Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4926

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
16/661503-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen voor een diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661503-13

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De onderzoeken ter terechtzitting hebben plaatsgevonden op 16 juli 2013 en 1 oktober 2013. Verdachte is telkens verschenen met zijn raadsvrouw, mr. M.N. Guntenaar, advocaat te Zeist.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met een ander op 28 januari 2013 in de gemeente Zeist [benadeelde] heeft beroofd.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu er wellicht wel wettig bewijs is, maar de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, ontbreekt. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat getuige[getuige 1] inconsistent heeft verklaard over hetgeen verdachte tegen haar zou hebben gezegd over zijn betrokkenheid. Maar ook de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) is mogelijk uit wraakgevoelens afgelegd en om die reden onbetrouwbaar. Daar komt bij dat de signalementen die door twee getuigen zijn gegeven, niet overeenkomen met de uiterlijke kenmerken van verdachte en gelet op het voorgaande moet daar meer gewicht aan worden toegekend dan aan de verklaringen van[getuige 1] en [medeverdachte]. Verder is er een DNA-spoor aangetroffen op de jas van aangever en uit onderzoek is gebleken dat hieruit geen match volgt met het DNA van verdachte. Ook ten aanzien van de telefoongegevens van de telefoon van [medeverdachte] is volgens de verdediging door verdachte een logische verklaring gegeven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen

Aangever heeft bij de politie verklaard dat hij op 28 januari 2013 wilde pinnen bij de ABN Amro bank, gevestigd aan de 2e Hogeweg in Zeist. Aangekomen bij het pinautomaat heeft aangever zijn pinpas gepakt en in het apparaat gestopt. Vervolgens heeft aangever zijn pincode en het geldbedrag van 100 euro ingetoetst. Plotseling voelde aangever dat er met kracht een arm om zijn nek werd geslagen. Hij voelde dat de arm om zijn nek werd aangetrokken en dat hij achterover werd getrokken. Tevens voelde aangever dat er druk in zijn linkerzijde werd uitgeoefend. Direct werd er tegen aangever met indringende harde stem gezegd “Geef je geld”. Dit werd enkele malen herhaald. Vervolgens werd aangever achterover getrokken en op de grond gewerkt. Vervolgens voelde en zag aangever dat hij door de dader die hem vasthad, naar achteren werd getrokken over de grond. Aangever voelde dat hij daarna een schop kreeg tegen zijn kont. Op een gegeven moment voelde aangever dat de dader hem losliet. Op dat moment zag aangever een tweede dader voor hem staan. De persoon stond dreigend voorovergebogen over aangever heen, die nog steeds op de grond lag. Aangever hoorde deze persoon met harde stem tegen hem om geld roepen. Plotseling liepen beide daders weg.1

Medeverdachte [medeverdachte] heeft tijdens de behandeling ter zitting van zijn eigen zaak verklaard dat hij en verdachte bij de bushalte stonden tegenover de ABN pinautomaat. Op het moment dat aangever voor de pinautomaat stond, zijn zij er heen gelopen. [medeverdachte] heeft verder verklaard dat verdachte zijn arm om de nek van aangever heeft gedaan en hem voor de pinautomaat heeft weggetrokken. [medeverdachte] heeft voor de pinautomaat gestaan en heeft de pinpas van aangever uit de pinautomaat getrokken. [medeverdachte] is vervolgens gevlucht. Hij heeft verklaard, dat toen hij vluchtte, hij zag dat verdachte nog half boven aangever stond.2

Getuige[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte op de dag van de overval haar heeft gebeld om te vragen of hij bij haar en haar man kon blijven slapen, omdat verdachte ruzie had met zijn vader. Op de avond van de uitzending van Bureau Hengeveld was verdachte wederom bij haar en toen heeft verdachte aan getuige [getuige 1] verklaard dat hij samen met[medeverdachte] de diefstal met geweld heeft gepleegd op de man bij de pinautomaat op 28 januari 2013.3 Op Koninginnedag kwam getuige [getuige 1] verdachte tegen. Zij heeft toen met verdachte gesproken en hem verteld dat zij naar de politie zou gaan. Verdachte zei toen tegen haar “je doet maar, ze hebben geen bewijs”.4 Getuige [getuige 2] heeft bij de politie bevestigd dat verdachte dit op Koninginnedag tegen zijn vriendin heeft gezegd.5

