Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4830

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
352983 / HA RK 132-68
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

locatie: Utrecht

Rekestnummer: 352983 / HA RK 132-68

Zaaknummer: WK2013/031

Beslissing van 10 oktober 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken.

op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker],

geboren op [1986] en

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Wolvenplein

verder te noemen verzoeker.

Raadsman: mr. J.B. Boone en mr. M. t’Sas.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 19 september 2013

  • -

    het faxbericht van mr. J.B. Boone van 20 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van de meervoudige strafkamer van 9 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van de meervoudige strafkamer van 19 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken op 23 september 2013

  • -

    het ongedateerde schriftelijke verweer van mr. J.P.W. Helmonds, mede namens mr. M.J. Grapperhaus en mr. A. van Maanen

  • -

    het faxbericht van mr. J.B. Boone van 24 september 2013

1.2.

Bij de voortgezette mondelinge behandeling op 26 september 2013 zijn verschenen:

  • -

    verzoeker, bijgestaan door mr. J.B. Boone en mr. M. t’ Sas

  • -

    mr. M.J. Grapperhaus en mr. A. van Maanen

1.3.

Mr. J.P.W. Helmonds heeft laten weten vanwege verhindering niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. M.J. Grapperhaus, mr. A. van Maanen en mr. J.P.W. Helmonds als rechters in de strafzaak met parketnummer 16/702181-12 tegen verzoeker als verdachte.

2.2.

Bij faxbericht van 24 september 2013 heeft mr. J.B. Boone verzocht om de geluidsopname van de terechtzitting van 19 september 2013 van de meervoudige strafkamer ten gehore te laten brengen. De voorzitter heeft kenbaar gemaakt dat dit verzoek slechts kan worden afgewezen nu er tijdens de terechtzitting van 19 september 2013 geen geluidsopname is gemaakt.

2.3.

Ter zitting hebben mr. J.B. Boone en mr. M. t’Sas een pleitnotitie voorgedragen.

2.4.

De gewraakte rechters, mr. M.J. Grapperhaus, mr. A. van Manen en mr. J.P.W. Helmonds hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben hieromtrent zowel schriftelijk als mondeling een standpunt ingenomen. Dat standpunt wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door zowel artikel 512 van het Wetboek van strafvordering als door artikel 6 EVRM, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bezien bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter kan onderscheid gemaakt worden tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. De verzoeker hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden ook werkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid, een gerechtvaardigde vrees hiertoe kan voldoende zijn. De feiten waarop de verzoeker zich beroept moeten aannemelijk zijn geworden en zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid.

3.4.

Verzoeker heeft een aantal wrakingsgronden aangevoerd die deels alleen zien op de onpartijdigheid c.q. vooringenomenheid van mr. M.J. Grapperhaus en/of mr. A. van Maanen en deels op de onpartijdigheid c.q. vooringenomenheid van de gehele zittingscombinatie van 19 september 2013.

3.5.

Beslissing in de hoofdzaak

3.5.1.Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de gewraakte zittingscombinatie op 19 september 2013 een beslissing in de hoofdzaak heeft genomen en niet enkel heeft beslist ten aanzien van de voorlopige hechtenis van verzoeker. Verzoeker komt tot deze conclusie omdat op 19 september 2013 door de voorzitter zou zijn gesteld dat het strafdossier nu compleet is en dat daaruit voldoende blijkt van een criminele organisatie. Op grond hiervan is de voorlopige hechtenis van verzoeker niet opnieuw geschorst.

3.5.2.

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van de meervoudige strafkamer van 19 september 2013 wel blijkt dat het eindproces-verbaal inmiddels gereed is, maar niet dat dit de reden is van het niet (opnieuw) honoreren van een schorsingsverzoek van de voorlopige hechtenis van verzoeker. Echter, ook indien het standpunt van verzoeker juist zou zijn, betekent dit nog niet dat er sprake is van enige beslissing in de hoofdzaakHet oordeel van de gewraakte rechters moet aldus worden verstaan dat de ernstige bezwaren tegen verzoeker nog steeds aanwezig waren ten tijde van de zitting en dat de belangenafweging op dat moment niet leidde tot het opnieuw schorsen van de voorlopige hechtenis. Dergelijke beslissingen in het kader van verzoeken over de voorlopige hechtenis bevatten naar hun aard een voorlopig oordeel. De rechters hebben dit ter zitting van de wrakingskamer benadrukt met de toevoeging dat de vraag of de ernstige bezwaren uiteindelijk uitmonden in een veroordeling of een vrijspraak bij eindvonnis zal worden beoordeeld naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

3.6.

