Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3682

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
C/16/348769 / KG ZA 13-553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vragen een uitgebreider gebiedsverbod dan door de strafrechter is bepaald. Eisers eisen daarnaast aanvullende schadevergoeding. De rechter wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/348769 / KG ZA 13-553

Vonnis in kort geding van 6 september 2013

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

en

3. [eiser sub 3],

4. [eiseres sub 4],

in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van

[minderjarige] ,

allen wonende te [woonplaats 3],

eisers,

advocaat mr. M.A.J. Kubatsch te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 3], feitelijk verblijvende te [woonplaats 1],

gedaagde,

advocaat mr. J.W.A. van Dommelen te Veenendaal.

Eiser sub 1 zal hierna [eiser sub 1] en eiser sub 2[eiser sub 2] worden genoemd.

Eisers sub 3 en sub 4 zullen hierna gezamenlijk de ouders worden genoemd.

[eiser sub 1],[eiser sub 2] en [minderjarige] (die minderjarig is en die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door de ouders) zullen hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [eisers c.s.] worden genoemd.

Eisers en [minderjarige] zullen hierna gezamenlijk de familie [familie] worden genoemd.

Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van 23 juli 2013,

  • -

    de aanvullende producties van [eisers c.s.],

  • -

    de akte houdende aanpassing dagvaarding,

  • -

    de producties van [gedaagde],

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van eisers,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een neef van [eisers c.s.]

2.2.

Bij vonnis van 31 augustus 2012, gewezen door de meervoudige kamer van de sector strafrecht van de rechtbank Utrecht (hierna: het strafvonnis), is [gedaagde] veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens het herhaaldelijk plegen van ontucht met [eisers c.s.] Er is geen hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis.

2.3.

Aan deze vrijheidsstraf is een bijzonderde voorwaarde verboden, inhoudende:

* dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal hebben of onderhouden met aangevers,[eiser sub 2] en [eiser sub 1] en aangeefster [minderjarige];

* dat het verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden in het gebied tussen de [straat 1], [straat 2] en [straat 3] te [woonplaats 2];

(…).

2.4.

[eisers c.s.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces, teneinde de schade vergoed te krijgen, die hij als gevolg van het handelen van [gedaagde] heeft geleden. In verband daarmee heeft de rechtbank in 7.3. van het vonnis van 31 augustus 2012 als volgt overwogen:

Schadevergoeding in natura

De benadeelde partijen[eiser sub 2], [eiser sub 1] en [minderjarige] vorderen primair een contactverbod/dorpsverbod en subsidiair een contactverbod/locatieverbod aan verdachte op te leggen, zijnde schadevergoeding in natura. De rechtbank acht het primaire gevorderde dorpsverbod een te grote inbreuk op het leven van verdachte, nu verdachte zelf afkomstig is uit [woonplaats 3] en zijn familie hier woonachtig is. De rechtbank zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Nu het subsidiair gevorderde reeds is opgenomen in de bijzondere voorwaarden zal de rechtbank de benadeelde partijen ten aanzien van de subsidiair gevorderde schadevergoeding in natura niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.

Schade wegens studievertraging

[eiser sub 2] vordert een schadevergoeding van de kosten van studievertraging van € 15.544,00. [eiser sub 1] vordert schadevergoeding van de kosten van studievertraging van € 18.875,00 en extra collegegeld van € 1.771,00. [minderjarige] vordert schadevergoeding van de kosten van studievertraging van € 15.544,00 en extra reiskosten van € 1.000,00. De rechtbank overweegt dat het causaal verband tussen de opgelopen studievertraging en de feiten niet is betwist, slechts de hoogte van de schade is door verdachte betwist. Het causaal verband tussen de studievertraging en de bewezen verklaarde feiten staat derhalve tussen partijen vast. De kosten van studievertraging, het extra collegegeld en de extra reiskosten zijn voldoende onderbouwd. De berekening van de schade wegens studievertraging is weliswaar een abstracte norm, maar deze norm biedt voor de rechtbank voldoende houvast ter beoordeling van de geleden schade. De verdediging heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze schade is geleden of nog zal worden geleden. De rechtbank acht verdachte dan ook aansprakelijk voor deze schade.

