Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4881

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
AWB 12-4233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenaar, gemis aan octrooi

Samenvatting:

Eiser was tussen 1983 en 1987 werkzaam als promovendus bij de ZWO en heeft in die hoedanigheid (mee)gewerkt aan een - later geoctrooieerde – uitvinding. Hij heeft verweerder verzocht om een billijke vergoeding wegens gemis aan octrooi. Dit is een rechtsvordering als bedoeld in artikel 12, zesde lid, van de Rijksoctrooiwet 1995. Op grond van artikel 83, tweede lid, van de Row 1995 worden rechtsvorderingen, die gegrond zijn op artikel 12, zesde lid, aangemerkt als rechtsvorderingen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst, tenzij de rechtsbetrekking tussen de bij het geschil betrokkenen niet wordt bepaald door een arbeidsovereenkomst. Op grond van de door verweerder overgelegde stukken stelt de rechtbank vast dat de arbeidsverhouding tussen eiser en de ZWO werd beheerst door een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Op grond van artikel 83, tweede lid, van de Row 1995 dient de rechtsvordering bij de burgerlijke rechter te worden aangebracht. De rechtbank verklaart het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 12/4233

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.E. Heezius),

en

het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, verweerder

(gemachtigde: mr. dr. L.J.M. van der Valk).

Procesverloop

Bij brief van 17 januari 2012 heeft verweerder eiser bericht over zijn aanspraak op een vergoeding wegens gemis aan octrooi voor de Von Willebrand Factor. Eiser heeft hiertegen op 27 februari 2012 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 april 2012 heeft verweerder eiser bericht dat hij geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor gemis aan octrooi. Eiser heeft hiertegen op 29 mei 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 17 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard en tegen die van 17 april 2012 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 17 april 2012 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen die brief niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 156,- aan hem vergoedt;

  • -

    vermeldt dat ter zake van het onderhavige geschil uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

Overwegingen

1.

Eiser was tussen 1983 en 1987 werkzaam als promovendus bij de Nederlandse Organisatie voor zuiver wetenschappelijk onderzoek (ZWO) en heeft in die hoedanigheid (mee)gewerkt aan de - later geoctrooieerde - uitvinding van het recombinant Von Willebrand Factor.

2.

In (thans) artikel 12, zesde lid, van de Rijksoctrooiwet 1995 (Row 1995) (voorheen: artikel 10, tweede lid, van de Rijksoctrooiwet 1910) is bepaald dat, ingeval de uitvinder niet geacht kan worden in het door hem genoten loon of de door hem genoten geldelijke toelage of in een bijzondere door hem te ontvangen uitkering vergoeding te vinden voor het gemis aan octrooi, is degene aan wie krachtens het eerste, tweede of derde lid, de aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in verband met het geldelijke belang van de uitvinding en met de omstandigheden waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen.

3.

De rechtbank dient allereerst - ambtshalve - te beoordelen of zij (relatief) bevoegd is van het door eiser ingestelde beroep kennis te nemen.

4.

Op grond van artikel 81 van de Row 1995 is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor beroepen ingesteld tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank Den Haag bevoegd. In dit geval gaat het om een besluit op het bezwaar tegen de weigering een vergoeding in de zin van artikel 12, zesde lid, van de Row 1995 toe te kennen. Eisers standpunt dat aan hem in het verleden een toezegging is gedaan die dient te worden nagekomen, hetgeen naar hij stelt de grondslag vormt voor zijn vordering, laat onverlet dat sprake is van een rechtsvordering in de zin van dit artikel. Het besluit op bezwaar is dus een besluit in de zin van artikel 81 van de Row. Dit betekent dat de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Nu partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben ingestemd met afdoening van het beroep door de rechtbank Midden-Nederland, heeft de rechtbank uit het oogpunt van proceseconomie het beroep beoordeeld en uitspraak gedaan. Daarbij heeft zij artikel 8:117 van de Awb in acht genomen, waarin is bepaald dat, indien de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, de hogerberoepsrechter de uitspraak als bevoegdelijk gedaan kan aanmerken. Voorheen was een soortgelijke bepaling neergelegd in artikel 28 van de Beroepswet.

