Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4781

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
350557HA RK 13-229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer 350557HA RK 13-229

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen verzoeker.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Ter zitting van 8 augustus 2013 heeft verzoeker mr. A.A.T. van Rens, rechter in de afdeling Familierecht van deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die aldaar is geregistreerd onder zaaknummer C/16/348441/KG ZA 13-533, gewraakt. Het wrakingsverzoek is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3.

De griffier van deze rechtbank heeft verzoeker en de rechter opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 3 september 2013. De belanghebbende derde, [naam], is van de behandeling in kennis gesteld.

1.4.

Het wrakingsverzoek is op 3 september 2013 in het openbaar behandeld. Daarbij waren verzoeker en de rechter aanwezig. De derde belanghebbende is met voorafgaand bericht niet verschenen.

1.5.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Verzoeker heeft een dochter[X].[X] is onder toezicht gesteld van Bureau jeugdzorg Utrecht (hierna: BJZ). Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het vaststellen van een omgangsregeling met[X]. De rechter heeft dit verzoek ter zitting van 14 januari 2013 behandeld. Bij beschikking van 28 januari 2013 heeft de rechter het verzoek afgewezen.

2.2.

De hoofdzaak waarin thans de wraking wordt verzocht, betreft een vordering in kort geding waarbij verzoeker vordert - kort samengevat - dat[naam], de moeder van[X], wordt veroordeeld om hem periodiek, steeds op de eerste van de nieuwe maand te informeren over[X]. Tijdens de behandeling van dit kort geding ter zitting van 8 augustus 2013 heeft verzoeker de rechter gewraakt.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter ter zitting van 14 januari 2013 waar zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling werd behandeld, naar aanleiding van een kaart waarop verzoeker aan[X] had geschreven “we zien elkaar snel” aan verzoeker heeft gevraagd hoe hij dat kon schrijven, terwijl hij geen omgang met zijn dochtertje had en er nog beslist moest worden of er wel omgang zou moeten komen. Door zijn betrokkenheid in de zaak betreffende de omgangsregeling en zijn handelwijze ter zitting in die zaak, waarbij de rechter slechts een vraag heeft gesteld over deze kaart en is voorbijgegaan aan de overige stukken die verzoeker had overgelegd en die een beeld geven van de wijze waarop verzoeker met zijn stiefzoon omgaat, kan de rechter volgens verzoeker niet meer onbevooroordeeld zijn bij de beoordeling van de vordering tot het verstrekken van informatie over[X].

4 Het standpunt van de rechter

4.1.

De rechter heeft ter zitting meegedeeld dat hij zich de vraag over de kaart aan[X] nog goed kan herinneren. De rechter erkent dat het een kritische vraag jegens verzoeker was, maar heeft toegelicht dat de achtergrond van deze vraag was dat verzoeker met “we zien elkaar snel” wellicht verwachtingen bij[X] wekte die hij niet waar kon maken, aangezien er nog een beslissing moest worden genomen over de omgang. De rechter heeft voorts naar voren gebracht dat hij de andere stukken die verzoeker had overgelegd minder relevant vond voor de te nemen beslissing over de omgangsregeling met[X]. De rechter is van mening dat het feit dat hij een beslissing heeft genomen over de omgang geen belemmering is om over de vordering tot het verstrekken van informatie te beslissen. De beschikbare gegevens en het feit dat er geen omgang is toegestaan, zal wel een rol spelen bij de afweging voor de te nemen beslissing over de informatieverstrekking, maar de rechter wijst er op dat iedere andere rechter die hierover een beslissing moet nemen over hetzelfde dossier beschikt en dus niet anders is geïnformeerd dan hij.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

De door verzoeker aangevoerde feiten en/of omstandigheden houden niet in dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens hem. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of naar objectieve maatstaven sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeker grond hebben gegeven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

5.3.

Volgens vaste jurisprudentie is het enkele feit dat een rechter eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak onvoldoende om partijdigheid aan te kunnen nemen. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de eerder door de rechter gegeven beslissing is niet een zodanige omstandigheid. Daar komt bij dat in het kader van de vordering tot informatieverschaffing weliswaar (deels) dezelfde feiten en omstandigheden van belang zijn als bij het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen, maar dat het om twee aparte procedures gaat, die ieder een verschillende, op de betreffende zaak toegespitste belangenafweging vereisen.

5.4.

Wat betreft de stelling van verzoeker dat hij als gevolg van de bejegening van de rechter ter zitting van 14 januari 2013 er geen vertrouwen meer in heeft dat de rechter onbevooroordeeld zijn vordering tot informatieverstrekking kan behandelen overweegt de rechtbank als volgt. Het is aan de behandelend rechter om te beoordelen welke stukken hij relevant acht voor zijn oordeelsvorming betreffende het aan hem voorgelegde verzoek en in hoeverre hij door het stellen van vragen aan (een van de) partijen verduidelijking van die stukken noodzakelijk acht. De toelichting van de rechter dat hij de stukken die betrekking hadden op de omgang van verzoeker met zijn stiefzoon minder relevant achtte voor het aan de orde zijnde verzoek betreffende de omgang van verzoeker met[X], is op zichzelf niet onbegrijpelijk. Verzoeker heeft geen nadere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de selectie van de stukken die de rechter ter zitting heeft besproken slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoeker.

5.5.

Voorts overweegt de rechtbank dat het feit dat de rechter een kritische vraag heeft gesteld over de tekst op de kaart aan[X], hoewel dit begrijpelijkerwijs emoties bij verzoeker heeft opgeroepen, op zichzelf onvoldoende grond is voor toewijzing van het wrakingsverzoek. Ook op dit punt heeft verzoeker verzuimd bijkomende feiten en omstandigheden naar voren te brengen die een aanknopingspunt bieden om te kunnen concluderen dat de (wijze van) vraagstelling door de rechter - naar objectieve maatstaven bezien - bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees heeft doen ontstaan dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt. Bovendien is het verzoek tot wraking ingediend nog voordat ook maar een begin was gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de vordering tot informatieverstrekking. Op deze wijze heeft verzoeker zichzelf de kans ontnomen om te kunnen toetsen of de kennelijk bij hem bestaande subjectieve vrees dat de rechter niet onpartijdig is, gerechtvaardigd was.

5.6.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond geven te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt en evenmin dat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

6.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker en aan de rechter, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Familie en de president van deze rechtbank;

6.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer voorts op deze beslissing te zenden aan de derde belanghebbende [naam].

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en

mr. J.W. F. Houthoff als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.