Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4782

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
351754 HA RK 13-242
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer 351754 HA RK 13-242

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van:

mr. dr. [verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen verzoekster.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 29 augustus 2013 heeft verzoekster bij de rechtbank het verzoek gedaan tot wraking van mr. P.K. Nihot (hierna te noemen: de rechter) rechter in de afdeling Bestuursrecht van deze rechtbank.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft op 2 september 2013 schriftelijk zijn standpunt weergegeven.

1.3.

De griffier van deze rechtbank heeft verzoekster en de rechter opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 3 september 2013. De belanghebbende derde, de burgemeester van de gemeente Amersfoort (hierna: de burgemeester), is van de behandeling in kennis gesteld.

1.4.

Het wrakingsverzoek is op 3 september 2013 in het openbaar behandeld. Verzoekster was met bericht van verhindering afwezig, evenals de rechter.

1.5.

Na sluiting van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de rechtbank een brief van de burgemeester ontvangen, verzonden per fax op 2 september 2013 om 15.47 uur.

1.6.

De uitspraak is bepaald op heden

2 De feiten

2.1.

De hoofdzaak met registratienummer SBR 13/3651 T3 S200 heeft betrekking op een besluit van de burgemeester van 1 juli 2013 waarbij het verzoek van verzoekster tot handhavend optreden tegen [naam] is afgewezen. Het bezwaarschrift van verzoekster tegen dit besluit is door de rechtbank met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als rechtsreeks beroep in behandeling genomen.

2.2.

Bij brief van 13 augustus 2013 heeft de griffier, naar aanleiding van de mededeling van verzoekster dat haar naam en adres (hierna: NAW-gegevens) bij de gemeente bekend zijn, maar dat zij die gegevens niet vermeldt ter voorkoming van kennisname door de heer [naam] en zijn advocaat Visscher – onder meer en kort samengevat – aan verzoekster meegedeeld dat de rechtbank [naam] zal benaderen met de vraag of hij als belanghebbende partij aan het geding wil deelnemen en dat een bevestigende beantwoording van deze vraag met zich brengt dat [naam] alle stukken in afschrift krijgt toegezonden, met als gevolg dat hij daardoor ook op de hoogte wordt gesteld van de NAW-gegevens van verzoekster. De griffier heeft voorts meegedeeld dat de rechtbank geen aanleiding/aanknopingspunten ziet om [naam] die gegevens te onthouden.

2.3.

Naar aanleiding van een brief van 15 augustus 2013 waarin verzoekster de rechtbank - onder meer - heeft verzocht [naam] niet te erkennen als belanghebbende en haar NAW-gegevens voor hem en zijn advocaat geheim te houden, heeft de rechter het volgende meegedeeld, waarbij met “dat besluit” wordt gedoeld het hiervoor in 2.1 genoemde besluit van 1 juli 2013:

“(…)

Gelet op uw beroep tegen dat besluit en het daarmee samenhangende verzoek om schadevergoeding, zal de rechtbank in deze procedure de (on)rechtmatigheid van het besluit van 1 juli 2013 dienen te beoordelen. Reeds om die reden zal de rechtbank de heer [naam] moeten benaderen met de vraag of hij, met toepassing van artikel 8:26 van de Awb, als belanghebbende partij aan dit geding wil deelnemen. Het besluit van 1 juli 2013 betreft immers de weigering om handhavend op te treden tegen de heer [naam].

Conclusie is dan ook dat de rechtbank niet terugkomt op het in de brief van 13 augustus 2013 ingenomen standpunt met betrekking tot het belanghebbendenschap van de heer [naam].

(…)

In uw brief van 15 augustus 2013 doet u tevens een beroep op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb. Op grond van dat artikel wenst u dat uw NAW-gegevens niet worden verstrekt aan de heer [naam] en aan zijn advocaat mr. Visscher.

De rechtbank zal hieromtrent binnenkort uitspraak doen (…)”.

