Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4942

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
2242966
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Loonvordering. Artikel 7: 628 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0798
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2242966 UV EXPL 13-339 MT/4253

Kort geding vonnis van 11 oktober 2013

inzake

[eiser] ,

wonende te[woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J. van Belle,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Global Security Education B.V.,

gevestigd te Maarssen,

verder ook te noemen GSE,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Global Aviation Security B.V.,

gevestigd te Maarssen,

verder ook te noemen GAS,

gedaagden,

verder ook gezamenlijk te noemen GSE c.s.,

procederend bij K.J.C.P. de Weerd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 26

  • -

    de brief van [eiser] met (nogmaals) productie 12 van 21 augustus 2013

  • -

    de brief van GSE c.s. met producties 1 tot en met 28 van 30 augustus 2013

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 september 2013

  • -

    de mondelinge behandeling van 27 september 2013

  • -

    de pleitnota van [eiser] tevens houdende vermeerdering van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] is op 1 april 2013 in dienst getreden van GSE voor onbepaalde duur in de functie van opleider/trainer. Zijn laatstgenoten salaris bedraagt € 2.500,00 netto per vier weken te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Particuliere Beveiliging 1 juli 2012 t/m 30 september 2013 van toepassing. Hierin is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

“(…)

ARTIKEL 23 OVERWERK

1. Arbeidsuren worden als overuren aangemerkt indien deze:

- in één loonperiode het totaal van 160 arbeidsuren overschrijden en/of

- in een dienst of gebroken dienst een arbeidstijd van 9 uur overschrijden (…)

ARTIKEL 65 BELONING OVERWERK

De werknemer heeft over overwerk (zie artikel 23 (vanaf loonperiode 10 2013 artikel 44) recht op een toeslag van 50% over het basisuurloon.

(…)

ARTIKEL 69 BEREKENING TOESLAGEN

De toeslagen van de artikelen 63 tot en met 68 moeten ook over delen van een uur worden uitbetaald. De toeslagen moeten afzonderlijk worden berekend en daarna opgeteld worden.

(…)

ARTIKEL 74 REISVERGOEDING

(…)

6. De werknemer heeft vanaf 9 kilometer recht op een reisvergoeding voor het woon-werk en werk-woonverkeer. Deze vergoeding bedraagt per reisbeweging € 0,18 per kilometer over alle kilometers.

(…)

7. Vanaf 41 kilometer geldt per reisbeweging voor zowel reizen met eigen vervoer als met openbaar vervoer een aanvullende bruto reisvergoeding. Deze vergoeding bedraagt per reisbeweging € 0,16 per kilometer voor elke kilometer boven de 40.

(…)”

2.3.

Op 15 april 2013 heeft GSE € 660,00 aan [eiser] betaald onder vermelding van

[eiser] voorschot en reiskosten”.

2.4.

GSE heeft het loon over de periode 25 maart tot 22 april 2013 betaald. GSE heeft vanaf 22 april 2013 het loon niet betaald. Evenmin heeft GSE de vakantiebijslag over de periode van 1 april tot 22 april 2013 betaald.

2.5.

[eiser] is vanaf 17 juni 2013 niet meer naar het kantoor van GSE geweest om zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten. Bij brief van 17 juni 2013 heeft hij GSE het volgende meegedeeld:

“(…) Zelfs de reiskosten kan ik niet meer opbrengen, waardoor ik noodgedwongen thuis moet zitten en dat terwijl er nog te veel werk verzet moet worden om het voor bestaan van “ONS” bedrijf te waarborgen!”

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert veroordeling van GSE c.s. bij wege van voorlopige voorziening om te betalen:

- het loon van € 2.500,00 netto per 4 weken over de periode van 22 april tot 15 juli 2013,

- de overuren over de periode van 1 april tot 17 juni 2013,

- de reiskostenvergoeding over de periode van 1 april tot 17 juni 2013,

- de aanvullende reiskostenvergoeding over de periode van 1 april tot 17 juni 2013,

- de reiskostenvergoeding over de periode van 11 maart tot 29 maart 2013,

- de aanvullende reiskostenvergoeding over de periode van 11 maart tot 29 maart 2013,

- de vakantiebijslag over de periode van 1 april tot 22 april 2013,

- de telefoonkosten over de periode 1 april tot 22 april 2013,

de totaalsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid van de betreffende bedragen en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.

Daarbij vordert [eiser] GSE c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien GSE c.s. niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan dit vonnis heeft voldaan.

3.2.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [eiser] dat GSE c.s. op grond van de arbeidsovereenkomst en de toepasselijke CAO gehouden is de voormelde bedragen vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst, zijnde 1 april 2013, betalen. Ten aanzien van de opgevoerde reiskostenvergoeding voor de periode vóór 1 april 2013 beroept [eiser] zich op mondelinge afspraken gemaakt tussen hem en GSE c.s.

