Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3709

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
AWB-13_44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Wajong. Tussenuitspraak. Verzoek om herziening van besluit tot weigering Wajong-uitkering. Er is sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong staat bij een verzoek om herziening niet in de weg aan toekenning van een Wajong-uitkering met meer dan een jaar terugwerkende kracht. Uit de rapportage van de verzekeringsarts blijkt dat de door hem opgestelde FML ziet op de datum einde wachttijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/44

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2013 in de zaak tussen

[eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.G. Dorrestijn, werkzaam bij de Reformatorische Unie Werknemers,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: M. Florijn, werkzaam bij het Uwv.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft verweerder aan eiseres per 26 april 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend. Bij besluit van 21 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 maart 2013 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar vader, [A] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij de behandeling van het beroep ter zitting is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband daarmee is het onderzoek geschorst en heeft de rechtbank het vooronderzoek hervat. Verweerder is in dit kader in de gelegenheid gesteld om toe te lichten hoe verzekeringsarts bezwaar en beroep Langerak tot haar standpunt komt dat niet is komen vast te staan dat eiseres ook al in 2007 en per einde wachttijd (10 april 1999) de beperkingen ondervond die verzekeringsarts Dekker in zijn medisch onderzoeksverslag van 26 juni 2012 heeft vastgesteld.


Verweerder heeft bij brief van 25 april 2013, met als bijlage een medisch onderzoeksverslag van 24 april 2013 van verzekeringsarts Dekker gereageerd. Eiseres heeft bij brief van 3 juni 2013 gereageerd op de reactie van verweerder.


Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder nader onderzoek ter zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek op 26 juni 2013 gesloten.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt voor 1 januari 2013.

2.

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft verweerder aan eiseres per 10 april 1999 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

3.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 23 april 2012 verzocht om dit besluit te herzien.

4.

Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft verweerder aan eiseres per 26 april 2011 een arbeidsongeschiktheidsvoorziening in de vorm van een uitkering op grond van de Wet Wajong toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

5.

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat eiseres met haar brief van 23 april 2012 geen nieuwe gegevens heeft overgelegd, maar dat hij besloten heeft om geen gebruik te maken van de hem in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geboden mogelijkheid om de aanvraag van eiseres om die reden niet in behandeling te nemen. Verder is in het bestreden besluit gesteld dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend. Als datum van de (hernieuwde) aanvraag is verweerder uitgegaan van de datum van ontvangst van de brief van 23 april 2012, zijnde 26 april 2012.

6.

Eiseres betoogt dat verweerder bij de toekenning ten onrechte is uitgegaan van 26 april 2012 als datum waarop een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Wajong is ingediend. Zij heeft in haar brief van 23 april 2012 verzocht om herziening van het besluit van 9 augustus 2007. Verweerder dient derhalve te onderzoeken of er aanleiding is om dit besluit, waarvoor zij op 7 juni 2007 een aanvraag heeft ingediend, te herzien. Eiseres stelt dat met de brief van 23 april 2012 wel melding is gemaakt van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Zij licht toe dat eerst na de aanvraag in 2007 aantoonbaar is geworden dat geen sprake is van tijdelijke problematiek, zoals de verzekeringsarts in eerste instantie heeft verondersteld, maar van structurele problematiek. Eerst na 2007 is gebleken dat het voor eiseres zelfs in het beschermde werk dat zij vanaf dat jaar in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) heeft verricht, niet is gelukt om haar uren verder uit te breiden dan twaalf uur per week.

7.

De rechtbank stelt vast dat eiseres met haar brief van 23 april 2012 verweerder heeft verzocht om terug te komen op het besluit van 9 augustus 2007.

8.

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking, een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

9.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals onder meer verwoord in de uitspraken van 7 oktober 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AM2540) en 24 december 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AO4564), is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. De bestuursrechter dient in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

10.

