Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3775

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
851982 UC EXPL 13-1333 CTH 4065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid acceptgirokosten, in geval van betaling op een andere wijze dan door middel van automatische incasso, en buitengerechtelijke incassokosten. Kosten zijn voldaan door eiser onder dreiging van afsluiting drinkwatertoevoer. Kosten onverschuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 851982 UC EXPL 13-1333 CTH 4065

Vonnis van 18 september 2013

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigden: M. de Niet, W. van Unen en J.S. Belgers, werkzaam bij Tempelman – de Niet, gerechtsdeurwaarders.

tegen:

de naamloze vennootschap Vitens N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

verder ook te noemen Vitens,

gedaagde partij,

gemachtigde: H.J.B. Puhl, bedrijfsjurist van Vitens.

1 Het verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

Vitens heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en Vitens heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een consument die van Vitens, als drinkwaterleverancier, drinkwater betrekt. Partijen hebben daartoe een overeenkomst gesloten vóór 16 december 2008.

2.2.

Vitens heeft [eiser] bij brief van 16 december 2008 – voor zover voor de beoordeling van dit geschil relevant – het volgende bericht:

“(…)

U betaalt uw waterrekening nu vier maal per jaar met behulp van een acceptgirokaart die wij u toesturen. Dat werkt prima, maar is ook relatief duur. Met automatische incasso kan het veel eenvoudiger én goedkoper.

Bij incasso wordt uw waterrekening automatisch in 4 of 10 termijnen van uw rekening afgeschreven. U hoeft er niet meer naar om te kijken. Wilt u toch door middel van een acceptgirokaart blijven betalen dan brengen wij vanaf 1 februari 2009 per acceptgirokaart hiervoor € 1,50 (exc. BTW) aan verwerkingskosten in rekening.

Bijgaand treft u de machtigingskaart die ons in staat stelt 4 of 10 keer per jaar het termijnbedrag van uw rekening af te schrijven. U kunt uw machtiging ook doorgeven via www.vitens.nl (Mijn Vitens). Als u bezwaar heeft tegen zo’n afschrijving, kunt u uw bank altijd opdracht geven het bedrag terug te storten. U kunt uw machtiging op elk gewenst ogenblik intrekken. Maar u zult het zien: automatisch betalen is ideaal. Gemak en voordeel gaan hand in hand.

(…)”

2.3.

Bij brief van 8 januari 2009 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van extra kosten. Hij schreef – voor zover van belang – het volgende:

“(…)Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw schrijven dd 16 december 2008 met als onderwerp “kosten betalingsverkeer”. Hierin stelt u, dat u mij vanaf 1 februari 2009 kosten betalingsverkeer in rekening zult brengen, wanneer ik u geen toestemming verleen middels automatische incasso de nota te incasseren. Deze dwang valt mijn inziens onder de definitie knevelarij. U stelt voorts dat ik nu vier maal per jaar betaal met behulp van een acceptgirokaart. Niets is minder waar. Uw acceptgirokaart wordt door mij al lang niet meer gebruikt. Inmiddels maken velen – ook ik – gebruik van telebankieren en is uw acceptgiro geheel overbodig. U kunt derhalve afzien van het toesturen daarvan.

(…)

Ik weiger echter extra kosten – in dit verband kosten betalingsverkeer – te voldoen.

(…)”

2.4.

[eiser] heeft Vitens herhaaldelijk schriftelijk gewezen op zijns inziens ten onrechte in rekening gebrachte kosten voor betaling en heeft Vitens verzocht de toezending van acceptgiro’s achterwege te laten.

2.5.

[eiser] en Vitens hebben uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd over de door Vitens in rekening gebrachte kosten voor betaling.

2.6.

Vitens heeft [eiser] bij brief van 19 maart 2012 – voor zover relevant – het volgende bericht:

“(…)Ondanks herhaalde verzoeken heeft u onderstaand bedrag niet betaald. Daarom sluiten wij de drinkwatertoevoer af.

Openstaand bedrag: € 93,64 (inclusief incassokosten)

Dit bedrag kan nog verhoogd worden met nieuwe nota’s. U kunt afsluiting van uw drinkwatertoevoer alleen voorkomen door binnen twee dagen na bovengenoemde datum het openstaande bedrag over te maken (…)”

2.7.

[eiser] heeft een bedrag van € 93,64 aan Vitens voldaan.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Vitens primair om aan hem te voldoen een bedrag van € 145,34, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 93,64 vanaf 2 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening en subsidiair om aan Vitens te betalen een bedrag van € 134,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 86,50 vanaf 2 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening. Dit zowel primair, als subsidiair met veroordeling van Vitens in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt – samengevat – aan zijn vordering ten grondslag dat Vitens ten onrechte kosten voor het gebruik van acceptgirokaarten en buitengerechtelijke kosten in rekening heeft gebracht en Vitens de betaling van deze kosten heeft afgedwongen door te dreigen met afsluiting van de toevoer van drinkwater. Door deze dreiging heeft Vitens misbruik gemaakt van de haar ten dienste staande machtsmiddelen, aldus [eiser]. Omdat hij niet gehouden was tot betaling dient Vitens volgens [eiser] het door hem aan Vitens betaalde bedrag van € 93,64 terug te betalen. De verschuldigdheid van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten vloeit volgens [eiser] voort uit de wet.

3.3.

Vitens voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of [eiser] op grond van de algemene voorwaarden van Vitens, dan wel op grond van artikel 6:47 BW, gehouden was tot betaling van kosten voor door Vitens aan hem gezonden facturen met daarbij gevoegde acceptgiro’s. Indien het antwoord bevestigend luidt dient de vordering te worden afgewezen. Bij een ontkennend antwoord komt de vordering tot terugbetaling, die kennelijk is gegrond op artikel 6:203 BW dat gaat over onverschuldigde betaling, voor toewijzing in aanmerking.

4.2.

Vitens wordt niet gevolgd waar zij zich op het standpunt stelt dat toevoeging van een tarief aan haar tarievenlijst een wijziging van de overeengekomen tarieven is en Vitens daartoe gerechtigd is op grond van haar algemene voorwaarden. In deze procedure is geen tarievenlijst als productie overgelegd waaruit blijkt dat daarop de kosten van betaling zijn vermeld en Vitens daarom tot wijziging van die kosten gerechtigd zou zijn. Voor zover ervan uit moet worden gegaan dat kosten van betaling niet op deze lijst voorkomen, is Vitens niet gerechtigd deze kosten (alsnog) in rekening te brengen zonder dat daarover overeenstemming is bereikt tussen Vitens en haar wederpartij, in dit geval [eiser]. Deze overeenstemming is niet gesteld door Vitens. Verder blijkt uit het feit dat [eiser] in zijn schrijven van 8 januari 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen berekening van kosten die gemoeid zijn met de verzending van en betaling door middel van acceptgiro’s en uit de uitvoerige correspondentie tot deze procedure dat [eiser] niet heeft ingestemd met deze kosten. Dit brengt mee dat er geen overeenkomst is tussen partijen omtrent deze kosten.

4.3.

Voor zover Vitens de verschuldigdheid van de kosten voor betaling grondt op artikel 6:47 lid 1 BW wordt het volgende overwogen. Anders dan Vitens stelt, vallen de kosten voor het aanmaken, het afdrukken en verzenden een factuur niet onder de kosten van betaling. Op grond van artikel 15 van haar algemene voorwaarden is Vitens gehouden alle bedragen die [eiser] aan haar verschuldigd is door middel van een nota in rekening te brengen. Gesteld noch gebleken is dat partijen hiervoor een vergoeding zijn overeengekomen, zodat de kosten die verbonden zijn aan de door Vitens verzonden facturen voor haar rekening blijven.

4.4.

Vitens heeft in deze procedure niet gesteld en ook niet met stukken onderbouwd wat de kosten zijn die door haar bank in rekening worden gebracht voor het verwerken van een betaling. Deze kosten kunnen, anders dan Vitens lijkt te stellen, niet worden vastgesteld op het door haar in rekening gebrachte bedrag van € 1,50, exclusief btw, per betaling omdat artikel 6:47 BW daarvoor geen steun biedt. Immers, het artikel biedt een grondslag om werkelijke kosten voor rekening van degene die nakomt te laten komen, niet voor een forfaitair bedrag. Derhalve komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Nog daargelaten dat Vitens de kosten die zij stelt te maken voor verwerking, door haar aangeduid als “aflettering”, op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd, komen zij niet voor toewijzing in aanmerking omdat deze kosten worden gemaakt nadat de betaling op grond van artikel 6:114 BW is voltooid op het moment dat de rekening van Vitens wordt gecrediteerd bij girale betaling. Daarmee kunnen deze kosten niet worden beschouwd als kosten van betaling en behoren zij tot de normale bedrijfskosten van Vitens.

4.5.

Voorgaande brengt mee dat [eiser] niet gehouden is tot betaling van kosten voor betaling door middel van acceptgiro’s. Vitens heeft daarom ten onrechte een bedrag van € 7,14 aan kosten in rekening gebracht en was daarom evenmin gerechtigd een bedrag van € 86,50 (€ 93,64 minus € 7,14) aan buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen. [eiser] heeft deze kosten, nu een rechtsgrond ontbrak, onverschuldigd aan Vitens betaald. Zijn vordering tot betaling van dit onverschuldigd betaalde bedrag zal worden toegewezen.

4.6.

De door [eiser] gevorderde wettelijke rente zal, als niet weersproken, worden toegewezen als gevorderd.

4.7.

[eiser] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten is slechts toewijsbaar, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De vordering van [eiser] gaat het in het Rapport Voor-werk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven. Uit de stellingen van [eiser] kan niet worden afgeleid dat hij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door [eiser] gemaakte kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt, voor zover zij het forfaitaire tarief van € 44,03 overschrijden. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 44,03.

4.8.

Vitens zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,17

- griffierecht € 75,00

- salaris gemachtigde € 60,00 (2 punten x tarief € 30,00)

Totaal € 227,17

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Vitens om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 140,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 2 oktober 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Vitens tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 227,17,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2013.