2.5.

De rechtbank achtte daarnaast ook door [eisers c.s.] gevorderde reiskosten en kosten van rechtsbijstand toewijsbaar. Aldus is [gedaagde] in het strafproces veroordeeld tot betaling van € 23.159,80 aan[eiser sub 2], bestaande uit € 15.659,80 aan materiële schade (waarvan € 15.544,00 in verband met studievertraging) en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2006 tot de voldoening.

2.6.

[gedaagde] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 27.590,70 aan [eiser sub 1], bestaande uit € 21.590,70 aan materiële schade (waarvan € 18.875,00 in verband met studievertraging) en € 6.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2002 tot de voldoening.

2.7.

Jegens [minderjarige] is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 24.159,80, bestaande uit € 16.659,80 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2008 tot de voldoening.

2.8.

[gedaagde] heeft de in het strafproces aan [eisers c.s.] toegewezen schade vergoed.

2.9.

[gedaagde] verblijft thans in de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein.

2.10.

Bij brief van 24 september 2012 heeft de officier van justitie de (voorwaardelijke) veroordeling aan [gedaagde] meegedeeld en de betekenis daarvan aan hem uitgelegd. In die brief is ook het volgende vermeld:

Voorts deel ik u mede, dat de hierboven vermelde proeftijd is ingegaan op 15 september 2012 en dat de proeftijd niet loopt gedurende de tijd dat u rechtens de vrijheid is ontnomen.”

2.11.

Het Informatiepunt Detentieverloop (hierna: IDV) heeft bij e-mailbericht van 16 november 2012 het volgende bericht aan de raadsvrouwe van de familie [familie]:

Zou gauw de veroordeelde [gedaagde] voor de 1e keer met verlof gaat zal het IDV u daarvan op de hoogte brengen door middel van een brief. Het gaat hierbij op het 1e verlof moment, waarop de slachtoffers de veroordeelde mogelijk tegen kunnen komen.

De overige verlofmomenten worden door het IDV niet meer gemeld. Als aan dit verlof voorwaarden zijn gesteld die betrekking hebben op de slachtoffers (bijv. een contactverbod) dan zal het IDV die ook meedelen.

Uiteraard deelt het IDV ook de datum mee waarop de detentie zal eindigen.

In de regel ontvangt het IDV de bedoelde meldingen 7 dagen voordat het 1e verlofmoment of de einde detentie plaats zal vinden.”

2.12.

De directeur van de voormalige werkgever van [gedaagde], [bedrijf 2] B.V., de heer [A], tevens de vader van [gedaagde], heeft op 15 augustus 2013, voor zover van belang, het navolgende verklaard:

(...)

[bedrijf 2] B.V. zal met [gedaagde] weer een dienstverband aangaan voor 32 uur per week, in zijn oude functie als systeembeheerder, zodra hij in 2014 uit detentie is ontslagen.

(...)

2.13.

De heer [A] heeft namens [bedrijf 1] B.V., thans eigenaar van de voormalige woning van [gedaagde] te [woonplaats 3], op 15 augustus onder meer het navolgende verklaard:

(...) Zodra [gedaagde] uit detentie komt, zal de holding deze woning aan hem, op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd beschikbaar stellen (...)

2.14.

De behandelaar van [gedaagde] bij De Waag, klinisch-psycholoog drs. J.N. van Schooten heeft op 21 augustus 2013 onder meer het navolgende verklaard:

In het algemeen kan gesteld worden dat slachtoffers en daders van seksueel misbruik ‘levenslang’ krijgen. Ieder op zijn eigen manier.

In geval dat cliënt een gemeente verbod van 3 jaar krijgt opgelegd zijn de gevolgen voor hem, en onbedoeld ook voor zijn familie, enorm, zo niet desastreus te noemen.

