Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4916

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
2367932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Verzoek van werkneemster, ingediend nadat een ontslagvergunning bij UWV Werkbedrijf was aangevraagd. Kort voor de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek heeft werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd. Met partijen is de kantonrechter van oordeel dat werkneemster aannemelijk dient te maken dat van haar verwacht mag worden dat de arbeidsovereenkomst nog tot het einde van de opzegtermijn (ongeveer 7 weken na de mondelinge behandeling) voortduurt (vgl. Van Hooff Elektra). Gestelde spanningsklachten onvoldoende aannemelijk gemaakt. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0860
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2367932 UE VERZ 13-664 PK/4082

Beschikking van 25 oktober 2013

inzake

[verzoekster],

wonende te[woonplaats],

verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek,

tegen:

de besloten vennootschap

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [verweerster],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. N.J.M. Derks.

1 Het verloop van de procedure

[verzoekster] heeft op 18 september 2013 een verzoekschrift ingediend.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend, alsmede nadere producties.

Het verzoek is ter zitting van 10 oktober 2013 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] exploiteert een autobedrijf. [verzoekster], geboren [geboortedatum], is in augustus 2006 bij [verweerster] in dienst getreden als financieel administratief medewerkster. Zij heeft haar arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 15 december 2010. Op verzoek van [verweerster] is zij per 11 maart 2011 opnieuw bij [verweerster] in dienst getreden, aanvankelijk op uurbasis, en per 1 januari 2012 met een vaste arbeidsduur van 20 uur per week. Het laatstelijk genoten salaris bedraagt € 1.481,61 bruto per 4 weken.

2.2.

Op 11 februari 2013 heeft de directeur van [verweerster], [A], [verzoekster] meegedeeld dat zij volgens hem de door haar genomen pauzes ten onrechte niet opgaf, en dat hij het daardoor ten onrechte doorbetaalde loon zou gaan verrekenen. [verzoekster] heeft zich vervolgens op 13 februari 2013 ziek gemeld. Vanaf 22 februari 2013 heeft [verweerster] geen loon aan [verzoekster] betaald. In de Probleemanalyse WIA van 27 maart 2013 schrijft de bedrijfsarts onder meer:

"Werkneemster ervaart medische klachten die een logische reactie zijn op de conflictsituatie, maar dit hoeft dan ook niet te betekenen dat betrokkene (…) ziek (…) of arbeidsongeschikt is. Werkneemster heeft geen medische beperkingen die de medewerkster verhinderen haar eigen werkzaamheden te verrichten. Wel dienen werkgever en werkneemster snel met elkaar in gesprek te gaan om over de conflictsituatie te spreken, conform de Nieuwe STECR richtlijn Arbeidsconflicten (jan 2010), daar werkneemster anders wel medische klachten kan gaan ontwikkelen die belemmerend zijn voor haar functioneren in loonvormende arbeid bij de eigen werkgever. (…) Er is sprake van een hoog oplopend arbeidsconflict, waarop werkneemster zich arbeidsongeschikt heeft gemeld".

2.3.

Bij brief van 15 april 2013 verzoekt de gemachtigde van [verweerster] [verzoekster] om uiterlijk 17 april 2013 contact met hem op te nemen voor het maken van een afspraak, onder de mededeling dat zij zich desgewenst door iemand anders kan laten bijstaan.

2.4.

Een op verzoek van [verzoekster] op 15 mei 2013 door het UWV uitgebracht deskundigenoordeel vermeldt onder meer dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek, "hetgeen overigens geenszins (betekent) dat betrokkene weer kan hervatten in haar werk. Het conflict dient eerst worden opgelost".

2.5.