De rechtbank ziet zich, gelet op de onder 9 genoemde jurisprudentie van de CRvB in de eerste plaats gesteld voor de vraag of er ten tijde van het verzoek om herziening sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Eiseres is naar aanleiding van haar brief van 23 april 2012 onderzocht door verzekeringsarts Dekker, de verzekeringsarts die eiseres ook in 2007 heeft onderzocht. Uit het medisch onderzoeksverslag van 26 juni 2012 van verzekeringsarts Dekker blijkt dat hij naar aanleiding van de door eiseres overgelegde gegevens over haar arbeidsverleden tussen 1999 en de datum van de beoordeling tot een toegenomen inzicht is gekomen in de problematiek van eiseres. De gegevens betreffen enerzijds verklaringen van voormalige werkgevers van voor 2007 en anderzijds haar werkervaring in het kader van de Wsw na 2007. Aan de hand van de nieuw overgelegde gegevens komt verzekeringsarts Dekker tot de conclusie dat hij eiseres destijds heeft overschat voor wat betreft het maximale aantal werkuren. Het is eiseres de afgelopen jaren niet gelukt om voltijds te weken en de inschatting van verzekeringsarts Dekker is dat zij niet meer dan zestien uur per week kan werken. Uit dit onderzoeksverslag blijkt dat verzekeringsarts Dekker zich op basis van de door eiseres overgelegde gegevens, die gedeeltelijk betrekking hebben op de periode na 2007, een nieuw medisch beeld heeft gevormd, dat heeft geleid tot een andere medische weging en het alsnog aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wajong.

11.

Aangezien er, anders dan verweerder heeft gesteld, sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en verweerder het besluit van 9 augustus 2007 dus niet onverplicht heeft herzien, ziet de rechtbank zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot de juiste ingangsdatum van de uitkering is gekomen.

12.

Eiseres betoogt dat zij, zoals verzekeringsarts Dekker in zijn onderzoeksverslag van 26 juni 2012 heeft onderkend, al sinds 10 april 1999 beperkt is ten gevolge van het syndroom van Bloch Sulzberger. Tot 2007 heeft eiseres, ondanks haar beperkingen, wel gedurende korte periodes bij verschillende werkgevers gewerkt, maar uit de met de brief van 23 april 2012 overgelegde verklaringen van werkgevers blijkt dat zij ook bij die werkgevers slechts beperkt heeft gefunctioneerd. Eiseres heeft, gelet op haar eerdere aanvraag van 7 juni 2007, verzocht om toekenning van een uitkering per 7 juni 2006.

13.

Op grond van artikel 3:29, eerste lid, van de Wet Wajong gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de uitkering, in afwijking van het eerste lid, niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

14. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong in het onderhavige geval in de weg staat aan het toekennen van een uitkering tot meer dan een jaar voor het verzoek om herziening van 23 april 2012. Zij overweegt daartoe, in navolging van de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 juni 2012 (ECLI:NL:RBASS:2012:BX0198), dat in gevallen als het onderhavige een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin er sprake is van een aanvraag tot toekenning van een uitkering dan wel de voortzetting van een uitkering, zoals bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong en de situatie waarin eerder is besloten over de uitkering en verzocht wordt om terug te komen op dat besluit. Artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong strekt ertoe verweerder te beschermen tegen de aanspraak op een uitkering die tot ver in het verleden terugwerkende kracht zou moeten krijgen in de situaties waarin het de aanvrager vrij stond om eerder een aanvraag te doen maar dit om hem moverende redenen heeft nagelaten. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Uit het medisch onderzoeksverslag van verzekeringsarts Dekker van 26 juni 2012 blijkt dat de eerdere beoordeling in het kader van de Wajong in 2007 weliswaar op goede gronden door verweerder is uitgevoerd, aangezien eiseres tussen haar 18e jaar (1999) en 2007 schijnbaar een redelijk arbeidsverleden had, maar dat de met het verzoek om herziening door eiseres overgelegde gegevens, die enerzijds verklaringen betreffen van voormalige werkgevers voor 2007 en anderzijds de werkervaringen in het kader van de Wsw vanaf 2007, hebben geleid tot een toegenomen inzicht in haar problematiek. Aangezien de gewijzigde beoordeling mede is gebaseerd op het feit dat eiseres ook na 2007 in Wsw-verband slechts beperkt heeft gefunctioneerd, kan eiseres niet worden verweten dat zij met haar eerdere aanvraag niet meer gegevens heeft overgelegd. Ten tijde van de eerdere aanvraag waren de gegevens van na 2007 immers nog niet beschikbaar. Dat, zoals verweerder stelt, de medische beoordeling in 2007 op grond van de op dat moment beschikbare gegevens niet onjuist is geweest, leidt
- gelet op het voorgaande - dus niet tot de conclusie dat artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong in de weg staat aan het toekennen van een uitkering tot meer dan een jaar voor het verzoek om herziening van 23 april 2012.

15.

Uit de door verweerder in beroep overgelegde rapportage van 20 maart 2013 van verzekeringsarts bezwaar en beroep Langerak begrijpt de rechtbank dat verweerder zich naar aanleiding van het ingestelde beroep op het standpunt stelt dat niet kan worden vastgesteld of de in het medisch onderzoeksverslag van 26 juni 2012 van verzekeringsarts Dekker vastgestelde beperkingen ook in 2007 en per einde wachttijd, 10 april 1999, al bestonden.