De rechter heeft deze brief ondertekend in zijn hoedanigheid van afdelingsvoorzitter.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter handelt in strijd met de wet, de jurisprudentie, de beginselen van goede procesorde en de verdragsrechtelijke verplichtingen tot bescherming van slachtoffers, door [naam] aan te merken als belanghebbende. Zij stelt dat de rechter haar daarmee, op voorhand en zonder reden, onherstelbare schade aandoet. Verzoekster wijst erop dat [naam] door de politie en het openbaar ministerie is aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit jegens haar gepleegd. Door zonder enige onderbouwing te stellen dat de rechtbank ‘deze man zal moeten benaderen’ miskent de rechter volgens verzoekster dat artikel 8:26, eerste lid, van de Awb de rechter een discretionaire bevoegdheid geeft. De rechter heeft echter geen gewag van gemaakt van zijn - bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid noodzakelijke - belangenafweging. Nu het hier gaat om een procesbeslissing waartegen niet separaat een rechtsmiddel openstaat, rest haar geen ander middel dan het wrakingsverzoek om tegen deze beslissing op te komen.

3.2.

Voorts betoogt verzoekster dat artikel 6:5 van de Awb niet verplicht tot het bekendmaken van de NAW-gegevens aan [naam]. Zij wijst erop dat artikel 6:6 van de Awb de discretionaire bevoegdheid geeft om een bezwaar- of beroepschrift ook ontvankelijk te verklaren en in behandeling te nemen als dit niet aan de eisen van artikel 6:5 Awb voldoet. Verzoekster stelt dat artikel 8:29 van de Awb haar het recht geeft om, als sprake is van een gewichtige reden, bepaalde gegevens geheim te houden. Daar komt volgens haar in dit geval nog bij dat [naam] geen belanghebbende is en dus om die reden geen recht heeft op kennisname van haar gegevens.

4 Het standpunt van de rechter

4.1.

De rechter stelt dat hij niet de behandelend rechter van de zaak is als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb. Hij wijst er daartoe op dat de zaak zich nog in de fase van administratieve voorbehandeling bevindt. In dat stadium worden de formele aspecten bewaakt en wordt er zorg voor gedragen dat het dossier compleet is voor een behandeling op zitting. Tenzij er in de fase voorafgaande aan de zitting niet wordt voldaan aan de formele vereisten komt de zaak pas bij een rechter in behandeling nadat deze gereed is om op zitting te worden gepland. De brief van 27 augustus 2013 aan verzoekster heeft volgens de rechter dan ook slechts een informatief karakter.

4.2.

Wat betreft de inhoud van de zaak heeft de rechter het volgende verweer gevoerd. Het doen uitgaan van een brief aan een mogelijke derde belanghebbende om de gelegenheid te bieden om als partij deel te nemen aan de procedure, vindt meestal plaats zonder beoordeling door een rechter. Deze uitnodiging wordt onder meer verstuurd als het in de rede ligt dat een mogelijk derde belanghebbende belang heeft bij instandhouding van het bestreden besluit. Nu het in deze zaak handelt om een afwijzend besluit op het verzoek om bestuursdwang toe te passen ten aanzien van [naam] is de rechtbank op voorhand van mening dat het in de rede ligt om [naam] aan te merken als derde belanghebbende. De rechter stelt dat het aan de behandelend rechter is om te oordelen of er daadwerkelijk sprake is van een derde belanghebbende. Voorts heeft de rechter naar voren gebracht dat, voorafgaande aan het verdere verloop van de procedure, het verzoek tot toepassing van artikel 8:29 Awb door een rechter zal worden beoordeeld.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