5.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 17 april 2012 terecht inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarvoor is (onder meer) vereist dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Anders dan eiser blijkens zijn brief van 24 januari 2013 veronderstelt, is dit een punt van openbare orde dat door de rechtbank ambtshalve dient te worden beoordeeld, ongeacht het standpunt van partijen hierover en de beslissing die het bestuursorgaan bij de beslissing op bezwaar hierover heeft genomen. De ontvankelijkheid van het bezwaar bepaalt immers de toegang tot de bestuursrechter, waarvan de grenzen door de bestuursrechter zelf worden bewaakt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 9 september 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7164), waarnaar door eiser ter zitting is verwezen, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De casus die aan deze uitspraak ten grondslag lag is niet te vergelijken met de casus in de onderhavige zaak. Het betrof een zaak over de bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een machtiging. Omdat het bestuursorgaan niet had verlangd dat de bevoegdheid tot het maken van bezwaar zou worden aangetoond door middel van het overleggen van een machtiging of een ander stuk waaruit de bevoegdheid tot het maken van bezwaar bleek, kon aan de door het bestuursorgaan aangenomen bevoegdheid in beroep niet worden afgedaan. De bevoegdheid tot het opvragen van een machtiging is echter discretionair van aard evenals de bevoegdheid tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar wegens het ontbreken van een machtiging. In dit geval ligt ter beoordeling voor of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Die beoordeling is geen discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan.

6.

Op grond van artikel 83, tweede lid, van de Row 1995 worden rechtsvorderingen, die gegrond zijn op artikel 12, zesde lid, aangemerkt als rechtsvorderingen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst, tenzij de rechtsbetrekking tussen de bij het geschil betrokkenen niet wordt bepaald door een arbeidsovereenkomst. De vraag is dan ook of de arbeidsverhouding tussen eiser en de ZWO werd beheerst door een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of dat eiser was aangesteld als ambtenaar, zoals hij stelt.

7.

Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat sprake was van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Eiser was werkzaam als adjunct-wetenschappelijk ‘ambtenaar’. Arbeidsrechtelijke stukken van eiser zijn echter niet meer voorhanden. Door verweerder zijn wel stukken overgelegd met betrekking tot een andere medewerker die vanaf 1 december 1979 als wetenschappelijke ambtenaar eerste klasse bij de ZWO werkzaam was. Weliswaar betrof dit naar de letter een aanstelling als ‘ambtenaar’, maar uit de stukken blijkt onmiskenbaar dat hiermee niet een publiekrechtelijke aanstelling als ambtenaar werd beoogd. Uit de stukken blijkt immers dat deze medewerker een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht had, die werd beheerst door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (artikel XXI van de Arbeidsvoorwaarden). In de ‘Aanvullende inlichtingen over de rechtspositie van het Z.W.O.-personeel’ werd bovendien expliciet het volgende opgemerkt:

“Het lijkt ons goed er op te wijzen dat de Z.W.O.-werknemer, ofschoon hij onder de Algemene Burgerlijke Pensioenwet valt, geen rijksambtenaar is. Daarover bestaat nog wel eens misverstand. Z.W.O. is weliswaar een publiekrechtelijk lichaam (ingesteld bij een wet), maar met de werknemers wordt een arbeidsovereenkomst gesloten volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepalingen gelden niet voor de rijksambtenaren; hun aanstelling en rechtspositie worden geregeld door de Ambtenarenwet, die niet voor Z.W.O. geldt. Werknemers van Z.W.O. zijn dus wèl “ambtenaar in de zin van de Pensioenwet”, maar géén “ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet”. Dat Z.W.O. de rijkssalarisschalen toepast en ook overigens in haar personeelsbeleid zoveel mogelijk de normen volgt die voor de rijksambtenaren gelden, doet hieraan niet af”.

Ter zitting heeft [A], voormalig medewerker van de afdeling Personeelszaken van de ZWO, onder ede verklaard dat al het personeel tot 1 februari 1988 in dienst was op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. [A] is zelf in 1985 in dienst gekomen bij de ZWO, maar hij heeft verklaard dat, voorzover hem bekend, ook al het personeel in de jaren daarvoor, zoals eiser, in dienst was op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Deze verklaring wordt ondersteund door de door verweerder overgelegde stukken die betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst uit 1979.