Uit telefoniegegevens blijkt dat met het telefoonnummer van [medeverdachte] op de avond van de straatroof tussen 21.41 uur en 21.48 uur acht maal contact heeft gehad met het telefoonnummer *[nummer]. Verbalisant belt dit nummer en er wordt opgenomen door de moeder van verdachte. Het telefoonnummer van[getuige 1], *[nummer], is door het telefoonnummer van [medeverdachte] gebeld op de avond van de straatroof, rond 22:00 uur.6

Er is DNA aangetroffen op de jas van aangever. Er is een bemonstering afgenomen van de jas van aangever. Deze heeft SIN-nummer AAFD6226NL gekregen.7 De bemonstering is onderzocht door het NFI en op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek wordt aangenomen dat het celmateriaal in de bemonstering AAFD6226NL#01 (schouders jas) afkomstig is van vier personen. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

-Hypothese I: de bemonstering bevat celmateriaal van vier personen, waaronder het slachtoffer en verdachte;

-Hypothese II: de bemonstering bevat celmateriaal van vier personen, bestaande uit het slachtoffer en drie onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer, verdachte en twee onbekende personen dan wanneer deze bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer en drie onbekende personen.8

4.3.2

Bewijsoverwegingen

De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte de ten laste gelegde gewelddadige diefstal in Zeist heeft gepleegd. De rechtbank baseert dat oordeel op het volgende, in onderling verband en samenhang bezien. De aangifte, het feit dat de medeverdachte (die reeds veroordeeld is) heeft verklaard dat hij dit feit samen met verdachte heeft gepleegd en de verklaring van getuige[getuige 1], tegen wie verdachte heeft verklaard over zijn betrokkenheid. Daarbij betrekt de rechtbank ook de telefoniegegevens waaruit is gebleken dat verdachte op de avond van het tenlastegelegde feit, met de telefoon van zijn medeverdachte, naar zowel zijn moeder als ook naar[getuige 1] heeft gebeld. De rechtbank ziet verder aanwijzingen dat het DNA van verdachte in het aangetroffen DNA-mengprofiel op de schouders van de jas van aangever aanwezig kan zijn. Wanneer dit DNA-resultaat in onderlinge samenhang met bovenstaande wordt bezien, vormt dit voor de rechtbank een aanvullende aanwijzing voor de betrokkenheid van verdachte bij het delict. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat verdachte diegene is geweest die de ten laste gelegde gewelddadige overval (mede) heeft gepleegd. Dat de door twee getuigen gegeven signalementen niet overeenkomen met het uiterlijk van verdachte doet aan dat oordeel niet af. Het was immers donker op de avond van het ten laste gelegde feit, het regende en verdachte droeg een capuchon. Het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van [medeverdachte] en[getuige 1] onbetrouwbaar zouden zijn, verwerpt de rechtbank. Er is niet gebleken van enige aanleiding om aan te nemen dat [medeverdachte] uit wraak belastend heeft verklaard. Daarnaast acht de rechtbank de verklaringen van[getuige 1] juist betrouwbaar en overweegt daartoe dat deze getuige, ondanks het feit dat haar man langdurig bevriend is met de verdachte, – in grote lijnen – vanaf het begin af aan consistent heeft verklaard over het feit dat verdachte diegene zou zijn die bij het ten laste gelegde betrokken zou zijn geweest en haar verklaring vindt op veel onderdelen steun bij andere bewijsmiddelen. De verklaring die verdachte, (voor het eerst) bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, dat het kan zijn dat hij [medeverdachte] op de avond van het tenlastegelegde toevallig tegenkwam en met zijn telefoon heeft gebeld, acht de rechtbank onaannemelijk, ook gelet op bovenstaande bewijsmiddelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

op 28 januari 2013 in de gemeente Zeist op of aan de openbare weg, te weten de 2e

Hogeweg, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen van 100 euro en een bankpas toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader:

- van achteren een arm om de nek van die [benadeelde] hebben geslagen en gedaan terwijl deze [benadeelde] aan het pinnen was en

- daarbij met een voorwerp en/of een hand hebben gedrukt in de zij van die [benadeelde] en