De mededeling in de brief van 15 augustus 2013 dat de rechtbank [naam] zal moeten benaderen met de vraag of hij met toepassing van artikel 8:26 eerste lid, van de Awb als partij aan het geding wil deelnemen, kan worden aangemerkt als een procesbeslissing. De omstandigheid dat deze beslissing in beginsel wordt genomen in de administratieve voorfase van de procedure, waarbij over het algemeen geen rechter bij de besluitvorming is betrokken, doet daar niet aan af. In dit geval is in de brief van de griffier van 13 augustus 2013 aan verzoekster uiteengezet dat volgens de gebruikelijke gang van zaken [naam] als belanghebbende zal worden benaderd. Naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster tegen deze mededeling heeft de rechter beslist dat Van der Zalm als belanghebbende in de gelegenheid zal worden gesteld als partij deel te nemen aan de procedure. Aan deze beslissing ligt de beoordeling van de rechter ten grondslag dat, nu het gaat om een afwijzing van een verzoek tot handhavend optreden, het in de rede ligt dat [naam] belang heeft bij het in stand blijven van dit besluit en om die reden op voorhand aangemerkt kan worden als mogelijke belanghebbende. De aan de orde zijnde beslissing van de rechter tot toepassing van artikel 8:26 eerste lid, Awb heeft het procedurele gevolg dat [naam] door de rechtbank in de gelegenheid wordt gesteld om als partij aan de procedure deel te nemen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechter die deze beslissing heeft genomen en in zijn hoedanigheid van afdelingsvoorzitter aan verzoekster ter kennis heeft gebracht, dient te worden aangemerkt als de behandelend rechter als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb. Dit laat onverlet dat een opvolgend rechter die na voltooiing van de administratieve voorfase de zaak inhoudelijk gaat behandelen, met weging van de argumenten van alle betrokken partijen, zal beoordelen of [naam] werkelijk belanghebbende is bij de procedure.

5.3.

Het voorgaande leidt er toe dat verzoekster in haar wrakingsverzoek ontvankelijk is, zodat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling daarvan.

5.4.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel van 8:15 van de Awb en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

5.5.

De door verzoekster aangevoerde feiten en/of omstandigheden houden niet in dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens haar. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of naar objectieve maatstaven sprake is van feiten en omstandigheden die verzoekster grond hebben gegeven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

5.6.

Zoals hiervoor in 5.2 is overwogen dient het besluit van de rechter om toepassing te geven aan artikel 8:26, eerste lid, van de Awb, te worden aangemerkt als een procesbeslissing. De vraag of een procesbeslissing inhoudelijk al dan niet juist is, leent zich niet voor een oordeel door de wrakingskamer. Een als negatief ervaren procesbeslissing vormt in het algemeen geen grond voor toewijzing van een wrakingsverzoek. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter slechts kan voortvloeien uit vooringenomenheid jegens verzoekster, althans dat de bij haar bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Die situatie doet zich niet voor. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.

5.7.

De rechter heeft in de brief van 15 augustus 2013 uiteengezet waarop de beslissing om [naam] de gelegenheid te bieden om als partij aan het geding deel te nemen is gebaseerd. De motivering van de rechter is niet onbegrijpelijk en de rechtbank ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze beslissing slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid van de rechter. Het enkele feit dat verzoekster van mening is dat de rechter met deze beslissing is voorbij gegaan aan relevante rechtsregels, jurisprudentie en rechtsbeginselen en dat de beslissing daarom in haar ogen onjuist is, is daarvoor onvoldoende. Dit is een inhoudelijk argument dat in een eventueel hoger beroep getoetst kan worden. De omstandigheid dat verzoekster, zoals zij stelt, niet de mogelijkheid heeft om separaat op te komen tegen de beslissing van de rechter tot toepassing van artikel 26, eerste lid, van de Awb, doet daar niet aan af. Dit is inherent aan de systematiek van de Awb en kan geen reden zijn om het wrakingsverzoek toe te wijzen.

5.8.

Voorts overweegt de rechtbank dat, zoals verzoekster zelf ook opmerkt, er nog geen rechterlijke beslissing is genomen op haar verzoek om met toepassing van artikel 8:29, eerste lid Awb toe te staan dat verzoekster haar NAW-gegevens niet bekendmaakt in deze procedure, dan wel dat [naam] kennisname van haar NAW-gegevens wordt onthouden. Verzoeksters heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat bij haar sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees van voorningenomenheid van de rechter op dit punt jegens haar.

5.9.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond geven te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt en evenmin dat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

6.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan mr. dr. [verzoekster], aan de rechter en aan de president van deze rechtbank;

6.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer voorts op deze beslissing te zenden aan de derde belanghebbende, de burgemeester van Amersfoort;

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E.Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. J. Sap en

mr. J.W.F. Houthoff als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.