Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3806

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
16/700398-13 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:2503, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee mannen uit Utrecht van 29 en 25 jaar zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot gevangenisstraffen van 27 maanden en 20 maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk voor de diefstal van de monstrans uit het museum Catharijneconvent in Utrecht. Een 22-jarige Utrechter werd veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk voor heling van de monstrans.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700398-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 september 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [verdachte] op [1984],

thans gedetineerd in de P.I. Amsterdam, Huis van Bewaring, locatie Het Schouw.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een monstrans uit het museum Catharijneconvent te Utrecht, dan wel aan de heling van dit kunstvoorwerp.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en heeft vrijspraak bepleit. Direct bewijs voor betrokkenheid van verdachte ontbreekt, aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

[naam] heeft als volgt verklaard.1

“Ik ben directeur van Museum Catharijneconvent, Lange Nieuwstraat 38 te Utrecht. Ik
ben gemachtigd aangifte te doen van diefstal vanuit het museum. Op 29 januari 2013, tussen 14.22 uur en 14.27 uur, heeft er in Museum Catharijneconvent een kunstroof plaatsgevonden. Het weggenomen goed betreft een Monstrans van de huiskerk ‘Het Boompje’ te Amsterdam. Deze Monstrans hadden wij in bruikleen van Parochie van de Heilige Drie-eenheid, Gibraltarstraat 55 te Amsterdam. Het is een verguld zilveren stralenmonstrans, versierd met veel diamanten met ter weerszijden van lunula een engel en eronder evangelistensymbolen. Deze monstrans stond in een vitrine in de schatkamer van het museum. ”

Door de beveiligingscamera’s van het museum werden opnamen gemaakt van de kunstroof. In een proces-verbaal van bevindingen wordt beschreven wat daarop is te zien:2

“Twee mannen op een rode scooter. Ze komen vanuit de richting van de Lange Nieuwstraat en rijden door het eerste gedeelte van de doorgang van het Catharijneconvent. De bestuurder draagt een donkergekleurde capuchon over zijn hoofd. De bijrijder draagt een zwarte jas en op een zwarte bivakmuts gelijkende muts op zijn hoofd.”

“(…) [te zien is] dat twee mannen op een rode scooter, (…) stoppen voor de nooduitgang van het Catharijneconvent. De bijrijder, verder te noemen als dader 1, stapt af. De bestuurder van de scooter, verder te noemen als dader 2, rijdt verder. De bijrijder heeft een moker in zijn handen. (…) Dader 1 slaat met enkele klappen met de moker het glas van de deur in. (…) Dader 1 stapt door de vernielde deur naar binnen.

Dader 1 loopt met een zwarte tas naar de trap in de richting van de ‘schatkamer’. (…) Dader 1 loopt met de trap naar beneden en heeft een moker in zijn rechterhand. (…) [te zien is] dat dader 1, beneden aangekomen rechtstreeks naar de ‘schatkamer’ loopt. (…) dat dader 1 aankomt in de schatkamer en met de moker de glazen vitrine met daarin de monstrans vernielt. De vitrine met daarin de monstrans valt om. (…) Dader 1 pakt de monstrans uit de vitrine. (…) Dader 1 probeert de monstrans in de zwarte tas te stoppen. Dit lukt niet. Kennelijk is de tas te klein, waardoor de monstrans er niet in zijn geheel in past. Dader 1 loopt naar de uitgang van de ‘schatkamer’. Onder zijn linkerarm draagt hij de weggenomen monstrans. (…) [te zien is] dat dader 1 met monstrans en zwarte tas in de richting van de trap naar boven loopt.. Een getuige filmt de vlucht van dader 1 met een camera. (…) [te zien is] dat dader 1 met monstrans en zwarte tas in de richting van de vernielde toegangsdeur loopt. Dader 1 stapt met monstrans en zwarte tas door de vernielde deur naar buiten. (…) [te zien is] dat dader 2 ondertussen is doorgereden naar de binnenplaats van het museum. (…) [te zien is] dat dader 2 met de scooter stopt ter hoogte van het hek. (…) [te zien is] dat dader 1 met monstrans en zwarte tas over de binnenplaats rent in de richting van de uitgang aan de zijde van de Nieuwegracht. (…) Dader 1 baant zich een weg door een haag van getuigen. Daarbij verliest dader 1 de zwarte tas. (…) Zodra dader 1 met de monstrans achterop de scooter gesprongen is, rijdt dader 2 op de scooter weg in de richting van de Nieuwegracht.