[verzoekster] heeft [verweerster] vervolgens op 24 mei 2013 in kort geding gedagvaard, waarbij zij gevorderd heeft [verweerster] te veroordelen om het salaris vanaf 22 februari 2013 alsnog te betalen. Bij vonnis van 28 juni 2013 is deze vordering toegewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij arbeidsongeschikt is ten gevolge van ziekte. Het had echter op de weg van [verweerster] gelegen het advies van de bedrijfsarts op te volgen en daartoe zo spoedig mogelijk na ontvangst daarvan de nodige initiatieven te nemen. Dit heeft zij zonder goede reden geweigerd. De uitnodiging van de gemachtigde van [verweerster] voor een gesprek acht de kantonrechter in dat opzicht onvoldoende: deze uitnodiging kwam pas 20 dagen na de Probleemanalyse van de bedrijfsarts, en uit die uitnodiging kon niet worden afgeleid dat het te voeren gesprek betrekking zou hebben op de door de bedrijfsarts geadviseerde mediation, wat wel voor de hand had gelegen. Uit die brief kon juist worden opgemaakt dat [verweerster] enkel een gesprek wilde aangaan over hervatting van de werkzaamheden.

[verweerster] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, welke procedure naar de kantonrechter begrijpt op de parkeerrol is geplaatst.

2.6.

[verweerster] heeft de loonbetalingen vervolgens hervat en er heeft mediation plaatsgevonden, echter zonder succes. [verweerster] heeft [verzoekster] niet opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten, en [verzoekster] heeft daartoe zelf ook geen initiatieven genomen.

2.7.

Op 6 september 2013 heeft [verweerster] een ontslagvergunning voor [verzoekster] aangevraagd bij UWV Werkbedrijf op de grond dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat herstel daarvan niet meer mogelijk is.

2.8.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft tegen deze aanvraag verweer gevoerd. Zij stelt dat de verstoorde arbeidsverhouding volledig door [verweerster] is gecreëerd, waartoe zij verwijst naar het kortgedingvonnis. Volgens [verzoekster] heeft [verweerster] uitsluitend een ontslagvergunning aangevraagd om een ontslagvergoeding op grond van de kantonrechtersformule bij het instellen van een ontbindingsprocedure te ontlopen. Omdat de ontstane situatie aan [verweerster] te wijten is, heeft [verzoekster] (impliciet) verzocht de gevraagde toestemming te onthouden.

2.9.

Op 4 oktober 2013 is de gevraagde toestemming verleend, waarna [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 8 oktober 2013 tegen 2 december 2013 heeft opgezegd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden. Zij voert daartoe aan dat [verweerster] zich zeer onzorgvuldig heeft gedragen, en dat zij daarmee zo lang is doorgegaan dat [verzoekster] er letterlijk ziek van is geworden. [verweerster] weigert mee te werken aan een oplossing, en [verzoekster] kan daar niet meer tegen. Zij heeft er veel moeite mee om ziek thuis te zitten. Haar spanningsklachten zijn geaccepteerd door de behandelaars, maar ook door de bedrijfsarts. Deze achtte de medische klachten een "logisch gevolg" van de conflictsituatie. Ook de verzekeraar van [verweerster] gaat uit van situationele arbeidsongeschiktheid. Er is geen deugdelijk evaluatie- of functioneringsgesprek geweest. [verweerster] volstond met handgeschreven dictaten en verrekende eigenmachtig beweerdelijke pauzes, waarin [verzoekster] wel doorwerkte. [A] heeft zich daarbij verbaal agressief geuit en [verzoekster] de mond gesnoerd. Hij liet haar nooit uitpraten en creëerde door verbaal agressief optreden een arbeidsconflict.

Omdat [verweerster] niet als een goed werkgever heeft gehandeld is de verstoorde arbeidsrelatie volledig aan haar te wijten. [verzoekster] verzoekt een ontbindingsvergoeding toe te kennen conform de kantonrechtersformule, waarbij de correctiefactor C gesteld moet worden op 1,5, hetgeen volgens haar neerkomt op een bedrag van € 26.000,-- bruto.

Gelet op de omvangrijkheid van het dossier pleit [verzoekster] voor afwijking van de Aanbevelingen kantonrechtersformule, en verzoekt zij een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen van € 3.750,-- exclusief BTW.

3.2.

