Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:4752

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
C-16-351989 - KG ZA 13-660
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

OM heeft aan krakers ontruiming aangekondigd ex art 551a Sv, krakers vorderen verbod daartoe over te gaan. Ontruiming kan proportionaliteitstoets doorstaan, daarom wordt vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/351989 / KG ZA 13-660

Vonnis in kort geding van 4 oktober 2013

in de zaak van

1 [eiser sub 1]

wonende te [woonplaats 1],

2.[eiseres sub 2][eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats 2],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats 2],

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats 3],

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats 4],

eisers,

advocaat mr. drs. E. Tamas te Den Haag,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

Eiser sub 1 zal hierna [eiser sub 1] worden genoemd, eiseres sub 2 [eiseres sub 2] en eiseres sub 4 [eiseres sub 4]. Eisers zullen hierna gezamenlijk[eisers] c.s. worden genoemd. Gedaagde zal de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 september 2013,

  • -

    de ten behoeve van de mondelinge behandeling door de Staat overgelegde producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 september 2013,

  • -

    de pleitnota met producties van [eisers] c.s.

  • -

    de pleitnota van de Staat.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) is eigenaar van een bedrijfshallencomplex (hierna: het pand) aan de [adres] te Utrecht.

2.2.

Een deel van het pand is tot en met 31 december 2013 verhuurd aan [bedrijf 2](hierna: [bedrijf 2]). Een ander deel was tot en met 31 augustus 2013 verhuurd aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]). De huurovereenkomst is mondeling verlengd tot en met 30 september 2013.

2.3.

Tussen vrijdag 23 en maandag 26 augustus 2013 heeft [eisers] c.s. een deel van het pand gekraakt.

2.4.

Op maandag 26 augustus 2013 heeft [bedrijf 1], mede namens[bedrijf 2], bij de politie Utrecht aangifte gedaan van huisvredebreuk. Ook [bedrijf 3] heeft hier die dag aangifte van gedaan.

2.5.

De Officier van Justitie heeft de krakers bij aankondigingsbrief van diezelfde dag het volgende bericht:

Hierbij wil u aankondigen dat ik al degenen die thans wonen of vertoeven in dit pand aanmerk als verdachten terzake overtreding van de artikelen 138, 138a en/of 139 van het Wetboek van Strafrecht. Ik ben voornemens om dit pand te ontruimen. Deze ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de dagtekening van deze aankondiging, te weten uiterlijk op 21 oktober 2013.

Als u een oordeel van de rechter over deze voorgenomen ontruiming wenst te verkrijgen kunt u een kort geding aanhangig maken. Ik zal de eerste zeven dagen van de termijn van acht weken na heden, behoudens bijzondere omstandigheden, daarom niet over gaan tot ontruiming. Gedurende die zeven dagen heeft u de gelegenheid een kort geding te starten. Als voor 2 september 2013 een dagvaarding is uitgebracht met daarin een datum en tijd van behandeling zal ik, behoudens bijzondere omstandigheden, wachten met ontruimen totdat vonnis is gewezen.

Als na 21 oktober 2013 nog geen vonnis is gewezen kan evengoed alsnog tot ontruiming worden overgegaan.

2.6.

[bedrijf 1] heeft op 7 augustus 2013 een aanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: B&W) voor een omgevingsvergunning. Zij wil het pand slopen, om op die plaats nieuwbouw te realiseren.

2.7.