Door de politie is [getuige 1] gehoord en daarvan is proces-verbaal opgemaakt:3

“[getuige 1] verklaarde mij tijdens de kunstroof door de gang onder het museum te hebben gelopen. Deze gang leidt naar de zogenaamde schatkamer onder het museum. Toen [getuige 1] een hoop herrie afkomstig uit de richting van het trappenhuis hoorde, liep hij daar heen. [getuige 1] liep toen terug naar beneden. Aldaar zag hij een man die met een voorhamer bezig was om een glazen deur in te slaan.

Hij keerde toen om en zag dat man bezig was in de schatkamer om een vitrine met de hamer in te slaan. [getuige 1] maakte toen een paar foto’s. [getuige 1] zag vervolgens dat de man met een monstrans, welke afkomstig was uit de vitrine, onder zijn arm de schatkamer verliet en de trap op naar boven liep richting de deur die hij zojuist had ingeslagen. [getuige 1] liep de man achterna en maakte foto’s van de man.”

In een proces-verbaal “sporenonderzoek” heeft de politie het volgende gemeld:4

“Op 29 januari 2013 werd een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een diefstal uit bedrijf/kantoor. Het onderzoek is verricht in een bedrijfspand te Lange Nieuwstraat 38, Utrecht. Het betrof een museum genaamd Catharijneconvent. Een onderzoek [werd] ingesteld aan- en in de door de daders achtergelaten sporttas.
Object: tas
SIN: AAFD7103NL.”

Vervolgens heeft de politie in een ander proces-verbaal “sporenonderzoek” het volgende gemeld.5

“Onderzoek tas (AAFD7103NL).
Ik heb de tas bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van gebruikssporen. Ik heb de bemonstering in een cupje veiliggesteld onder SIN AAFQ3636NL en gewaarmerkt en verzegeld.”

In een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut wordt het volgende opgemerkt.6

“SIN AAFQ3636NL [bemonstering hengsels sporttas]. DNA-mengprofiel van minimaal drie personen. Ten behoeve van opsporingsinformatie [is] uit dit DNA-mengprofiel een combinatie van DNA-kenmerken afgeleid die naar verwachting toebehoort aan minimaal twee personen die celmateriaal aan de bemonstering hebben bijgedragen. Deze combinatie van DNA-kenmerken is op 5 maart 2013 eenmalig vergeleken met alle in de DNA-databank aanwezige DNA-profielen van personen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte].”

In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 19 juni 2013 wordt het volgende beschreven.7

Bemonstering AAFQ3636NL#01

Ten aanzien van [verdachte] RHN456

(…) De wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt [daarom] geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid. Hierbij zijn de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese I

De bemonstering AAQ3636NL#01 bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee of drie willekeurig gekozen personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte]).

Hypothese II:

De bemonstering AAQ3636NL#01 bevat celmateriaal van drie of vier willekeurig gekozen personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte]).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.”

In hetzelfde rapport is voorts te lezen in het kader “Bewijswaarde van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek met complexe DNA-mengprofielen”:

“De DNA-deskundige van het NFI maakt gebruik van de volgende reeks van waarschijnlijkheidstermen, met bijbehorend likelihood ratio interval:

De bevindingen van het onderzoek zijn…

(…)

• extreem veel waarschijnlijker (> 1.000.000)”

Op 17 maart 2013 werd een gesprek afgeluisterd tussen [A] en een ander. [A] is de moeder van [X] en daarmee de moeder van de vriendin van verdachte.8

Het gesprek luidt – voor zover hier van belang – als volgt:9

“6436: [verdachte] van[X] zit vast

5781: wie

6436: [verdachte] van[X]

5781: hoezo?

6436: ja dat kan ik je wel vertellen maar ken niet door de telefoon.

5781: gaat dat om die

6436: heel erg

5781: dat meen je niet

6436: ja

5781: toch niet iemand vermoord he

6436: nee hij zit wel in de hoe noem je dat in de beperking ze heb inval alles

gehad

5781: oh echt waar, is dat niet om dat ene geval?