8.

Nu de relatie tussen eiser en de ZWO een civielrechtelijke was (van werkgever-werknemer), dienen op grond van artikel 83, tweede lid, van de Row 1995 rechtsvorderingen in de zin van artikel 12, zesde lid, van de Row 1995 bij de burgerlijke rechter te worden aangebracht. In dat kader kunnen de toezegging die volgens eiser aan hem is gedaan en de wettelijke verplichtingen aan de orde worden gesteld. Dit blijkt ook uit arresten van de Hoge Raad van 1 maart 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD7342) en 27 mei 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1377). Ook in die gevallen was sprake van rechtsvorderingen in de zin van artikel 12, zesde lid, van de Row in een civielrechtelijke arbeidsrelatie die werden aangebracht bij de burgerlijke rechter (de kantonrechter).

9.

Nu eiser niet was aangesteld als ambtenaar bij ZWO, ontbeert de in de brief van 17 april 2012 neergelegde beslissing een publiekrechtelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor de brief van 17 januari 2012, nog daargelaten de vraag of de daarin neergelegde beslissing sowieso op rechtsgevolg is gericht. Er is dus geen sprake van besluiten in de zin artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar open stond. Gelet hierop had verweerder het bezwaar tegen beide brieven niet-ontvankelijk moeten verklaren.

10.

Aan het voorgaande doet niet af de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters, waarnaar eiser in de brief aan de rechtbank van 24 januari 2013 onder 23 heeft verwezen. Die jurisprudentie heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan wordt geacht op publiekrechtelijk rechtsgevolg te zijn gericht indien het bestuursorgaan, hoewel niet bevoegd het rechtsgevolg tot stand te brengen, dit wel heeft beoogd in het kader van de uitoefening van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid. Dit geval doet zich hier niet voor. Het gaat hier niet om een gepretendeerde bevoegdheid van het bestuursorgaan, maar om een bestaande bevoegdheid. De NWO is immers wel bevoegd om te beslissen op de rechtsvordering van eiser, zij het - als organisatie met rechtspersoonlijkheid - op civielrechtelijke grondslag. Anders dan eiser betoogt, is deze uitkomst niet strijdig met de rechtszekerheid. De door eiser genoemde situatie dat de in de brieven van 17 januari 2012 en 17 april 2012 neergelegde beslissingen ‘formele rechtskracht’ zouden krijgen, doet zich immers niet voor: het zijn geen besluiten en ze kunnen dus ook niet in rechte onaantastbaar worden. Het zijn beslissingen over een civielrechtelijke aansprakelijkheid die eiser desgewenst aan de burgerlijke rechter kan voorleggen, daargelaten wat verweerder heeft betoogd over verval en verjaring.

11.

Dat, zoals eiser heeft betoogd in de brief van 24 januari 2013, bovenstaande uitkomst strijd zou opleveren met het verbod van willekeur en discriminatie, ziet de rechtbank niet in. De Row 1995 maakt een onderscheid tussen civielrechtelijke en publiekrechtelijke arbeidsverhoudingen. Niet is onderbouwd en niet valt in te zien dat dit onderscheid niet is toegestaan. Inherent aan dit systeem is dus ook dat een ambtenaar die een rechtsvordering op grond van artikel 12, zesde lid, van de Row indient een andere procedure doorloopt dan een werknemer met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

12.

Ook kan aan het voorgaande eisers beroep op het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair trial, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), niet afdoen. Zoals hiervoor overwogen beoordeelt de rechtbank zelf of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiser kan aan de kwalificatie door het bestuursorgaan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. Verder valt niet in te zien dat sprake zou zijn van strijd met artikel 6 van het EVRM. Er is voorzien in een deugdelijke rechtsingang, namelijk die bij de burgerlijke rechter.

13.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 17 april 2012 ongegrond is verklaard. Nu verweerder na de vernietiging van dit deel van het bestreden besluit in een (nieuw) op bewaar te nemen besluit - gelet op het hiervoor overwogene - eisers bezwaarschrift slechts niet-ontvankelijk kan verklaren, heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser in zijn bezwaar tegen de brief van 17 april 2012 niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.