Op 19 september 2013 heeft B&W haar akkoord gegeven aan de melding van[bedrijf 1], inhoudend het voornemen om sloopwerkzaamheden uit te voeren in het pand, in verband met het verwijderen van asbest.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vordert dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Den Haag de Staat, en via hem de Officier van Justitie te Utrecht, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal verbieden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van het pand over te gaan of te doen gaan, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan het overhandigen van het pand aan derden, dan wel het niet optreden tegen huis- of lokaalvredebreuk jegens [eisers] c.s. gedurende diens afwezigheid, bijvoorbeeld gedurende de tijd dat[eisers] c.s. na aanhouding voor verhoor op een politiebureau verblijft, totdat eventueel in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat het verblijf van [eisers] c.s. wederrechtelijk is en totdat een individuele belangenafweging is gemaakt met betrekking tot [eisers] c.s. of met betrekking tot [eisers] c.s. als gemeenschap ten aanzien van de vraag of de belangen van de Staat bij ontruiming zwaarder wegend zijn dan de individuele belangen van [eisers] c.s. of diens gezamenlijke belangen als gemeenschap bij voortzetting van zijn verblijf en/of huisrecht, met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij ervan uitgaat dat [eisers] c.s., anders dan in het petitum van de dagvaarding is vermeld, heeft bedoeld te vorderen dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (in plaats van die in de rechtbank te Den Haag) de Staat zal verbieden tot ontruiming over te gaan. [eisers] c.s. heeft immers de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland om een datum en tijdstip voor de behandeling van de zaak verzocht en heeft de Staat ook krachtens diens last gedagvaard om ter terechtzitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, te verschijnen – hetgeen ook is gebeurd.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat [bedrijf 1], noch haar huurders, [eisers] c.s. toestemming heeft gegeven voor het gebruik van het pand en dat [eisers] c.s. ook niet over een andere titel voor dat gebruik beschikt. Ook is tussen partijen niet in geschil dat [bedrijf 1] en haar huurders bezwaar hebben tegen het gebruik van het pand door [eisers] c.s. en daarom aangifte hebben gedaan van een strafbaar feit. Aldus staat in voldoende mate vast dat er sprake is van een gerede verdenking van het wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in het pand als bedoeld in artikel 138, 138a en/of 139 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat de bevoegdheid tot ontruiming op grond van artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is gegeven.

4.3.

De voorzieningenrechter dient thans te beoordelen of de door de wetgever in abstracto gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden (zoals [bedrijf 1] en haar huurders) boven het huisrecht van [eisers] c.s., in dit concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Daartoe dient [eisers] c.s. feiten en omstandigheden aan te voeren en aannemelijk te maken, die nopen tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging, waarbij ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 28 oktober 2011, NJ 2013, 153) als uitgangspunt heeft te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.

4.4.

[eisers] c.s. heeft daartoe gesteld dat hij het pand heeft gekraakt en aldaar een huisrecht heeft gevestigd als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat hij zich vanwege zijn vorming, sociaalpsychische en/of psychologische gesteldheid en libertair referentiekader niet kan handhaven in een vorm van reguliere huisvesting. [eisers] c.s. is dak- en thuisloos geworden als gevolg van de ontruiming van eerdere door[eisers] c.s. gekraakte panden en heeft om die reden noodgedwongen zijn intrek genomen in het pand, aldus [eisers] c.s. Bij een ontruiming daarvan komt [eisers] c.s. vanwege schulden, werkloosheid en/of bezit van huisdieren niet in aanmerking voor bewoning via leegstandsbeheersorganisaties. Ten aanzien van [eiser sub 1] heeft[eisers] c.s. daar nog aan toegevoegd dat hij lijdt aan een lichte vorm van ADHD en dat hij libertair kunstzinnig is, ten aanzien van [eiseres sub 2] dat zij lijdt aan ADD en kunstzinnig is, en ten aanzien van[eiseres sub 4] dat zij lijdt aan ADD.

4.5.

