Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3693

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
854190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding koopovereenkomst bankstel. Geen gebruiksvergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

zittinghoudende te Utrecht

zaaknummer: 854190 UC EXPL 13-2115 MEH 4215

Vonnis van 11 september 2013

in de zaak tussen

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats],

verder te noemen: [eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. G.A.H.M. Steenbakkers,

toevoegingsnummer: 4JJ9310,

en

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [naam],

wonend te [vestigingsplaats],

verder te noemen:[gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 augustus 2013;

- de ongedateerde brief van[gedaagde] die op 3 september 2013 door de rechtbank is ontvangen;

- de beslissing van de rolrechter van 5 september 2013, inhoudend dat deze schriftelijke reactie van[gedaagde], ondanks de termijnoverschrijding, geacht wordt te zijn genomen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

[eiseres] stelt zich – onder meer met verwijzing naar diverse getuigenverklaringen – op het standpunt dat delen van de bank kort na aankoop doorzakken en dat een armleuning is losgeraakt. Tussen partijen is niet in geschil dat een dergelijke bank niet aan de koopovereenkomst voldoet en non-conform is (zie r.o. 4.2 van het bovengenoemde tussenvonnis).

2.2.

[gedaagde] betwist evenwel de door [eiseres] gestelde gebreken. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter[gedaagde] in de gelegenheid gesteld zijn verweer schriftelijk nader te toe te lichten. In zijn onder r.o. 1.1 genoemde brief herhaalt[gedaagde] slechts zijn eerder ingenomen standpunten zonder deze nader toe te lichten of te onderbouwen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat[gedaagde] de door [eiseres] gestelde gebreken niet nader heeft weersproken, zodat in rechte moet worden aangenomen dat de bank non-conform is.

2.3.

Hoewel uit de stellingen van partijen volgt dat[gedaagde] een deel van de bank heeft teruggenomen voor herstel, staat vast dat hij (in elk geval) heeft nagelaten het hoekdeel van de bank te herstellen. Dit brengt mee dat hij tekort is geschoten in zijn herstelverplichtingen en [eiseres] op grond van artikel 7:22 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het recht heeft de overeenkomst te ontbinden, zoals zij bij brief van 19 juni 2012 heeft gedaan. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, zal de gevorderde verklaring voor recht bij gebrek aan belang evenwel niet worden toegewezen.

2.4.

Ontbinding brengt mee dat de ontvangen prestaties ongedaan gemaakt moeten worden. Dit betekent dat [eiseres] gehouden is de bank terug te geven en[gedaagde] verplicht is de koopprijs te restitueren. Tijdens de zitting heeft[gedaagde] opgemerkt dat [eiseres] de bank bijna twee jaar gebruikt, zodat het niet aangaat dat hij de volledige koopprijs moet terugbetalen. De kantonrechter begrijpt deze toelichting aldus dat[gedaagde] stelt dat [eiseres] een gebruiksvergoeding moet betalen.

2.5.

De kantonrechter oordeelt – met verwijzing naar rechtbank Utrecht 29 augustus 2012, NJF 2012, 443 – dat in uitzonderlijke gevallen een verplichting tot het betalen van een gebruiksvergoeding bestaat, zoals in het geval van ongerechtvaardigde verrijking.

Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de bank al na korte tijd na aflevering zulke gebreken vertoonde dat van noemenswaardig voor vergoeding in aanmerking komend genot geen sprake is. Verder blijkt uit de door [eiseres] in het geding gebrachte verklaringen dat de bank nog steeds gebreken kent. Illustratief daarvoor is de verklaring van [A] die schrijft: “Afgelopen week was ik namelijk nog bij mevrouw [eiseres] op bezoek en toen bleek dat de bank voor een deel nog steeds doorgezakt en kapot is.”.

Verder volgt uit de stellingen van [eiseres] – in samenhang met de verklaringen van derden waarop zij zich beroept – dat het herstel van bankdelen lange tijd op zich heeft laten wachten. Gedurende deze periode kan zij slechts in (zeer) beperkte mate genot van de bank hebben gehad. Daar komt bij dat [eiseres] de overeenkomst al op 19 juni 2012 heeft ontbonden. Dat [eiseres] de bank een jaar nadien nog steeds gebruikt, is een omstandigheid die[gedaagde] niet aan haar kan tegenwerpen omdat hij niet aan zijn herstelverplichtingen heeft voldaan en zich evenmin heeft neergelegd bij de buitengerechtelijke ontbinding door [eiseres].

2.6.

Gelet op het voorgaande zal de vordering tot terugbetaling van de volledige koopprijs worden toegewezen.

Voor de volledigheid wijst de kantonrechter [eiseres] erop dat zij verplicht is het bankstel aan[gedaagde] terug te geven.

2.7.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Gelet op de termijn die hem in de brief van 19 juni 2012 is gegund voor het terugbetalen van de koopsom, zal de rente worden toegewezen vanaf 4 juli 2012.

2.8.

Bij de beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van deze kosten een opsomming gegeven van een aantal standaardwerkzaamheden dat in het kader van de incasso moet worden verricht. Daarmee is niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk verdergaande buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt voor verrichtingen als hiervoor omschreven. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten, zodat de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.

2.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding €  92,82

- vast recht 75,00

- salaris gemachtigde 300,00 (2 punten × tarief € 150,00)

Totaal €  467,82

Omdat aan [eiseres] een toevoeging is verleend, moeten de in debet gestelde explootkosten exclusief verschotten (75% van € 92,82) worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Utrecht.

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen op de hierna vermelde wijze.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt[gedaagde] aan [eiseres] ten titel van ongedaanmakingsverplichtingen te betalen een bedrag van € 1.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 juli 2012 tot de voldoening,

3.2.

veroordeelt[gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 467,82, waarin begrepen € 300,00 aan salaris gemachtigde,

- waarvan een bedrag van € 69,62 te voldoen aan de griffier nadat[gedaagde] een nota van de rechtbank daarvoor heeft gekregen,

- waarvan een bedrag van € 398,21 (het rechtstreeks aan [eiseres] te betalen deel van de proceskosten) te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

3.3.

veroordeelt[gedaagde], onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van het vonnis,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.