Cliënt zal ander werk moeten zoeken, waarbij het de vraag is of hij een werkgever kan vinden die hem net zo goed betaald als zijn vader. Vanwege het feit dat cliënt geen VOG zal kunnen krijgen, zal hij beperkt zijn in het vinden van een baan. Cliënt komt met een gemeente verbod in een letterlijk benarde situatie. (...) dat de slachtoffers cliënt niet willen zien is begrijpelijk, ook voor cliënt (...).

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, na aanpassing van de dagvaarding bij akte, samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  1. bepaalt dat [gedaagde] tot aan de ingangsdatum van zijn proeftijd geen contact zal hebben met de familie [familie];

  2. primair bepaalt dat [gedaagde] zich gedurende drie jaar niet in [woonplaats 3] zal bevinden;

3a. subsidiair gelast dat [gedaagde] een machtiging verleent aan de raadsvrouwe van de familie [familie], om in de penitentiaire instelling waar hij in het kader van zijn detentie verblijft informatie op te vragen over de datum van zijn definitieve invrijheidsstelling en de aan hem toe te kennen verlofdagen, in welke machtiging ook toestemming wordt verleend aan de daartoe bevoegde persoon in de instelling, om die informatie aan de raadsvrouwe van de familie [familie] te verstrekken, en

3b. meer subsidiair gelast dat [gedaagde] de aan hem toegekende verlofdagen en de datum van zijn definitieve invrijheidsstelling onverwijld door zal geven aan de raadsvrouwe van de familie [familie];

4. gelast dat [gedaagde] zich tijdens zijn verlof niet in [woonplaats 3] zal bevinden;

5. bepaalt dat [gedaagde] zich na zijn invrijheidsstelling gedurende drie jaar niet in [woonplaats 3] mag vestigen;

6. bepaalt dat [gedaagde] bij overtreding van de onder 1-5 genoemde bepalingen en bevelen een dwangsom verbeurt van € 500,00 per keer;

7. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 5.122,68 aan [eiser sub 1];

8. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het onder 7 gevorderde bedrag vanaf 1 september 2013 tot de voldoening;

9. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 3.259,60 aan[eiser sub 2];

10. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het onder 9 gevorderde bedrag vanaf 1 september 2013 tot de voldoening;

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Algemeen

4.1.

De ouders hebben de vorderingen ingesteld namens hun minderjarige dochter, [minderjarige]. Ingevolge artikel 1:253k BW in samenhang met artikel 1:349 BW is daarvoor een machtiging van de kantonrechter vereist. Nu de ouders deze in het geding hebben gebracht, zijn zij ontvankelijk in de voor [minderjarige] ingestelde vorderingen.

4.2.

De vordering van [eisers c.s.] valt uiteen in twee onderdelen, een eerste deel betreft een gebiedsverbod en het tweede een schadevergoeding. De voorzieningenrechter bespreekt beide onderdelen afzonderlijk.

Gebiedsverbod

4.3.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de onderhavige vorderingen voorop dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstige vorm van inbreuk op de lichamelijke integriteit van [eisers c.s.] Zijn ‘straf’ in de betekenis van ‘vergelding’ is hij thans aan het ondergaan. In dat opzicht is er geen taak voor de voorzieningenrechter. In het kader van de onderhavige beoordeling is voorts van belang dat de meervoudige strafkamer reeds bijzondere voorwaarden aan [gedaagde] heeft opgelegd die een contact -en gebiedverbod inhouden. Zoals blijkt uit de hiervoor in 2.3 geciteerde passage uit het vonnis van de meervoudige strafkamer is het [gedaagde] op grond van dat verbod niet toegestaan om gedurende zijn proeftijd a) contact met [eisers c.s.] te hebben of te onderhouden en b) aanwezig te zijn in het gebied tussen de [straat 1], [straat 2] en [straat 3] te [woonplaats 3]. Dit gebied betreft de directe omgeving van de woning van de familie [familie]. Voorts acht de voorzieningenrechter het van belang dat de meervoudige strafkamer het in de strafprocedure primair door [eisers c.s.] gevorderde dorpsverbod (dat hier feitelijk eveneens aan de orde is) heeft afgewezen omdat zij dat een te grote inbreuk achtte op het leven van [gedaagde], nu hij zelf uit [woonplaats 3] afkomstig is en zijn familie daar woonachtig is. Het is thans de vraag of er aanleiding bestaat voor toewijzing van de vorderingen van [eisers c.s.], die een uitbreiding van het door de meervoudige strafkamer opgelegde contact -en gebiedverbod behelzen.