[eisers] c.s. heeft voorts gesteld dat zijn huisrecht dient te prevaleren boven ontruiming, omdat het ontruimingsbeleid van het Openbaar Ministerie, dat het eigenaarsbelang vooropstelt, zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 22 lid 2 van de Grondwet (Gw.), op grond waarvan de overheid zorg dient te dragen voor voldoende woongelegenheid. Zijns inziens kan het ontruimingsbeleid aan de Grondwet worden getoetst, omdat een formeelwettelijke grondslag ontbreekt. [eisers] c.s. heeft verder gesteld dat de ontruimingsbevoegdheid van het Openbaar Ministerie in strijd is met het bepaalde in artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en met het bepaalde in artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Volgens[eisers] c.s. is de beperking van zijn huisrecht door de ontruiming bovendien in strijd met gezaghebbende opvattingen, zoals verwoord in artikel 9 in samenhang met artikel 21 van de Maastricht Guidelines (MG). Ook heeft[eisers] c.s. gesteld dat de aanwending door het Openbaar Ministerie van haar ontruimingsbevoegdheid in strijd is met het in artikel 14 EVRM neergelegde discriminatieverbod, omdat die bevoegdheid kennelijk bevooroordeeld slechts wordt ingezet tegen een identificeerbare groep mensen met een minder gangbare levenswijze. Door deze identificeerbare groep mensen te ontruimen uit een leegstaand pand, terwijl tegen leegstand niet wordt opgetreden, wordt bovendien misbruik gemaakt van recht als bedoeld in artikel 17 EVRM, aldus [eisers] c.s.

4.6.

Ter zitting heeft[eisers] c.s. hier nog aan toegevoegd dat de procedure in kort geding in dit geval niet kan worden beschouwd als een effectief rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 13 EVRM, ter toetsing van de proportionaliteit van de door de Staat aangekondigde inbreuk op het huisrecht van [eisers] c.s. Volgens [eisers] c.s. is het tijdsbestek van deze procedure te kort om onderzoek te kunnen doen naar de juistheid van de door de Staat verstrekte informatie, die ten tijde van dagvaarding nog onbekend was bij [eisers] c.s. Bij gebreke van bekendheid met stukken als het asbestinventarisatierapport en het sloopplan, die niet in het geding zijn gebracht maar waarnaar in productie 10 van de Staat wel wordt verwezen, kan [eisers] c.s. naar eigen zeggen geen effectief verweer voeren. Bij gebrek aan wetenschap betwist hij dat er asbest aanwezig is in het door [eisers] c.s. gekraakte deel van het pand, om welke reden in dat deel geen sloopwerkzaamheden behoeven plaats te vinden ten behoeve van asbestverwijdering. Van een gehele sloop ten behoeve van nieuwbouw is volgens [eisers] c.s. vooralsnog geen sprake, ook niet omdat niet vaststaat of, en zo ja wanneer, de daartoe noodzakelijke vergunningen zullen worden verleend en onherroepelijk zullen worden. [eisers] c.s. heeft daar overigens nog aan toegevoegd dat hij alsdan bereid zal zijn het pand vrijwillig te verlaten.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisers] c.s. hiermee onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die in dit geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen.

4.8.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het door de kraak gevestigde huisrecht van [eisers] c.s. de bescherming verdient die [eisers] c.s. voorstaat. De niet nader onderbouwde stelling dat [eisers] c.s. niet in aanmerking komt voor bewoning via leegstandsbeheersorganisaties is daartoe in ieder geval onvoldoende, omdat dit de mogelijkheid van andere huisvestingsvormen dan kraken niet uitsluit. Ook de gestelde maar niet nader onderbouwde psychische en artistieke gesteldheden van [eiser sub 1], [eiseres sub 2] en [eiseres sub 4] sluiten andere vormen van huisvesting dan kraken niet uit. Mede gelet op hetgeen door de wetgever reeds is meegewogen bij de beslissing tot strafbaarstelling van kraken, heeft [eisers] c.s. onvoldoende onderbouwd waarom het door de kraak gevestigde huisrecht in dit geval dient te prevaleren boven de ontruiming, ook omdat [eisers] c.s. niet heeft gesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, in die zin dat na ontruiming sprake zal zijn van langdurige leegstand zonder enig uitzicht op verandering in die situatie. Dat hij dit niet heeft gesteld is overigens terecht, omdat van een dergelijke situatie geen sprake zal zijn, nu het pand naar het zich laat aanzien zal worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.