6436: welk ge uh ja dat ene gev

5781: ja dat van opsporing

6436: ja

5781: hmm

6436: ja

5781: ja dat wist ik

6436: oh

5781: tenminste ik had dat gehoord dat uh[X] vertelde het ja dat is erg

[…]

6436: nee heb je die beelden gezien toen

5781: ja maar ikke uh toen wist het nog niet

6436: vind je het niet droog, vind je het niet droog lacht

5781: nee toen wist ik het nog niet ik had allang niet

6436: nee maar uh nou je het weet lacht

5781: ja maar ik herkende hem helemaal niet ik zag alleen witte sokken

6436: nee? nou die herkende en uh

5781: ja weet niet hoeveel keer heb ik hem gezien en trouwens ik ik herken

jullie herkennen hem aan zijn houding en zn loop maar ik niet

6436: ohoh

5781: want zn gezicht zag je niet hoor

6436: nee nee

5781: hij sloeg dat ding

6436: sterk is die he die gek

[…]

6436: ja maar dat is dat is wel een beetje t risico hoor want je snap je wat ik

bedoel

5781: ja ik vind het eigen beetje eigenlijk stom t was op klaar lichte dag

hoorde ik geloof ik

6436: hij is gewoon recht op zn doel afgegaan recht eruit ze hebben hem wel tegen geprobeerd te houden maar hij is gewoon door gewalst weet je wel

5781: ja

6436: hij zeg toen liep er een kerel achter hem aan met een telefoon op te nemen hij zeg daar werd je gek van

6436: weet je als je hem kent dan wel ik ken zn loopje toch

5781: ja

6436: ohh die hele houding die oh ik zeg [verdachte]

5781: ze zeg uhh ja hij sloeg die ruit kapot. Ik zeg ohw.

6436: ja dan moet je moet je is op de you tube dat filmpje kijken want hij is

5781: ja ik ga maar is effe goed bekijken”

[A] is bij de politie gehoord, onder andere over het hiervoor genoemde afgeluisterde telefoongesprek. Zij heeft op geen van de gestelde vragen antwoord gegeven.10

De politie heeft in een proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd:11

“Naar aanleiding van de aanhouding van[medeverdachte], rechtbank][medeverdachte]op 11 juni 2013 hoorden wij die dag de verdachte [[medeverdachte], rechtbank] in het arrestantencomplex te Houten en brachten wij de verdachte na het afleggen van zijn verklaring naar de toegangsdeur van de arrestantenvleugel van het betreffende arrestantencomplex. Wij hoorden hem zeggen dat hij wist wie er allemaal bij betrokken waren. Ik vroeg hem wie dat dan waren en wat zij dan hadden gedaan. Wij hoorden de verdachte[medeverdachte]zeggen dat [medeverdachte 2], [K], [W] en [verdachte] het hadden gedaan. Ik vroeg vervolgens aan[medeverdachte]wie wat had gedaan. Wij hoorden[medeverdachte]daarop zeggen dat [K] en [verdachte] het museum binnen waren geweest en dat [W] en [medeverdachte 2] buiten hebben staan wachten. Verder vertelde[medeverdachte]dat hij samen met [medeverdachte 2] in [woonplaats] was geweest om dat ding bij zijn opa en oma op te halen en dat hij toen dat ding op de achterbank had gelegd en dat daarbij mogelijk zijn vingerafdruk op dat ding is gekomen.”

In een proces-verbaal van uitslag sporenonderzoek is het volgende opgenomen:12

“Het betreft een onderzoek in de zaak:

Adres: Lange Nieuwstraat 38 Utrecht

Sporen aangetroffen op: vuilniszak

Uit het Rapport Dactyloscopisch Sporenonderzoek van de KLPD, dienst IFOL, blijkt dat

het spoor geïdentificeerd is op:
Achternaam: [medeverdachte]

Voornaam:[medeverdachte]”

De politie heeft het volgende in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd.13

“Ik heb een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Bij aanvang van de doorzoeking in de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] sprak ik met getuige en bewoonster [M]. Ik hoorde dat ze aan mij vertelde dat [medeverdachte 2], haar kleinzoon, een tijdje geleden bij haar langs was gekomen. Bij de voordeur had [medeverdachte 2] tegen haar gezegd had dat hij wat moois voor haar had en dat hij het even zou gaan halen. Haar man [D] was toen ook thuis geweest. [medeverdachte 2] was daarop weer weggegaan. [M] (de rechtbank begrijpt telkens: [M]) wist niet waarheen. [medeverdachte 2] was na een half uur teruggekomen met een voorwerp dat verpakt zat in een vuilniszak. [medeverdachte 2] was in gezelschap geweest van een voor getuige [M] onbekende man. [medeverdachte 2] en de onbekende man waren met het voorwerp haar huis binnen gegaan en [medeverdachte 2] had het voorwerp op de tafel in de achterkeuken neergezet. Vervolgens had [medeverdachte 2] de vuilniszak eraf gehaald waarop [M] zich kapot geschrokken was door wat ze zag. [D] was er ook bij geweest. Ik, verbalisant, liet [M] daarop een foto zien van een afbeelding van de gestolen monstrans op de tafel van haar achterkeuken. Ik vertelde getuige [M] dat dit voorwerp een monstrans genoemd werd en dat het uit een museum in Utrecht gestolen was. Ik hoorde dat [M] aan mij vertelde dat dit het voorwerp was dat [medeverdachte 2] haar woning had binnen gebracht. [medeverdachte 2] had [M] verteld dat hij het gepikt had maar dat hij niet degene was geweest die naar binnen geweest was. [M] had [medeverdachte 2] gelijk verteld dat ze er niets mee te maken wilde hebben en dat ze geen gestolen dingen in haar huis wilde hebben. [medeverdachte 2] had enkele foto’s van het voorwerp gemaakt met hun fotocamera. Ondertussen had haar man [D] een tijdje met [medeverdachte 2] in de woonkamer gesproken. De onbekende blonde man was daar bij geweest. [D] zou aan [medeverdachte 2] verteld hebben dat hij dat ding niet in Nederland verkocht zou krijgen. Daarna was [medeverdachte 2] en de onbekende man weer met het voorwerp vertrokken, in totaal was [medeverdachte 2] ongeveer een halfuur met het voorwerp in haar woning geweest en daarna met onbekende bestemming vertrokken. Ik vroeg [M] wanneer het precies geweest was dat [medeverdachte 2] langs geweest was. Ik hoorde dat [M] vertelde dat dit een doordeweekse dag was geweest omstreeks 17.00 uur. Dat was de tijd waarop ze meestal aten. Ongeveer 14 dagen na het bezoek van [medeverdachte 2] was hij aangehouden met dat ding in zijn bezit. [M] vertelde dat ze geen idee had waar dat ding in de tussentijd geweest was.”

Door[D]is als volgt verklaard.14

“Vraag (V): Wanneer heeft u [medeverdachte 2] voor het laatst gezien voordat hij werd aangehouden?

Antwoord (A): Dan zal ik hem misschien wel gezien hebben op die 29 en 30ste januari waar u het over had. Hij kwam toen met een cadeau voor zijn dochter die bewaard moest worden. Hij zette bij ons een ding neer.

V: Wat voor ding?

A: Dat bleek achteraf toen ze dat ding uitpakte.

V: Omschrijf dat ding eens.
A: Een goudkleurig ding met diamantjes erin. Ongeveer een halve meter hoog. Ik vroeg hem wat hij ermee wilde doen. Het was zo rond 22.00 uur a 22:30 uur in de avond dat hij met dat ding bij ons was. [medeverdachte 2] is een half uur binnen geweest en liet dat ding achter.

V: Met wie was hij toen?

A: Hij was met een buitenlandse jongen. ik ken zijn naam niet en ik heb hem nog nooit eerder gezien. De jongen was van Marokkaanse of Turkse afkomst en had dezelfde lengte als [medeverdachte 2] ongeveer.
A: [medeverdachte 2] zei dat ze dat ding met vijf man hadden gestolen. Hij zei dat er twee man binnen waren gegaan maar dat ze het met zijn vijven hadden gestolen. Met zijn vijven gedaan zei [medeverdachte 2].”

4.3.2

Bewijsoverweging

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden en bezien in onderling verband en samenhang, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging met braak.

Op de hengsels van de sporttas die de dader van de diefstal in het museum bij zich had, is celmateriaal aangetroffen, waarvan het extreem veel waarschijnlijker is dat het celmateriaal bevat van verdachte dan van een willekeurig gekozen ander persoon. [medeverdachte], wiens vingerafdruk is aangetroffen op de vuilniszak waarin de monstrans werd vervoerd, heeft verdachte aangewezen als één van de daders van de diefstal. De verklaring van[medeverdachte]acht de rechtbank voldoende betrouwbaar, nu hij daarin ook zichzelf belast. Hij verklaart immers de monstrans, samen met medeverdachte [medeverdachte 2], in bezit te hebben gehad. Zijn verklaring wordt op dat punt ook ondersteund door de verklaringen van de opa en oma van [medeverdachte 2]. Bovendien sluit zijn verklaring voor wat betreft de rol van verdachte bij de diefstal aan bij de bevindingen uit het DNA-onderzoek en de inhoud van het afgeluisterde telefoongesprek van [A]. [A], de moeder van de vriendin van verdachte, vertelt in een afgeluisterd telefoongesprek dat [verdachte] te zien is op de camerabeelden als de dader die in het museum is geweest en dat zij hem ook op de beelden heeft herkend. Daarbij stelt zij dat [verdachte] tegen haar heeft gezegd dat er een kerel achter hem aan liep met een telefoon op te nemen en dat hij daar gek van werd. Dat een man achter de dader aanliep, wordt bevestigd door de betreffende man: [getuige 1]. Dit is te duiden als zeer specifieke informatie die naar valt aan te nemen alleen van de dader(s) of de getuige zelf afkomstig is. De verdediging heeft erop gewezen dat al op de dag van de diefstal zelf de betreffende getuige in de media te kennen heeft gegeven dat hij enkele foto’s heeft gemaakt van de dader. Dat betreft echter veel minder specifieke informatie dan naar voren komt in het afgeluisterde telefoongesprek. Desgevraagd heeft [A] geen toelichting willen geven over het gevoerde telefoongesprek. Ook verdachte heeft niets willen zeggen ten aanzien van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte degene is geweest die in het museum met de moker de glazen deur en de vitrine heeft ingeslagen en de monstrans heeft meegenomen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

(primair)

op 29 januari 2013 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit het Museum Catharijneconvent heeft weggenomen een Monstrans (waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje'), toebehorende aan het Museum Catharijneconvent en/of Parochie van de Heilige Drie-Eenheid, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak van een glazen deur en een vitrinekast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van het voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het niet tijdig verstrekken van voor verdachte zeer relevante, zo niet ontlastende stukken in strijd is met de algemene beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarmee is volgens de verdediging sprake van een – onherstelbaar – vormverzuim dat ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering zou moeten leiden tot verdiscontering in een eventueel op te leggen straf.

De verdediging heeft zich overigens op het standpunt gesteld dat de strafeis buitenproportioneel is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Bespreking verweer

Voor zover al sprake zou zijn van het niet tijdig voegen van processtukken aan het dossier, is niet gebleken dat op enig moment verdachte daarvan nadeel heeft ondervonden. De rechtbank verwerpt het verweer ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

8.3.2

Straftoemeting

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en ook met de persoon van verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 9 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Op klaarlichte dag heeft een diefstal van een waardevol liturgisch kunstvoorwerp, een zogenaamde monstrans, uit het museum Catharijneconvent in Utrecht, plaatsgevonden. De monstrans heeft een verzekerde waarde van € 250.000,-. Bij het wegnemen van de monstrans is door de daders geen geweld gebruikt tegen personen, maar de diefstal en de wijze waarop die heeft plaatsgevonden heeft wel grote indruk gemaakt op de in het museum aanwezige bezoekers en medewerkers.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, met name gelet op het voorwerp van de heling. De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

Daarmee wijkt de rechtbank aanmerkelijk af van de eis van de officier van justitie. De vergelijking die de officier van justitie maakt met de strafoplegging in grote, geruchtmakende kunstroofzaken, zoals de Van Gogh-zaak, gaat naar het oordeel van de rechtbank maar ten dele op. De straffen waarop de officier van justitie haar eis baseert, zijn opgelegd in zaken waarin op professionele en zorgvuldig geplande wijze meerdere zeer kostbare kunstwerken van internationale betekenis zijn geroofd en waarbij die kunstwerken vaak ook definitief voor het publiek verloren zijn gegaan.