4.4.

[eisers c.s.] heeft in dit verband gesteld dat het door de meervoudige strafkamer aan [gedaagde] opgelegde verboden zijns inziens te beperkt is, omdat daarmee de reële dreiging van een confrontatie met [gedaagde] onvoldoende wordt ondervangen. Hoewel [gedaagde] tot op heden geen contact met [eisers c.s.] heeft gezocht, is het risico van een toevallige ontmoeting in een kleine gemeente als [woonplaats 3] groot, hetgeen volgens [eisers c.s.] een te grote inbreuk vormt op het recht op een rustig gezinsleven.

4.5.

[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat er geen sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen (het opnieuw plegen van ontucht), waardoor geen sprake kan zijn van een uitbreiding van het door de strafrechter opgelegde contact -en gebiedverbod. [gedaagde] heeft er in dat verband verder op gewezen dat zijn sociale leven zich in [woonplaats 3] afspeelt en dat hij de toezegging heeft van een woning en een baan in [woonplaats 3]. Volgens [gedaagde] betekent een en ander overigens niet, dat hij geen rekening wil houden met de wens van [eisers c.s.] om geen contact met hem te hebben. Hij heeft laten weten dat hij zijnerzijds nooit contact met [eisers c.s.] zal zoeken, ook niet tijdens proefverlof, en dat hij zich bij een onverhoopte toevallige ontmoeting van die plaats zal verwijderen zonder verder contact of commentaar. Ook is hij bereid tot een afspraak te komen over specifieke door hem te mijden adressen binnen de gemeente [woonplaats 3].

4.6.

De eerste vordering van [eisers c.s.] ziet op de situatie in de periode waarin [gedaagde] (voorafgaand aan zijn invrijheidstelling) proefverlof zal genieten. [eisers c.s.] heeft de vrees dat de in het strafvonnis geformuleerde voorwaarden gedurende die periode niet gelden, waardoor een afzonderlijke voorziening gewenst is. [eisers c.s.] vordert in dit kader dat [gedaagde] tot aan de ingangsdatum van zijn proeftijd geen contact zal hebben met [eisers c.s.], nu het ingevolge het strafvonnis [gedaagde] niet verboden is om vóór aanvang van de proeftijd, die ingaat ná de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke straf, contact met hem te hebben of onderhouden en zich in [woonplaats 3] op te houden.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt dat de proeftijd blijkens de brief van 24 september 2012 (zie hiervoor onder 2.10) is ingegaan op 15 september 2012 en dat de proeftijd (ingevolge artikel 14b wetboek van Strafrecht) niet loopt gedurende de tijd dat [gedaagde] rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Nu de proeftijd reeds is ingegaan betekent dit dat de proeftijdvoorwaarden uit het strafvonnis ook gelden gedurende het proefverlof. Eén van deze voorwaarden bestaat uit het gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact hebben of onderhouden met [eisers c.s.] Hieruit volgt dat [eisers c.s.] geen belang heeft bij het onder 1 gevorderde nu daarin al door de meervoudige strafkamer is voorzien. Dit betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.

4.8.

De vorderingen als geformuleerd onder 2, 4 en 5, die elkaar goeddeels overlappen (immers, indien [gedaagde] zich niet in [woonplaats 3] mag bevinden zal hij zich daar feitelijk ook niet kunnen vestigen) en daarom gezamenlijk zullen worden beoordeeld, betreffen samengevat een verbod voor [gedaagde] om zich gedurende drie jaar, waaronder ook tijdens proefverlof, in [woonplaats 3] te bevinden en zich daar te vestigen.

