Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4892

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
16.700190-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak na verdenking van het plegen van openlijk geweld in vereniging. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft bekend dat hij nabij de plaats delict aanwezig was op 6 oktober 2012. Verdachte ontkent en heeft een alternatief scenario gegeven. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet reeds op voorhand niet aannemelijk, ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk is. De rechtbank overweegt daartoe dat er geen bewijsmiddelen zijn die deze alternatieve lezing uitsluiten en dat er bovendien bewijsmiddelen zijn die deze alternatieve lezing zouden kunnen ondersteunen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16.700190-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 23 mei 2013. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 26 september 2013, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Op laatstgenoemde datum is de verdachte verschenen, bijgestaan door mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

A.J.S. Visser en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 oktober 2012 te Hilversum met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Kievitstraat en/of de Jan van der Heijdenstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit

- het meermalen, in elk geval eenmaal met een vuurwapen, in elk geval een daarop gelijkend voorwerp, en/of met een boksbeugel, in elk geval met een (hard) voorwerp, in/op/teen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] slaan en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) meermalen, in elk geval eenmaal slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer].

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 6 oktober 2012 om 22.21 uur kwam er bij de centrale meldkamer van de politie Gooi- en Vechtstreek een melding binnen dat er een poging overval was geweest op de eigenaar van de buurtwinkel [buurtwinkel], gevestigd aan de [adres] in [woonplaats]. Het slachtoffer, de heer [slachtoffer], zou op straat zijn bedreigd en mishandeld door drie personen, bewapend met vuurwapens. Door de komst van een getuige zouden de daders op de vlucht zijn geslagen en zouden zij zijn weggereden in een donkerkleurige Volkswagen Golf.

Later die avond wordt door [slachtoffer] aangifte gedaan en in de periode daarna worden meerdere getuigen gehoord.

Voorts wordt forensisch onderzoek verricht op de plaats delict, waarbij onder meer een zevental sigarettenpeuken is veilig gesteld. Op deze sigarettenpeuken worden sporen aangetroffen en uit onderzoek door het NFI blijkt dat de DNA-sporen overeenkomen met verdachte en met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Op 23 januari 2013 zijn verdachte en de medeverdachten aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe gewezen op de verklaring van aangever, die voor wat betreft het letsel steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige 1]. Voorts heeft hij gewezen op de verklaring van de getuige [getuige 2] die heeft verklaard dat hij heeft gezien dat er een man op de grond lag en dat drie jongens deze man schoppen. Voorts heeft de getuige verklaard dat hij één van de jongens een pistool zag vasthouden. De officier van justitie heeft aangevoerd dat in de kelderbox van medeverdachte [medeverdachte 1] patronen zijn aangetroffen die passen bij een wapen dat tevens past bij de op de plaats delict aangetroffen sledeborgpal. Volgens de officier van justitie past het voorgaande meer bij de stelling dat medeverdachte [medeverdachte 1] een wapen had dan dat aangever een wapen zou hebben gehad.

De officier van justitie heeft gewezen op het feit dat op de plaats delict sigarettenpeuken zijn aangetroffen met daarop DNA-sporen van verdachte en de medeverdachten en dat zij uiteindelijk ook hebben verklaard ter plaatse te zijn geweest.

De officier van justitie heeft verder gewezen op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] die zichzelf en de medeverdachten bij de aangever plaatst, alsmede op de verklaring van de zus van medeverdachte [medeverdachte 1].

Ten slotte heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van verdachte die heeft verklaard dat hij wist dat er een probleem was en dat het slachtoffer klappen zou krijgen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar is en om die reden niet kan worden gebezigd voor het bewijs. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 23 september 2008 (LJN BD3902) heeft de raadsman aangevoerd dat wanneer een verklaring ongeloofwaardig/onbetrouwbaar wordt geacht, deze verklaring dan ook niet op bepaalde delen kan worden gebruikt voor het bewijs.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en de medeverdachten weliswaar kunnen worden gebezigd voor het bewijs, maar dat deze verschillen van elkaar. Hij heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte niet hoogst onwaarschijnlijk is en dat deze bovendien steun vindt in een aantal andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en daaruit volgende omstandigheden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft bekend dat hij nabij de plaats delict aanwezig was op 6 oktober 2012. Verdachte heeft verklaard dat hij was gebeld door medeverdachte [medeverdachte 2] met het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte 2] ergens naartoe te brengen. Hij heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] heeft weggebracht en dat hij ter plaatse medeverdachte [medeverdachte 1] en een andere voor hem onbekende jongen zag staan. Hij heeft verklaard met hen een sigaret te hebben gerookt en dat hij daarna weer in zijn auto, een grijze Audi, is gaan zitten. Vervolgens ziet hij de andere drie jongens op een man aflopen en ziet hij hen praten. Dan wordt er geschreeuwd en wordt er geduwd en getrokken. Vervolgens ziet hij de jongens terug rennen naar hun auto, schrikt hij, ziet hij de auto wegrijden en is hij daar achteraan gereden.

De rechtbank overweegt dat verdachte, met bovenstaande verklaring, een alternatief scenario heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet reeds op voorhand niet aannemelijk, ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk is. De rechtbank overweegt daartoe dat er geen bewijsmiddelen zijn die deze alternatieve lezing uitsluiten en dat er bovendien bewijsmiddelen zijn die deze alternatieve lezing zouden kunnen ondersteunen.

Zo zou de verklaring van de getuige [getuige 2] de verklaring van verdachte kunnen ondersteunen in die zin dat deze getuige heeft verklaard dat hij de drie jongens weg zag rennen, in een blauwe auto heeft zien stappen en heeft zien wegrijden en dat, toen hij achter deze auto aan reed, er plotseling een grijze auto voor hem kwam rijden.

De verklaring van verdachte zou tevens kunnen worden ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 3] die heeft verklaard dat er een donkere auto bij het transformatorhuisje stond en dat bij deze auto een aantal mensen op straat stond en dat ter hoogte van de woning van de getuige een grijze Audi geparkeerd stond, waarin twee personen zaten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gegeven alternatieve lezing niet valt uit te sluiten en zal zij verdachte dan ook vrijspreken van het hem ten laste gelegde.

5 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 750,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de verdachte van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.J. Harmeijer, voorzitter, mrs. C.W. Couperus-van Kooten en L.G. Wijma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2013.