4.9.

Wat [eisers] c.s. heeft gesteld met betrekking tot de onverenigbaarheid van het ontruimingsbeleid van het Openbaar Ministerie met het bepaalde in artikel 22 lid 2 Gw, kan[eisers] c.s. ook niet baten. De ontruiming is immers niet op het ontruimingsbeleid van het Openbaar Ministerie gebaseerd, maar op artikel 551a Sv. Dat is een formeelwettelijke bepaling, waardoor de voorzieningenrechter ingevolge artikel 120 Gw niet in de beoordeling daarvan kan treden. Daarbij komt bovendien dat artikel 22 lid 2 Gw een instructienorm is, die tot de sociale grondrechten wordt gerekend. Als zodanig is de bepaling gericht aan de overheid en kan deze door de burger niet rechtstreeks worden ingeroepen (zie: Kamerstukken II, 1973-1974, 12 944, nr. 2, p. 12). Ook het beroep van[eisers] c.s. op artikel 11 IVESCR en artikel 31 ESH slaagt niet, omdat deze bepalingen niet kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 Gw. Eenzelfde lot is het beroep op de artikelen 9 en 21 MG beschoren, aangezien ook deze bepalingen juridisch niet bindend zijn. Wat [eisers] c.s. in dat verband heeft gesteld kan daarom hoe dan ook niet leiden tot het oordeel dat een strafrechtelijke ontruiming de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan.

4.10.

De voorzieningenrechter volgt [eisers] c.s. evenmin in de door hem gestelde strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. Het door[eisers] c.s. voorgestane verbod op ontruiming van een bepaalde identificeerbare groep mensen met een minder gangbare levenswijze, maakt optreden tegen kraken immers feitelijk onmogelijk, terwijl artikel 8 lid 2 EVRM dergelijk optreden wel toelaatbaar acht, mits bij wet voorzien en in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Mede gelet op het uitgangspunt dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil, kan ook de stelling dat sprake is van misbruik van recht als bedoeld in artikel 17 EVRM geen standhouden, temeer daar – anders dan door[eisers] c.s. is gesteld – geen sprake is van een ongebruikt leegstaand pand. Het pand zal immers door [bedrijf 1] worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw, en [bedrijf 1] heeft in afwachting daarvan delen van het pand verhuurd. Ook om die reden kan niet worden geoordeeld dat de ontruiming de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan.

4.11.

Nu voldoende aannemelijk is dat het pand zal worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw, kan ook hetgeen [eisers] c.s. ter zitting nog heeft gesteld niet leiden tot het oordeel dat het belang van [eisers] c.s. zou moeten prevaleren boven het belang van de Staat. Uit die stellingen volgt immers dat de Staat in ieder geval vooralsnog geen spoedeisend belang zou hebben bij ontruiming, maar daarmee miskent [eisers] c.s. dat voor een strafrechtelijke ontruiming als hier aan de orde geen spoedeisend belang noodzakelijk is. Dat [eisers] c.s. onvoldoende gelegenheid hebben gehad ter bestudering van onderliggende stukken, is daarom, gelet op de vaststaande sloop- en nieuwbouwplannen, niet relevant. Dat doet immers niets af aan de bevoegdheid tot ontruiming in abstracto, en evenmin aan de effectiviteit van het kort geding als rechtsmiddel ter beoordeling van de proportionaliteit daarvan in dit concrete geval.

4.12.

Al met al zijn met betrekking tot het huisrecht van[eisers] c.s. geen andere omstandigheden aannemelijk geworden dan die de wetgever bij de afweging in abstracto al in aanmerking heeft genomen. Een strafrechtelijke ontruiming van het pand kan de proportionaliteitstoets daarom doorstaan. Dit voert tot de conclusie dat het jegens de Staat gevorderde niet toewijsbaar is.

4.13.

[eisers] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht €  589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.405,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.405,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2013.1

1 type: CD/4485coll: