tot het bewijs gebezigde foto’s, brieven en de door verdachte afgelegde verklaringen.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij de door hem verrichte handelingen uitsluitend heeft verricht ter bescherming van zijn eigen privacy en ter onderbouwing van zijn standpunt in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures.

De rechtbank volgt verdachte daarin niet. Het al dan niet schenden van de privacy van verdachte door aangever respectievelijk de familie van aangever rechtvaardigt niet dat verdachte een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Het door verdachte gestelde doel van het maken van de foto’s en het sturen van de brieven, namelijk ter onderbouwing van zijn standpunt in rechterlijke procedures, doet daar niet aan af. Gelet op het feit dat de verhoudingen tussen verdachte en aangever reeds gedurende lange tijd ernstig waren verstoord en gelet op de frequentie van de gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte de grenzen van het maatschappelijk betamelijke heeft overschreden. De inbreuken op de levenssfeer van aangever waren dan ook wederrechtelijk.

De rechtbank zal het ten laste gelegde, voor zover het betreft belaging van aangever

[A] derhalve bewezen verklaren.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 01 februari 2011 tot en met 01 november 2012 te [woonplaats], gemeente Utrechtse Heuvelrug, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [A], met het oogmerk die [A] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar telkens wederrechtelijk en met vorenbedoelde opzet de navolgende op de persoonlijke levenssfeer van [A] inbreuk makende handelingen verricht:

- het meermalen fotograferen van de familie[naam] en de woning en het gastenverblijf en de schuur van de familie[naam] en personen werkzaam voor de familie[naam]; en/of

- een klachtbrief (van 3 juli 2012, p. 174) sturen aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin wordt vermeld dat [A] een pathologische leugenaar is; en/of

- een bezwaarschrift (van 25 augustus 2012, p. 150 e.v.) sturen aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin de familie[naam] wordt beschuldigd van leugenachtigheid, van frauduleuze handelingen en van gepleegde chantage en waarin wordt vermeld dat

[A] een pathologische leugenaar is.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Belaging.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf (artikel 9a Wetboek van Strafrecht), dan wel oplegging van een taakstraf. Een gevangenisstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, kan volgens de raadsman redelijkerwijs niet aan verdachte worden opgelegd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman gewezen op de hoge leeftijd van verdachte, alsmede op de rol die de familie[naam] zelf in het conflict heeft gespeeld. Voorts heeft de raadsman gewezen op de huidige positieve ontwikkelingen die door mr. J.A. Spigt ter terechtzitting van 3 oktober 2013 zijn toegelicht. Onder supervisie van mr. Spigt is de afgelopen tijd door beide partijen gezocht naar een blijvende oplossing voor het conflict.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn buurman [A]. Verdachte heeft gedurende een lange periode stelselmatig foto’s gemaakt van (de familie van) zijn buurman, de woning, het gastenverblijf en de schuur van (de familie van) zijn buurman en van schilders die werkten voor (de familie van) zijn buurman. Daarnaast heeft verdachte twee brieven aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug gestuurd inhoudende beschuldigingen aan het adres van zijn buurman.

Met zijn gedrag heeft verdachte op stelselmatige, indringende wijze gedurende langere tijd inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn buurman en bij hem gevoelens van angst opgeroepen. Het slachtoffer is door de handelwijze van verdachte aangetast in zijn gevoel van privacy, zoals naar voren komt in zijn schriftelijke slachtofferverklaring.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 26 augustus 2013 is verdachte meerdere malen eerder veroordeeld wegens belaging van [A] en zijn familie. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden het bewezenverklaarde feit te plegen.

Voorts neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij, blijkens zijn houding ter terechtzitting, kennelijk nog steeds niet het inzicht heeft verkregen dat zijn handelen onjuist is en evenmin blijk geeft van enig inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met enerzijds de intensiteit, de duur en de frequentie waarmee de verdachte het slachtoffer heeft lastig gevallen, en anderzijds ook met de wijze waarop [A] zelf met het conflict is omgegaan. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [A] reeds gedurende een lange periode cameraopnames maakt van de situatie rondom zijn woning en die van verdachte.

Tot slot heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat er met tussenkomst van mr. J.A. Spigt en gezamenlijke inspanning van zowel verdachte als [A] en zijn familie inmiddels wordt gezocht naar een blijvende oplossing in het langslepende conflict.



De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen

[A] en[X] van beiden respectievelijk €2.500,- volledig dienen te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vorderingen van de benadeelde partijen [A] en[X]

[X] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de gestelde immateriële schade niet eenvoudig van aard is en deze niet door een arts is vastgesteld. Bovendien is er volgens de raadsman sprake van medeschuld van de benadeelde partijen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

T.a.v. de benadeelde partij [A]:
Gelet op het langlopende conflict tussen verdachte en de benadeelde partij [A] waarbij over en weer beschuldigingen zijn geuit, kan niet eenvoudig worden vastgesteld in hoeverre sprake is van medeschuld aan de zijde van [A]. Niet eenvoudig kan worden vastgesteld of de benadeelde partij immateriële schade heeft opgelopen, dan wel tot welk bedrag dat is geweest. De vordering is daarmee niet van eenvoudige aard en wordt niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

T.a.v. de benadeelde partij[X]:

Nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van belaging van[X] en de rechtbank niet is toegekomen aan enige vaststelling van een al dan niet gepleegd strafbaar feit met betrekking tot[X] is zij

niet-ontvankelijk in haar vordering.[X] kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

T.a.v. parketnummer 21/005060-08:

Bij de stukken bevindt zich de op 4 april 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met bovengenoemd parketnummer betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van

21 december 2010 van het gerechtshof Arnhem waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een geldboete van €7.500,-, subsidiair 72 dagen hechtenis, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot €4.500,-, subsidiair 55 dagen hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 5 januari 2011 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

T.a.v. parketnummer 16/600248-10:

Bij de stukken bevindt zich de op 4 april 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met bovengenoemd parketnummer betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van

29 november 2010 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 166 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 11 februari 2011 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Hieruit blijkt dan ook dat deze vordering voor toewijzing gereed ligt. De rechtbank acht echter termen aanwezig om, gelet op het onderzoek ter terechtzitting waaruit is gebleken dat inmiddels met tussenkomst van mr. J.A. Spigt door beide partijen welwillend wordt gezocht naar een duurzame oplossing voor het langslepende conflict, de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen en de proeftijd te verlengen met de duur van één jaar. Een onvoorwaardelijke detentie zou de ter terechtzitting geschetste ontwikkelingen teniet kunnen doen, hetgeen niet in het belang is van verdachte, de familie[naam], en ook niet in het belang van de maatschappij. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de nu bewezen verklaarde feiten van (veel) geringer ernst zijn dan de in het vonnis van 29 november 2010 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank zal dan ook de verlenging van de proeftijd met de duur van één jaar gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14f, 14g en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging voor zover betrekking hebbend op de belaging van[X];

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging voor zover betrekking hebbend op de belaging van [A].

Bewezenverklaring:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid:

- het bewezen verklaarde levert op:

- belaging;

- verklaart het bewezene strafbaar;

- verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Strafoplegging:

- veroordeelt verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van één maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Vorderingen benadeelde partijen
- bepaalt dat de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk is in zijn vordering is en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat de benadeelde partij[X] niet-ontvankelijk is in haar vordering is en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:

Ten aanzien van parketnummer 21/005060-08:

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van het gerechtshof Arnhem van

21 december 2010 is opgelegd in de zaak onder bovengenoemd parketnummer ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een geldboete van €4.500,-;

- beveelt dat indien verdachte de geldboete niet voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 55 dagen.

Ten aanzien van parketnummer 16/600248-10:

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af en

- verlengt de proeftijd van twee jaren, die is vastgesteld in het vonnis van 29 november 2010 van de meervoudige strafkamer te Utrecht met één jaar.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en R.S.B. Kool, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Borg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2013.

Mr. R.S.B. Kool is buiten staat mede te ondertekenen.


BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 01 november

2012 te [woonplaats], gemeente Utrechtse Heuvelrug, in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [A] en/of[X] (hierna:

familie[naam]), in elk geval van een ander, met het oogmerk die familie

[naam], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te

dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

(telkens) wederrechtelijk en met vorenbedoelde opzet de navolgende op de

persoonlijke levenssfeer van de familie[naam] inbreuk makende handelingen

verricht:

- het meermalen, althans eenmaal, fotograferen van de familie[naam] en/of

de woning en/of het gastenverblijf en/of de schuur van de familie[naam]

en/of personen in dienst bij en/of werkzaam voor de familie[naam] en/of

het verspreiden van een of meer van die foto's (zie onder andere p. 68, 69, 89

en overzicht op p. 139 e.v.);en/of

- een klachtbrief (van 3 juli 2012, p. 174) sturen aan de gemeente Utrechtse

Heuvelrug, waarin wordt vermeld dat [A] een pathologische leugenaar

is;en/of

- een bezwaarschrift (van 25 augustus 2012, p. 150 e.v.) sturen aan de

gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin de familie[naam] wordt beschuldigd

van leugenachtigheid, van frauduleuze handelingen en van gepleegde chantage

en waarin wordt vermeld dat [A] een pathologische leugenaar is;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om het proces-verbaal van de Politie Utrecht, met nummer PL0950 2012242861, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina 3 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 oktober 2013.

3 Proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina 3.

4 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 17 juli 2013, pagina 248.

5 Ibid.

6 Ibid, pagina’s 248 tot en met 250.

7 Ibid, pagina 249.

8 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 oktober 2013.

9 Proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina 3 en 5.

10 Ibid, pagina 5.

11 Bijlage 9 behorende bij het proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina’s 174 en 175.

12 Proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina 5.

13 Bijlage 7 behorende bij het proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina’s 150, 152, 154, 155 en 161.

14 Proces-verbaal van aangifte door aangever[naam], van 20 november 2012, pagina 5.

15 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 oktober 2013.