Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4783

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
352481 / HARK 13-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Lelystad

Rekestnummer: 352481 / HARK 13-255

beslissing van 20 september 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen[verzoekster],

vezoekster,

gemachtigde R. Koster.

1 De procedure

1.1.

Bij de Rechtbank Midden-Nederland, sector Kanton, locatie Utrecht, is tussen Agis Zorgverzekeringen N.V. als eiseres en verzoekster als gedaagde een procedure aanhangig met rolnummer 818013 UC EXPL 12-9117. De zaak is in behandeling bij de kantonrechter mr. D.C.P.M. Straver. Op 26 augustus 2013 heeft verzoekster (wederom) een verzoek tot wraking van de kantonrechter ingediend.

1.2.

Voormeld verzoek, bij de rechtbank geregistreerd onder rekestnummer 351439 / HA RK 13-241, zou worden behandeld ter terechtzitting van 3 september 2013 om 10.30 uur. Verzoekster is bij brief (zowel per aangetekende post als per e-mail verzonden) van 26 augustus 2013 opgeroepen voor de behandeling.

1.3.

Per e-mail van 2 september 2013 heeft verzoekster een schriftelijk verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer, belast met de behandeling van het verzoek tot wraking van de kantonrechter, ingediend. Dit verzoek, bij de rechtbank geregistreerd onder rekestnummer 351978 / HA RK 13-247, zou worden behandeld ter terechtzitting van 12 september 2013 om 10.00 uur. Verzoekster is bij brief (zowel per aangetekende post als per e-mail verzonden) van 5 september 2013 opgeroepen voor de behandeling.

1.4.

Per e-mail van 12 september 2013, om 8.53 uur verzonden, heeft verzoekster een schriftelijk verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer, belast met de behandeling van het verzoek tot wraking van de wrakingskamer, ingediend. Daarop is een meervoudige kamer samengesteld voor de behandeling van dit verzoek.

2 De gronden van het verzoek

2.1.

Aan het verzoek heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor in het geding is gebracht, waardoor de schijn van partijdigheid is gewekt. Verzoekster stelt dat zij in haar belangen is geschaad doordat:

1. zij geen kopie van het verweerschrift heeft ontvangen

2. niet tijdig voor de terechtzitting kenbaar is gemaakt of de rechters van de wrakingskamer al dan niet in het wrakingsverzoek berusten

3. niet tijdig voor de terechtzitting kenbaar is gemaakt of de rechter van de wrakingskamer ter terechtzitting aanwezig zullen zijn, en

4. de tijdsduur van de zitting niet bekend is gemaakt.

3 De beoordeling van het verzoek

3.1.

Op grond van artikel 10.3 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Midden-Nederland worden wrakingsverzoeken die zijn gericht tegen (leden van) de wrakingskamer niet in behandeling genomen, indien zij kennelijk niet voldoen aan de in paragraaf 4 vermelde eisen.

Uit paragraaf 4.1. volgt dat een wrakingsverzoek gemotiveerd dient te zijn ten aanzien van iedere rechter op wie het betrekking heeft. In paragraaf 4.3 is vermeld dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om kennelijk niet-ontvankelijke verzoeken tot wraking van de leden van de wrakingskamer buiten behandeling te laten.

3.2.

In casu voldoet het verzoek niet aan de daaraan te stellen eisen. Immers het verzoek is niet gebaseerd op concrete, op de betrokken rechters toegespitste argumenten. Hetgeen door verzoekster is aangevoerd ter onderbouwing van haar verzoek heeft geen betrekking op de betrokken leden van de wrakingskamer, maar ziet geheel op de procedurele gang van zaken. Daar komt bij dat de griffier van de wrakingskamer, naar aanleiding van de e-mail van verzoekster van 11 september 2013 om 13.48 uur, bij brief van 11 september 2013 (per e-mail verzonden) verzoekster heeft bericht dat nog geen verweerschrift was ontvangen, de rechters van de wrakingskamer niet berusten in de wraking, het niet bekend was of de rechters van de wrakingskamer zouden verschijnen en dat er dertig minuten voor de behandeling was uitgetrokken.

3.3.

Nu het verzoekschrift klaarblijkelijk niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen verplicht ook artikel 39 lid 2 Rv de rechtbank niet tot het horen van verzoekster. Het verzoek belemmert de voortgang van de hoofdzaak. De voorschriften tot behandeling van wrakingsincidenten wijzen er op dat beoogd is de vertraging van de behandeling van de hoofdzaak zo kort als mogelijk te doen zijn. Met artikel 39 lid 2 Rv is beoogd verzoekers de gelegenheid te bieden te worden gehoord op de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan zij menen dat de onpartijdigheid van één of meer bepaalde rechters in geding is. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever beschouwd als een debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek aanstonds niet ontvankelijk dient te worden verklaard

3.4.

. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn er termen thans reeds te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken van verzoekster tegen leden van de rechtbank belast met de behandeling van het wrakingsverzoek van de kantonrechter in de zaak met rolnummer 818013 EC EXPL 12-9117 niet in behandeling zullen worden genomen. Het ongemotiveerd wraken van de leden van de wrakingkamer moet worden beschouwd als misbruik van de bevoegdheid tot het indienen van een wrakingsverzoek.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek;

4.2.

bepaalt dat een volgend verzoek van verzoekster tot wraking van leden van de rechtbank belast met de behandeling van het verzoek tot wraking van de kantonrechter niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. Lieshout (voorzitter) en de mrs. C.J. Hofman en A. van Holten in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Weistra en in openbaar uitgesproken op 20 september 2013.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.