[verweerster] voert verweer. Voor zover nodig zal de kantonrechter daarop in het navolgende ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op de reeds vóór de indiening van het ontbindingsverzoek ingediende ontslagaanvraag bij UWV Werkbedrijf (van welke ontslagaanvraag [verzoekster] overigens geen melding heeft gemaakt in haar ontbindingsverzoek) is inmiddels beslist. Van de gegeven toestemming is inmiddels gebruik gemaakt. [verzoekster] heeft geen opmerkingen gemaakt over de opzegging en de opzegtermijn, zodat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst op 2 december 2013 eindigt, derhalve ruim 7 weken na de mondelinge behandeling.

Met partijen is de kantonrechter van oordeel dat voor de toewijsbaarheid van het ontbindingsverzoek door [verzoekster] aannemelijk gemaakt moet worden, dat de arbeidsovereenkomst (nog) eerder dan op 2 december 2013 dient te eindigen (vgl. HR 11 december 2009, LJN BL4004 (Van Hooff Elektra)).

[verzoekster] heeft ter aanvulling op het ontbindingsverzoek ter zitting in dat verband aangevoerd dat voortduring van de arbeidsovereenkomst haar herstel belemmert. Zij stelt dat zij lijdt aan spanningsklachten. Indien zij genoodzaakt zou zijn een vordering in te stellen op grond van kennelijk onredelijk ontslag, zou ook dat haar herstel niet bevorderen.

[verweerster] heeft ter zitting betwist dat sprake is van zodanige spanningsklachten, dat de arbeidsovereenkomst eerder dan 2 december 2013 dient te eindigen. Zij wijst er daarbij op dat volgens bedrijfsarts en het deskundigenoordeel geen sprake is van ziekte, en dat [verzoekster] haar stelling niet met nadere stukken heeft onderbouwd. Verder wijst [verweerster] erop dat zij het loon doorbetaalt zonder dat zij [verzoekster] voor hervatting van de werkzaamheden heeft opgeroepen.

4.2.

Desgevraagd heeft [verzoekster] ter zitting meegedeeld dat zij haar huisarts heeft gevraagd een verklaring over te leggen, maar dat deze zich heeft beroepen op zijn beroepsregels, die aan inwilliging van dat verzoek in de weg staan.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] aldus haar stelling, dat de spanningsklachten van dien aard zijn dat zij het einde van de opzegtermijn niet kan afwachten, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zij stelt weliswaar dat deze klachten door de bedrijfsarts en het UWV zijn erkend, maar dit legt onvoldoende gewicht in de schaal. Het oordeel van de bedrijfsarts en het UWV dateren immers van 27 maart 2013 (ruim 6 maanden geleden) respectievelijk van 16 mei 2013 (ruim 4 maanden geleden). Onder deze omstandigheden had het op haar weg gelegen een recent medisch oordeel over te leggen, waartoe zij zich tot een andere medicus had kunnen wenden nu haar huisarts tot het afgeven van een verklaring niet bereid bleek. Ook overigens heeft zij haar spanningsklachten in het geheel niet geconcretiseerd en de ernst daarvan niet nader toegelicht.

Het standpunt van [verzoekster] strookt overigens ook niet met haar opstelling in de ontslagprocedure bij UWV Werkbedrijf. In die procedure heeft zij immers verweer gevoerd tegen de gevraagde ontslagvergunning. Aldus heeft zij in die procedure aangestuurd op voortzetting van de arbeidsrelatie.

4.4.

Voor zover [verzoekster] aan haar verzoek bedoeld heeft mede ten grondslag te leggen dat zij na toekenning van een ontbindingsvergoeding niet genoodzaakt zal zijn een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag te beginnen, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. In de gegeven omstandigheden is de ontbindingsprocedure daarvoor niet bedoeld.

4.5.

Bij deze stand van zaken dient het verzoek te worden afgewezen, en behoeft al hetgeen [verzoekster] voor het overige heeft aangevoerd omtrent de verwijtbaarheid van de gedragingen van [verweerster] geen bespreking.

[verzoekster] zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, welke worden begroot op € 400,-- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerster], tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,-- aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.