Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4872

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
C-16-349830 - FA RK 13-5057
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit het gezag nu minderjarige kind ernstig gehandicapt is geraakt door baby shaken syndroom. niet vastgesteld is wie van beide ouders dat heeft gedaan maar in beide gevallen heeft moeder haar kind hier niet voor kunnen beschermen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/349830 / FA RK 13-5057

(ontheffing)

Beschikking van 2 oktober 2013

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, Midden Nederland,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de raad,

tegen

[moeder] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de moeder.

Belanghebbenden:

[vader] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vader,

[pleegmoeder] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de pleegmoeder,

William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,

hierna te noemen de WSG,

Bureau Jeugdzorg Noord- Holland,

gevestigd te Hilversum,

hierna te noemen BJZ.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De raad heeft op 30 juli 2013 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend (waaronder het raadsrapport van 25 juli 2013) dat strekt tot ontheffing van de moeder van het gezag over de hierna te noemen minderjarige.

1.2.

Op 10 september 2013 is ter griffie van deze rechtbank binnengekomen een brief van de pleegmoeder en een faxbericht van de raad met bijgevoegd de zogenoemde bereidverklaring aanvaarding voogdij door BJZ.

1.3.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 10 september 2013. Hierbij zijn verschenen mevrouw I. de Visser namens de raad, de moeder en mevrouw Ten Thije, gezinsvoogd, namens WSG.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader is geboren:

[dochter] , geboren op [2008] te [geboorteplaats].

2.2.

De vader heeft [dochter] erkend.

2.3.

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [dochter].

2.4.

[dochter] is op 5 januari 2009, op dat moment circa twee maanden oud, met ernstig hersenletsel opgenomen in het ziekenhuis. Na vermoeden van mishandeling door (één van) de ouders is [dochter] bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2009 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, met benoeming van BJZ tot gezinsvoogdij instelling. [dochter] is vervolgens bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2009 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2012 voor de duur van een jaar verlengd.

Een machtiging uithuisplaatsing gedurende dag en nacht voor plaatsing in een pleeggezin is verleend door de kinderrechter te Amsterdam met ingang van 21 januari 2009. Deze machtiging uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2013 voor de duur van zes maanden.

2.5.

[dochter] verblijft sedert 19 februari 2009 in het pleeggezin.

2.6.

Op 16 april 2013 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank te Amsterdam

vonnis gewezen en is de moeder vrijgesproken van het haar tenlastegelegde met betrekking tot het ontstaan van het letsel van [dochter].

2.7.

BJZ heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [dochter] te aanvaarden en

WSG heeft zich namens Bureau Jeugdzorg schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [dochter] uit te voeren.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De raad heeft gesteld dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van [dochter] te vervullen, omdat na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden is gebleken, of omdat na een uithuisplaatsing van een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat de maatregel van ondertoezichtstelling onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) af te wenden. De raad stelt voor om BJZ Regiokantoor Het Gooi Jeugdbescherming tot voogd te benoemen, waarbij de maatregel wordt uitgevoerd door WSG namens Bureau Jeugdzorg NH Regiokantoor het Gooi Jeugdbescherming. Volgens de raad verzet het belang van [dochter] zich niet tegen deze maatregel.

3.2.

De raad heeft - kort weergegeven - aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat een verderstrekkende maatregel in de vorm van een gedwongen ontheffing nodig is. [dochter] is een meisje van vier jaar dat functioneert op een ontwikkelingsleeftijd van rond de 12 maanden. [dochter] kan niet lopen, praten of zelfstandig eten. [dochter] heeft constant toezicht nodig en zal altijd dagverzorging en begeleiding nodig blijven houden. Geconstateerd is dat dit de gevolgen zijn van ernstig letsel dat door kindermishandeling is toegebracht. Er is door de rechtbank duidelijk uitgesproken dat het letsel bij [dochter] is veroorzaakt door menselijk handelen door een of beide ouders. Ouders ontkennen beiden een aandeel te hebben gehad in de mishandeling waardoor het niet mogelijk is passende hulpverlening in te zetten. Een terugplaatsing van [dochter] bij een van de ouders wordt dan ook niet als mogelijkheid gezien omdat de veiligheid van [dochter] niet kan worden gegarandeerd, terwijl veiligheid een van de belangrijkste basisbehoeften van een kind is. Doordat de veiligheid niet kan worden gewaarborgd is moeder (maar overigens ook vader) ongeschikt om [dochter] te verzorgen en op te voeden en kan de doelstelling van de ondertoezichtstelling dan ook niet worden gehaald. Gelet op het voorgaande is het niet van belang dat beide ouders waarschijnlijk over voldoende opvoedingsvaardigheden en capaciteiten beschikken.