Willekeur c.q. vaststaande beslissing

3.6.1.

Verzoeker stelt het volgende:

Aan de hand van een matrix, weergegeven op pagina 8 en verder van de pleitnotitie, komt verzoeker tot de conclusie dat ten tijde van beslissing op 19 september 2013 op voorhand vaststond dat ofwel mr. M.J. Grapperhaus ofwel mr. A. van Maanen tegen een hernieuwd schorsingsverzoek van verzoeker zou stemmen. Ten aanzien van mr. J.P.W. Helmonds is dit niet het geval omdat hij, in tegenstelling tot mr. M.J. Grapperhaus en mr. A. van Maanen, geen deel uitmaakte van de zittingscombinatie van 9 september 2013. Omdat het schorsingsverzoek op 9 september 2013 is toegewezen, moeten ten minste twee rechters voor het schorsingsverzoek hebben gestemd. Aangenomen moet worden dat de rechters die zowel deel uitmaakten van de zittingscombinatie van 9 september 2013 als van de combinatie van 19 september hetzelfde hebben gestemd ten aanzien van de schorsingsverzoeken. Er zou anders immers sprake zijn van willekeur omdat van enig ‘novum’ tussen 9 en 19 september 2013 geen sprake is. Hiervan uitgaande kan het niet anders zijn, dan dat ofwel mr. M.J. Grapperhaus ofwel mr. A. van Maanen op 9 september 2013 tegen het schorsingsverzoek heeft gestemd en aldus vooringenomen was ten aanzien van een hernieuwd schorsingsverzoek op 19 september 2013. Immers stond vast dat hij of zij tegen zou gaan stemmen.

Als niet vaststond dat door ten minste een rechter tegen zou worden gestemd dan blijkt uit de matrix dat ofwel mr. M.J. Grapperhaus ofwel mr. A. van Maanen haar of zijn beslissing van 19 september 2013 heeft gewijzigd ten opzichte van die van 9 september 2013. Dit terwijl hiertoe geen enkele aanleiding was. Dit geeft blijk van willekeur, aldus verzoeker.

3.6.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op de zitting van 9 september 2013 werd verzoeker niet bijgestaan door zijn eigen raadsman maar door een kantoorgenoot. Deze heeft primair een verzoek gedaan tot schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd, en subsidiair tot de zitting van 19 september 2013. De zittingscombinatie heeft vervolgens het subsidiaire verzoek toegewezen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 19 september 2013 blijkt dat de rechters hiertoe hebben besloten omdat zij het correct achtten een materiële beoordeling te verschuiven naar de zitting waarop verzoeker weer door zijn eigen raadsman (mr. Boone) zou worden bijgestaan.

Deze situatie geeft geen blijkt van persoonlijke vooringenomenheid bij de betrokken rechters, terwijl evenmin naar objectieve maatstaven kan worden geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeker grond hebben gegeven voor de vrees dat het de betrokken rechters aan onpartijdigheid heeft ontbroken. De rechters hebben immers juist uit het oogpunt van zorgvuldigheid de materiële beoordeling verschoven naar een zitting waarop verzoeker weer door zijn eigen raadsman werd bijgestaan en verzoeker tot die tijd geschorst. Hieruit kan bezwaarlijk willekeur of vooringenomenheid worden afgeleid. Verzoeker had er voorts rekening mee moeten en kunnen houden dat op die zitting het schorsingsverzoek weer in volle omvang aan de orde zou komen.

3.7.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat mr. M.J. Grapperhaus, mr. A. van Maanen en/of mr. J.P.W. Helmonds blijk hebben gegeven van vooringenomenheid dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. M.J. Grapperhaus, mr. A. van Maanen en mr. J.P.W. Helmonds af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, zijn raadsmannen en de gewraakte rechters, alsmede aan de voorzitter van de afdeling strafrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de strafzaak tegen verzoeker dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door de mr. J. Sap, voorzitter, en mr. M. ter Brugge en mr. L.M.G. de Weerd, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van Gaal en in openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.