In deze zaak is sprake van een bijzonder brutale diefstal, op klaarlichte dag in aanwezigheid van personeel en bezoekers van het museum en is er een kostbaar kunstvoorwerp ontvreemd en uiteindelijk in gehavende staat teruggevonden. De daders hebben slechts oog gehad voor eigen geldelijk gewin. Zij hebben kennelijk niet stilgestaan bij het verlies van de monstrans als onderdeel van het Nederlands cultureel erfgoed. Vooral regionaal is veel aandacht aan de zaak besteed. Aan de andere kant doet de diefstal, hoewel gewelddadig, ook amateuristisch en ondoordacht aan. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat de monstrans niet in de sporttas paste, maar ook uit de omstandigheid dat de daders kennelijk geen duidelijk plan hadden waar de monstrans na de diefstal heen zou gaan en op welke manier hij (al dan niet in onderdelen) verder zou worden verhandeld. Mede daardoor heeft de politie de monstrans kunnen achterhalen en is deze ook niet voorgoed verloren gegaan voor het publiek. De rechtbank acht deze zaak al met al dan ook van andere orde dan de zaken die de officier van justitie heeft aangehaald en waarop zij haar strafeis heeft gebaseerd.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd zoals neergelegd in de zogenaamde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor diefstal van waardevolle kunstvoorwerpen zijn geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft de oriëntatiepunten voor diverse vermogensdelicten in ogenschouw genomen. Voor een ramkraak (in georganiseerd verband en met aanzienlijke schade), een vermogensdelict waarin geweld met name is gericht tegen goederen zoals in deze zaak, geldt als oriëntatiepunt negen maanden gevangenisstraf. Voor een overval op een winkel, waarbij geweld met name zal zijn gericht tegen mensen, geldt als oriëntatiepunt twee jaar gevangenisstraf. In deze zaak is geen sprake van geweld gericht tegen mensen. In het licht van de hiervoor genoemde oriëntatiepunten acht de rechtbank de eis van de officier van justitie erg hoog, ook als in aanmerking wordt genomen dat sprake is van een bijzonder kunstobject.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij ‘Stichting Museum Catharijneconvent’ heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 3.327,62.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De rechtbank is bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder primair bewezen verklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 3.327,62. De vordering zal worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 29 januari 2013.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. van het Burgerlijk Wetboek niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door een mededader is voldaan.

Na te noemen schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- het bewezen verklaarde levert het onder rubriek 6 genoemde strafbare feit op;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- wijst de vordering van Stichting Museum Catharijneconvent toe tot € 3.327,62, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 29 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Stichting Museum Catharijneconvent voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Stichting Museum Catharijneconvent, aan de Staat € 3.327,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 29 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 43 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, mrs. H.A. Brouwer en E.M. de Stigter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2013.

Mr. Messer is buiten staat mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit het Museum

Catharijneconvent heeft weggenomen een Monstrans (waardevol historisch

kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een verzekerde waarde van

250.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het

Museum Catharijneconvent en/of Parochie van de Heilige Drie-Eenheid, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren)

onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of

verbreking van een glazen deur en/of een vitrinekast;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2013

tot en met 13 februari 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, een

Monstrans (waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of

met een verzekerde waarde van 250.000 euro heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voornoemde Monstrans wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof.

1 Het proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 295-297 van het proces-verbaal dossiernummer PL091A 2013022772, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 1014.

2 Het proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 391-400.

3 Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 352.

4 Een proces-verbaal van sporenonderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 611-655, i.h.b. pagina 613 onder “onderzoek sporttas” en pagina 617.

5 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 674-676.

6 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 maart 2013, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 707-710.

7 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 juni 2013, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 914-920, in het bijzonder pagina 917.

8 Het proces-verbaal van relaas zaaksdossier kunstroof, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 12-24, i.h.b. pagina 19.

9 Een tapgesprek met nummer 287727814, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 765-771.

10 Het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 363-365.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 275-276.

12 Het proces-verbaal van uitslag sporenonderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 692.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 366-367.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 244-248.