3.3.

GSE c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de inhoud daarvan zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4 De beoordeling

Werkgever

4.1.

[eiser] heeft GSE en GAS gedagvaard en betaling van het achterstallig loon en bijkomende vergoedingen gevorderd. Primair stelt hij zich daarbij op het standpunt dat GSE als zijn werkgever heeft te gelden. Dit is door GSE erkend, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Voor zover de vordering zich richt tot GAS zal [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard.

Eisvermeerdering

4.2.

[eiser] heeft ter zitting zijn eis vermeerderd in die zin dat hij thans ook vordert GSE te veroordelen tot betaling van het loon over de periode van 15 juli tot 9 september 2013 en GSE te bevelen om voor iedere toekomstige loonperiode alle uit de arbeidsovereenkomstvoortvloeiende betalingsverplichtingen jegens [eiser] tijdig en correct te voldoen, zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd. Tegen die eisvermeerdering is door GSE geen bezwaar gemaakt ter zitting. De kantonrechter zal daarom uitgaan van de vermeerderde eis.

Loon

4.3.

[eiser] vordert het achterstallig loon vanaf 22 april 2013. [eiser] heeft gesteld dat hij heeft gewerkt tot 17 juni 2013 en dat hij vanaf 17 juni 2013 niet langer zijn gebruikelijke werkzaamheden kon verrichten omdat hij niet naar zijn werk kon reizen nu hij geen loon en bijkomende vergoedingen heeft ontvangen vanaf 22 april 2013.

In beginsel heeft [eiser] recht op betaling van het loon op grond van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Niet in geschil tussen partijen is dat over de periode waarin [eiser] werkzaamheden heeft verricht, volgens [eiser] tot 17 juni 2013, GSE gehouden is het achterstallig loon te betalen. GSE heeft in haar verweer aangevoerd dat [eiser] al eerder dan 17 juni 2013 zonder geldige reden geen werkzaamheden zou hebben verricht, maar dat verweer heeft zij onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft aannemelijk gemaakt met het overleggen van correspondentie van 10, 13, 14 en 17 juni 2013 dat hij tot 17 juni 2013 werkzaamheden heeft verricht. Voor zover zijn vordering tot betaling van achterstallig loon ziet op die periode, zal die worden toegewezen.

4.4.

Ten aanzien van de periode vanaf 17 juni 2013 beroept GSE zich op artikel 7:627 BW waarin staat dat geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. [eiser] heeft daar tegenover gesteld dat het feit dat hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht vanaf 17 juni 2013 in redelijkheid voor rekening van GSE behoort te komen. Op grond van artikel 7:628 BW behoudt de werknemer in dat geval (en dus in uitzondering op de hoofdregel van voormeld artikel 7:627 BW) het recht op loon.

4.5.

Of in de onderhavige zaak sprake is van omstandigheden die maken dat het niet verrichten van de arbeid door [eiser] in redelijkheid voor rekening van GSE behoort te komen is een vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is. De kantonrechter overweegt ten eerste dat deze kwestie juridisch ingewikkeld is. [eiser] heeft gelijk daar waar het zijn standpunt betreft dat GSE gehouden is het overeengekomen loon en vergoedingen (tijdig) te betalen, maar het is de vraag of, indien die betaling uitblijft door omstandigheden die voor rekening van de werkgever komen, de werknemer met een beroep op artikel 7:628 BW het recht op loon behoudt in de periode dat hij zijn werkzaamheden niet verricht. Daarbij is van belang dat de werknemer middelen, zoals deze kort geding procedure, ten dienste staan om die betaling af te dwingen.

Ten tweede zou ook nader feitenonderzoek op dit punt noodzakelijk zijn. Immers, dat [eiser] financieel niet (langer) in staat zijn om naar het werk te reizen is door GSE gemotiveerd weersproken, althans GSE heeft betoogd dat er redelijke alternatieven zijn aangeboden. De overige relevante feiten en omstandigheden en de belangen van partijen zijn in het beperkte kader van dit kort geding verder nog onvoldoende aan bod gekomen.

Gelet op de (gedeeltelijke) toewijzing van de loonvordering die de gestelde financiële nood aan de zijde van [eiser] verzacht, ziet de kantonrechter ook geen noodzaak om ten aanzien van dit onderdeel een spoedvoorziening uit te spreken, nu het voorgaande maakt dat de uitkomst van een te voeren bodemprocedure kan en dient te worden afgewacht. De kantonrechter zal de vordering voor zover die ziet op betaling van het overeengekomen loon na 17 juni 2013 dan ook afwijzen.

Reiskosten

4.6.

[eiser] vordert betaling van reiskosten, door hem berekend op totaal € 1.876,60 voor de periode na 1 april 2013 en op € 511,80 voor de periode vóór 1 april 2013 aan reiskostenvergoeding en aanvullende reiskostenvergoeding. De door [eiser] gevorderde reiskosten zijn door GSE tot een bedrag van € 1.114,74 erkend, welk bedrag is gebaseerd op de door [eiser] berekende vergoeding voor 33 dagen en niet voor de door [eiser] als uitgangspunt genomen 55 dagen. Ten aanzien van de overige dagen heeft GSE gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat op de verschuldigde reiskosten de betaling op 15 april 2013 van € 660,00 in mindering dient te strekken. Aldus dient GSE nog € 454,74 te voldoen volgens GSE.

Gelet op het gemotiveerde verweer van GSE en het feit dat deze kort gedingprocedure zich niet leent om van iedere betwiste dag individueel vast te stellen of [eiser] recht op vergoeding van reiskosten heeft, zal de kantonrechter enkel het erkende deel van de reisvergoeding ter hoogte van € 454,74 thans toewijzen. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met de door GSE gedane betaling van € 660,00.

Overuren

4.7.

GSE heeft de door [eiser] gevorderde overuren gemotiveerd betwist. Volgens GSE heeft [eiser] bepaalde overuren niet gemaakt dan wel bepaalde uren zonder toestemming gemaakt en heeft hij bepaalde overuren als ‘tijd voor tijd’ opgenomen. In de berekening van GSE bestaat er een negatief saldo waar het de door [eiser] gemaakte uren betreft. Op dit onderdeel is nader feitenonderzoek noodzakelijk, waarvoor dit kort geding zich niet leent. De vordering wordt ten aanzien van de overuren afgewezen.

Vakantiebijslag

4.8.

Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] recht op betaling van 8% vakantiebijslag over de periode 1 tot 22 april 2013 over het bruto jaarsalaris. Dit is niet weersproken door GSE. In het petitum van de dagvaarding heeft [eiser] het aldus berekende bruto bedrag van € 224,97 netto gevorderd, maar dat bedrag is niet toewijsbaar. Dit onderdeel van de vordering zal ter hoogte van € 224,97 bruto worden toegewezen.

Telefoonkosten

4.9.

[eiser] stelt dat hij met GSE is overeengekomen dat hij de door hem gemaakte telefoonkosten achteraf mag declareren bij GSE. Over de periode van 25 maart tot 22 april 2013 heeft hij € 71,20 (inclusief BTW) aan telefoonkosten gemaakt waarvan hij thans betaling vordert. GSE heeft op dit onderdeel geen verweer gevoerd, zodat dit onderdeel zal worden toegewezen.

Wettelijke rente en verhoging

4.10.

De gevorderde rente zal, als onweersproken, over de toe te wijzen bedragen worden toegewezen.

4.11.

De kantonrechter stelt voorop dat door GSE erkend is dat zij het verschuldigde loon over de periode tot en met 17 juni 2013 niet heeft voldaan. GSE heeft aangegeven dat de onderneming niet de beschikking heeft over de financiële middelen om het in dienst zijnde personeel te betalen mede door tegenvallende resultaten. Dat zijn echter omstandigheden die voor risico van de werkgever komen. Het is aan GSE te verwijten dat zij kennelijk van aanvang af onvoldoende liquide middelen had om aan haar verplichtingen op grond van de door haar gesloten arbeidsovereenkomsten te voldoen en de nakoming van die betalingsverplichtingen afhankelijk heeft gemaakt van de door haar te behalen resultaten. Aan de andere kant maken de door GSE geschetste slechte financiële omstandigheden dat van de toewijzing van de maximale wettelijke verhoging niet de beoogde prikkel tot nakoming van de betalingsverplichtingen door de werkgever zal uitgaan. Het voorgaande afwegende, wordt de wettelijke verhoging voorlopig (bij wege van matiging) gesteld op een percentage van 25% van bovengenoemd bedrag, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. De wettelijke verhoging wordt toegekend over het verschuldigde loon en de vakantiebijslag.

Proceskosten

4.12.

GSE zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,89

- griffierecht € 448,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 949,89

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart [eiser] voor zover hij zijn vordering heeft gericht tegen GAS niet-ontvankelijk in zijn vordering;

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.2.

veroordeelt GSE om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:

- € 2.500,00 netto aan loon voor de periode 22 april tot 20 mei 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2013 tot aan de voldoening;

- € 2.500,00 netto aan loon voor de periode 20 mei tot 17 juni 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2013 tot aan de voldoening;

- € 454,74 netto aan (aanvullende) reiskostenvergoeding;

- € 224,97 bruto aan vakantiebijslag voor de periode van 1 april tot 22 april 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2013 tot aan de voldoening,

- € 71,20 netto aan telefoonkosten in de periode 1 april tot 22 april 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 april 2013 tot aan de voldoening,

- voornoemd bedrag voor zover het betreft het loon inclusief vakantiebijslag betreft te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25%;

5.3.

veroordeelt GSE tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 949,89 waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt GSE, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013.