- meermalen tegen die [benadeelde] hebben gezegd en geroepen: "Geef je geld!" en

- die [benadeelde] achterover en vervolgens op de grond hebben getrokken en

- die [benadeelde] over de grond hebben getrokken en

- die [benadeelde] tegen zijn lichaam hebben geschopt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

7 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een meldplicht bij Reclassering Nederland als bijzondere voorwaarde.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal, waarbij er geweld is gebruikt tegen het 60-jarige slachtoffer. Verdachte en zijn mededader hebben op de loer gestaan bij een pinautomaat, hebben het slachtoffer, toen deze reeds zijn pincode en het door hem gewenste bedrag had ingevoerd, met geweld naar de grond gewerkt. Verdachte heeft daarbij zijn medeverdachte aangezet tot het plegen van de daad. Verdachte wist dat er een camera in de pinautomaat zat en heeft daarom zijn medeverdachte het geld laten wegnemen uit het automaat. Zo zou verdachte zelf niet herkend worden.

Een dergelijke gewelddadige diefstal op de openbare weg roept gevoelens van angst en onveiligheid op in de samenleving, ontwricht het normale betalingsverkeer en kan grote psychische gevolgen hebben voor het slachtoffer. Verdachte en zijn mededader hebben bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en hebben zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en is dus ‘first offender’. Daar komt bij dat verdachte in een moeilijke financiële situatie en thuissituatie zit. Maar ook van belang is dat inmiddels, in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, een begin is gemaakt met reclasseringsbegeleiding, waarbij verdachte zich, volgens de toelichting van reclasseringsmedewerkster mevrouw Hol ter zitting van 1 oktober 2013, positief op heeft gesteld en sinds zijn schorsing is gestopt met blowen. Ook heeft verdachte werk gevonden en daarnaast is verdachte vrijwillig in gesprek gegaan met maatschappelijk werk. De rechtbank acht het van belang dat bovenstaande situatie wordt gecontinueerd. Om die reden zal in onderhavige zaak een deels voorwaardelijke (gevangenis)straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringsbegeleiding worden opgelegd. Tevens dient deze voorwaardelijke straf als stok achter de deur om verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft overwogen om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zodanige lengte op te leggen, dat verdachte zich weer dient te melden bij de gevangenis. Naar verwachting zou een dergelijke straf de ontwikkeling van verdachte negatief beïnvloeden en daardoor het recidiverisico vergroten in plaats van verkleinen. De rechtbank zal daartoe dan ook niet overgaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 180 dagen opleggen, waarvan 123 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en een proeftijd van twee jaren met daarbij reclasseringscontact. De rechtbank zal voorts verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf van zestig uur.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Het bewezen verklaarde feit levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 123 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde

- gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland moet blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen moet gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Voorlopige hechtenis

- Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 28 januari 2013 in de gemeente Zeist, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, op of aan de openbare weg, te weten de 2e

Hogeweg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 100 euro en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s):

- van achteren een arm om de hals/nek van die [benadeelde] heeft/hebben

geslagen en/of gedaan (terwijl deze [benadeelde] aan het pinnen was) en/of

- ( daarbij) met een voorwerp en/of een hand heeft/hebben gedrukt in de zij van

die [benadeelde] en/of

- meermalen, althans éénmaal, tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd en/of

geroepen: "Geef je geld!" en/of

- die [benadeelde] achterover en/of (vervolgens) op de grond heeft/hebben

getrokken en/of

- die [benadeelde] over de grond heeft/hebben getrokken/gesleept en/of

- die [benadeelde] op/tegen zijn lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt.

1 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], opgenomen op pagina 21/22 van het proces-verbaal dossiernummer PL0920 2013022048, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 147.

2 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter zitting d.d. 31 mei 2013, in de zaak met parketnummer P 16/700339-13.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], opgenomen op pagina 191/192 van het proces-verbaal dossiernummer PL0920 2013022048-3, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 148 tot en met 242.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], opgenomen op pagina 209 van het onder voetnoot 3 genoemde proces-verbaal.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], opgenomen op pagina 221/222 van het onder voetnoot 3 genoemde proces-verbaal.

6 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 191/192 van het proces-verbaal van het onder voetnoot 3 genoemde proces-verbaal.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek, opgenomen op pagina 118 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

8 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 20 september 2013.