[dochter] kan de komende tijd in ieder geval bij haar huidige pleegmoeder blijven, waar zij de ondersteuning, begeleiding en veiligheid ontvangt die zij nodig heeft. Moeder wil daarentegen graag dat [dochter] op termijn bij haar komt wonen. Moeder heeft zich altijd tegen de uithuisplaatsing verzet en moeder legt zich er niet bij neer om opvoeder op afstand te zijn. De raad is van mening dat de broze ontwikkeling van [dochter] bij pleegmoeder moet worden gewaarborgd en dat deze niet op het spel mag worden gezet. Daarbij is niet van belang dat dit misschien maar tijdelijk is omdat niemand kan zeggen of [dochter] gelet op haar beperkingen en de zorg die zij nodig heeft over een paar jaar nog thuis kan wonen.

Volgens de raad moet een neutrale derde met de voogdij over [dochter] worden belast. Familieleden zijn emotioneel mogelijk te zeer betrokken hetgeen de uitoefening van de voogdij zal belemmeren, temeer daar er verschillende belangen spelen met betrekking tot de omgang.

3.3.

De moeder heeft zich tegen het ontheffingsverzoek verweerd. Het verzoek maakt haar verdrietig. Zij vindt de zorg die de raad heeft begrijpelijk, maar zij stelt dat zij het gezag nooit heeft misbruikt. Zij zet zich al viereneenhalf jaar in voor [dochter] en zij probeert te laten zien wie ze is. Zij is de moeder van [dochter] en zij wil er voor haar zijn en haar liefde geven. Haar vrees is dat de bezoekregeling op termijn misschien weer wordt teruggedraaid en dat het dan moeilijker voor haar is om daar bezwaar tegen te maken omdat haar positie zonder gezag anders is. Ook heeft ze zorgen over het feit dat de voogdij niet naar de pleegmoeder gaat maar naar een instelling, waarvan thans niet vaststaat dat die instelling aan het eind van het jaar nog als zelfstandige eenheid zal bestaan. Zij zou liever zien dat een familielid van haar wordt belast met de voogdij. Op zich zou zij het liefste zelf voor [dochter] gaan zorgen, maar het is de vraag hoe realistisch die wens is, aldus de moeder. Moeder heeft veel vertrouwen in pleegmoeder en [dochter] krijgt daar alle liefde en zorg die ze nodig heeft. Wel is moeder bezorgd dat de pleegmoeder op den duur niet meer voor [dochter] kan zorgen.

3.4.

De gezinsvoogdes heeft ter zitting gesteld dat het in het belang van [dochter] is dat zij bij de pleegmoeder blijft wonen en dat het perspectief voor de komende jaren duidelijk moet worden.

De gezinsvoogdes heeft terechtzitting voorts gesteld dat waarschijnlijk nooit duidelijk zal worden of de moeder het letsel bij [dochter] heeft toegebracht. Reeds om die reden is er geen onderzoek meer gedaan naar de individuele opvoedkwaliteiten van de ouders aangezien de veiligheid van [dochter] bij de moeder (en overigens ook bij de vader) niet kan worden gewaarborgd.

3.5.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 BW kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn kind op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in art 1:268 lid 1 BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich tegen de ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel. In dit geval is het onder a bepaalde van belang. Dit houdt in dat op grond van artikel 1:268 lid 2 onder a BW een ontheffing ondanks verzet van de ouder worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.6.

[dochter] is enkele maanden na haar geboorte opgenomen in het ziekenhuis met ernstig hersenletsel, waarvan op grond van conclusies van twee deskundigen is gebleken dat dit letsel is ontstaan door menselijk handelen, door het hevig met kracht heen en weer schudden van [dochter]. Beide ouders ontkennen dit en op grond van de rapportages kan niet worden vastgesteld wie van beide ouders, dan wel beide ouders tezamen, verantwoordelijk is voor het toegebrachte letsel, terwijl uit de verklaringen van ouders kan worden opgemaakt dat er in die periode geen derde persoon betrokken is geweest bij [dochter]. Ten aanzien van de primair voorliggende vraag of de moeder ongeschikt dan wel onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, is daarom van belang de vraag of uit het feit dat nooit duidelijk zal worden of een van de ouders het lichamelijk letsel heeft toegebracht bij [dochter], geconcludeerd moet worden dat de veiligheid van [dochter] niet is gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, zowel in het geval dat moeder het letsel zelf heeft toegebracht als in het geval dat de vader dat heeft gedaan. In het geval dat moeder het letsel heeft toegebracht is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van [dochter] reeds om die reden niet is gewaarborgd. In het geval dat vader het letsel zou hebben toegebracht is de moeder niet in staat geweest [dochter] voldoende bescherming te bieden waardoor zij ook de veiligheid van [dochter] niet heeft kunnen waarborgen. Ook voor de toekomst valt deze veiligheid niet te waarborgen nu er geen passende hulpverlening heeft plaatsgevonden en [dochter] bovendien meervoudig gehandicapt is en zeer intensieve verzorging nodig heeft. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de moeder door het niet kunnen bieden van veiligheid, ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot opvoeding en verzorging te vervullen.

3.7.

Vaststaat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op het werken aan de terugkeer van het kind naar de ouder. Deze maatregelen kunnen niet eindeloos worden verlengd. Op enig moment dient er duidelijkheid te komen over de verblijfsituatie van het kind tot zijn of haar meerderjarigheid en komt ook een meer definitieve maatregel aan de orde, zoals een ontheffing uit het gezag.

3.8.

De vraag is vervolgens of de huidige maatregelen van ondertoezichtstelling en

uithuisplaatsing voldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Voor [dochter] betekent dat dat er voldoende zekerheid en continuïteit is ten aanzien van de plaatsing bij pleegmoeder nu haar - broze - ontwikkeling in het pleeggezin niet in gevaar mag worden gebracht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat moeder zich niet duurzaam conformeert aan de uithuisplaatsing en dat het haar uiteindelijke wens is dat zij zelf voor [dochter] zou kunnen zorgen. Hoewel moeder haar gezag op zichzelf niet misbruikt, komt de rechtbank op grond van het voorgaande evenwel tot de conclusie dat de huidige maatregelen onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Dit geldt temeer nu door de ontheffing de plaatsing in het huidige pleeggezin (voorlopig) kan worden bestendigd, omdat de pleegmoeder bij de ontheffing van het gezag van moeder een beroep zal kunnen doen op de voor [dochter] noodzakelijke benodigde hulpmiddelen waardoor [dochter] mogelijk een langere periode bij de pleegmoeder zal kunnen blijven wonen. Gelet op het voorgaande is het belang van [dochter] bij een ontheffing van de moeder uit het gezag een gegeven. Hieraan doet niet af dat [dochter] vermoedelijk niet altijd bij de pleegmoeder kan blijven wonen nu het verre toekomstperspectief van [dochter] onduidelijk is en samenhangt met de vraag welke ontwikkeling zij de komende jaren door zal maken.

3.9.

Hoewel moeder heeft verzocht een familielid met het gezag te belasten indien zij

wordt ontheven van het gezag, welk verzoek de rechtbank op zich begrijpelijk voorkomt, is de rechtbank met de raad van oordeel dat een neutrale instantie met het gezag moet worden belast vanwege de emotionele betrokkenheid van familieleden en gelet op de tegengestelde belangen van de moeder en de vader met betrekking tot de omgang.

3.10.

Moeder heeft de zorg uitgesproken dat haar positie verslechtert door de ontheffing van het gezag, hetgeen problemen op zal leveren indien de omgangsregeling misschien weer zal worden teruggedraaid. De rechtbank overweegt in dit verband dat ontheffing van het gezag nadrukkelijk niet het doel heeft om de band en een goede bezoekregeling van de moeder met [dochter] aan te tasten.

3.11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het verzoek van de raad om de moeder van het ouderlijk gezag over [dochter] te ontheffen, toewijzen, evenals het verzoek van de raad om BJZ Utrecht te belasten met de voogdij over [dochter], welke uitgevoerd zal worden door WSG.

4 Beslissing

de rechtbank:

ontheft [moeder], wonende te [woonplaats],

van het gezag over de minderjarige:

[dochter] , geboren op [2008] te [woonplaats];

benoemt over de voornoemde minderjarige tot voogdes:

Bureau Jeugdzorg Regiokantoor Het Gooi Jeugdbescherming;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. J. Nicholson en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. -C.M. Bosma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2013.