4.9.

De voorzieningenrechter is, hoewel zij zich ervan bewust is welke ingrijpende gevolgen de handelingen van [gedaagde] voor [eisers c.s.] hebben gehad, van oordeel dat de door [eisers c.s.] ingediende vorderingen, gelet op de bijzondere voorwaarden uit het strafvonnis alsmede de uitkomst van de hierna te volgen belangenafweging, niet voor toewijzing vatbaar zijn. Ter toelichting geldt het volgende.

4.10.

Tussen partijen is niet in geding dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eisers c.s.] heeft gehandeld en dat dit ingrijpende gevolgen voor [eisers c.s.] heeft gehad. Evenmin is tussen partijen in geding dat er geen sprake is van recidivegevaar, zodat er in die zin geen sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen. Het belang van [eisers c.s.] is gelegen in het feit dat [eiser sub 1],[eiser sub 2] en [minderjarige] alle drie in [woonplaats 3] wonen en zich, gelet op de ernst en impact van hetgeen hen door [gedaagde] is aangedaan, alle dagen vrijelijk en zonder angst, zorgen of spanning in hun woonplaats, waar hun gehele sociale en familieleven zich afspeelt, willen kunnen bewegen. Tegenover het belang van [eisers c.s.] om [gedaagde] ver weg te weten, staat het belang van [gedaagde] om zich vrij te bewegen, te wonen en te werken. [gedaagde] heeft in dit kader uiteengezet, en met stukken onderbouwd, dat hij na zijn detentie een arbeidsplaats in de gemeente [woonplaats 3] heeft evenals dat hij zal terugkeren in zijn oude woning. Het gevorderde verbod betekent dat hij moet verhuizen en een andere baan moet zoeken. Voorts heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat partijen in de periode 2009 – 2012 ook in [woonplaats 3] woonachtig waren en er in die periode geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen.


4.11. Toewijzing van een vordering tot een gebiedsverbod, in dit geval een dorpsverbod, is alleen aan de orde indien de inbreuk op de grondrechten van [gedaagde] gerechtvaardigd is vanwege het gewicht van de daar tegenoverstaande belangen van [eisers c.s.] bij toewijzing van de vordering. Bij deze belangenafweging spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een centrale rol.

4.12.

De voorzieningenrechter overweegt dat niet aannemelijk is dat er van [gedaagde] thans een reële dreiging uitgaat dat hij contact met [eisers c.s.] zal zoeken. Hoewel het aannemelijk is dat het voor de gemoedsrust van [eisers c.s.] (en daarmee voor het herstel) een goede zaak zou zijn als hij weet dat hij [gedaagde] hoe dan ook niet zal kunnen ontmoeten, is dit belang door [eisers c.s.] niet verder onderbouwd met stukken van derden, zoals bijvoorbeeld artsen of andere behandelaars die dit belang op medische of psychosociale gronden onderschrijven. Daar staat tegenover het belang van [gedaagde] om zich na zijn detentie in [woonplaats 3] te kunnen vestigen, daar waar hij zijn oude woning kan betrekken en een baan heeft. Dit belang is onderschreven door diens behandelend klinisch-psycholoog drs. J.M. van Schooten (zie 2.14). Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat [gedaagde] heeft aangegeven dat hij ieder contact met [eisers c.s.] uit de weg zal gaan en voorts dat hij bereid is om met [eisers c.s.] afspraken te maken over locaties binnen [woonplaats 3] waar hij niet zal komen, zoals een supermarkt of kerk. Voorts heeft te gelden dat er in het strafvonnis reeds een contact –en gebiedverbod is opgelegd.