16.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat, anders dan verweerder stelt, uit het medisch onderzoeksverslag van verzekeringsarts Dekker van 26 juni 2012 wel degelijk blijkt dat de door hem vastgestelde beperkingen, waaronder een urenbeperking voor maximaal 16 uur per week, al per einde wachttijd, 10 april 1999, bestonden. Uit dit verslag blijkt dat hij op basis van de door eiseres overgelegde gegevens, die zien op haar arbeidsverleden vanaf 1999 tot het moment van de beoordeling, tot de conclusie is gekomen dat zij met terugwerkende kracht meer beperkt moet worden geacht dan volgde uit zijn eerdere beoordeling in 2007. In het verslag wordt door de verzekeringsarts overwogen dat eiseres de combinatie van zelfstandig wonen en voltijds werken nooit langdurig heeft aangekund. Het aangeboren syndroom veroorzaakt bij eiseres ook chronische cognitieve en terugkerende psychische problemen, die haar moeheid en traagheid kunnen verklaren. Eiseres heeft, aldus het verslag, nu uiteindelijk wel aangetoond meer beperkt te zijn dan in 2007 het geval leek. De verzekeringsarts had toen wel rekening gehouden met haar onvermogen om in een hoog tempo te werken, maar aan de hand van de nieuwe gegevens blijkt dat hij haar heeft overschat in het maximale arbeidsuren, zo staat in het verslag. Verder staat in het verslag dat van de belastbaarheid van eiseres per einde wachttijd (9 april 1999) een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld en vastgelegd in het CBBS. In de bij het verslag gevoegde FML, die is vastgelegd op 26 juni 2012, is in rubriek 6 een urenbeperking voor maximaal 4 uur per dag en 16 uur per week opgenomen.

17.

Na de zitting heeft verweerder een medisch onderzoeksverslag van 24 april 2013 van verzekeringsarts Dekker overgelegd. In dit verslag heeft verzekeringsarts Dekker toegelicht dat er bij de eerste beoordeling geen aanleiding was voor een urenbeperking. Bij de tweede beoordeling moest hij, gelet op het feit dat eiseres sinds 2007 niet meer in staat was om voltijds te werken, wel aannemen dat eiseres per einde wachttijd niet meer dan 16 uur per week kon werken. In het verslag is verder toegelicht dat de in FML genoemde datum van 1 oktober 2004 ziet op het gehanteerde arbeidsongeschiktheidscriterium en dus niet op de datum waarop de FML betrekking heeft. De FML van 26 juni 2012 is, aldus het verslag, opgesteld per einde wachttijd, 9 april 1999. Uit het voorgaande volgt dat het verslag van
24 april 2013 van verzekeringsarts Dekker niet weerspreekt dat de door hem op 26 juni 2012 opgestelde FML ziet op de datum 9 april 1999. Uit de onder 10 en 14 aangehaalde inhoud van het verslag blijkt bovendien dat de inhoudelijke beoordeling door verzekeringsarts Dekker op 26 juni 2012 ziet op de datum einde wachttijd, 9 april 1999. Verweerder heeft geen andere medische beoordeling overgelegd en overigens ook niet gesteld dat de conclusie van het verslag van 26 juni 2012 van verzekeringsarts Dekker onjuist is.

18.

De rechtbank is, gelet op hetgeen onder 12 tot en met 17 is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres eerst met ingang van 26 april 2011 voor een Wet Wajong uitkering in aanmerking komt.

19.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:29 van de Wet Wajong en komt voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, in samenhang met artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in een tussenuitspraak in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb deze gelegenheid te bieden. Zij overweegt daartoe dat de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit in beginsel herstelbaar zijn, hetzij door een nadere motivering, hetzij, hetgeen in dit geval meer in de rede ligt, door het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met een eerdere ingangsdatum voor de uitkering, dat vervolgens op de voet van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb in de procedure kan worden betrokken. Verweerder dient daarbij hetgeen in deze uitspraak is overwogen in acht te nemen.

20.

De termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen bepaalt de rechtbank op zes weken na verzending van deze uitspraak. Indien verweerder binnen twee weken verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die voor het herstel is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

21.

De beoordeling van de overige beroepsgronden van eiseres stelt de rechtbank uit tot de einduitspraak, De rechtbank neemt verder nog geen beslissing over de vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid:

- om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, of

- om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mede te delen dat van deze geboden mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen hoger beroep open.