4.13.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden is het thans door [eisers c.s.] naar voren gebrachte belang om niet met [gedaagde] geconfronteerd te worden, hoewel de voorzieningenrechter daar op zichzelf begrip voor heeft, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om een belangenafweging in het nadeel van [gedaagde] te laten uitvallen en een uitbreiding van de voorwaarden zoals opgelegd in het strafvonnis, te rechtvaardigen. Daartoe zijn de door [eisers c.s.] gestelde belangen onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Dit betekent dat het gevorderde gebiedsverbod zal worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde] behoeven derhalve geen behandeling meer.

4.14.

Nu het onder 2 primair gevorderde zal worden afgewezen, dient het onder 3 subsidiair en meer subsidiair gevorderde te worden beoordeeld, inhoudend dat [gedaagde] (subsidiair) een machtiging verleent aan de raadsvrouwe van [eisers c.s.], om in de penitentiaire instelling informatie op te vragen over de datum van zijn definitieve invrijheidsstelling en de aan hem toe te kennen verlofdagen, en dat hij (meer subsidiair) de aan hem toegekende verlofdagen en de datum van zijn definitieve invrijheidsstelling onverwijld aan de raadsvrouwe zal doorgeven. [eisers c.s.] heeft er in dat verband op gewezen dat het IDV de gewenste informatie verstrekt, maar dat dit in de praktijk veelal niet tijdig gebeurt, in welk geval [eisers c.s.] daarover te lang in onzekerheid zal verkeren.

4.15.

De voorzieningenrechter overweegt dat de door [eisers c.s.] gestelde gebruikelijke trage informatieverstrekking door het IDV, mede gelet op de inhoud van het e-mailbericht van het IDV van 16 november 2012 (zie 2.11), onvoldoende is gebleken en dat ook onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld om aan te nemen dat de informatievoorziening in de onderhavige zaak niet adequaat zal verlopen. Het enkele feit dat de raadsvrouwe van [eisers c.s.] in een andere kwestie een dergelijke ervaring heeft, is onvoldoende om de door de wetgever gewenste, en door middel van het instellen van het IDV geëffectueerde, wijze van informatievoorziening aan slachtoffers uit te breiden met een civielrechtelijk gebod. Aldus ontbreekt voldoende belang bij het onder 3 gevorderde zodat dit dient te worden afgewezen.

4.16.

Gelet op het vorenstaande ligt ook de vordering ter zake de dwangsom voor afwijzing gereed.

Schadevergoeding

4.17.

[eisers c.s.] heeft gesteld dat [eiser sub 1] en[eiser sub 2], naast de schade die in de strafrechtelijke procedure aan de orde is geweest, nog aanvullende schade hebben geleden. Daarop zien de vorderingen als geformuleerd onder 7 -10.

4.18.

[eisers c.s.] heeft aan zijn vordering onder 7-8 (te weten de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 5.122,68 aan [eiser sub 1], vermeerderd met wettelijke rente) ten grondslag gelegd dat [eiser sub 1] bouwkunde studeert aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij heeft vanwege de emotionele impact van de aangifte en het daaropvolgende strafproces een jaar studievertraging opgelopen. Gedurende dat extra jaar heeft [eiser sub 1] geen recht op studiefinanciering. Daarmee is een bedrag van € 1.174,20 gemoeid. Gedurende dat extra jaar heeft [eiser sub 1] ook geen recht op een ov-studentenjaarkaart, waardoor hij de in verband met zijn opleiding te maken reiskosten zelf dient te betalen. Uitgaande van € 0,24 per kilometer is daarmee € 3.948,48 gemoeid, aldus [eisers c.s.]

4.19.

Met betrekking tot de vorderingen geformuleerd onder 9 en 10 (te weten de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 3.259,60 aan[eiser sub 2], vermeerderd met wettelijke rente) heeft [eisers c.s.] gesteld dat[eiser sub 2] via het volwassenonderwijs een havo-opleiding volgt. Net als [eiser sub 1] heeft ook[eiser sub 2] vanwege de emotionele impact van de aangifte en het daaropvolgende strafproces een jaar studievertraging opgelopen. Zijn kosten bestaan uit het verschuldigde examengeld voor de vakken wiskunde, maatschappijleer, biologie en Engels, ter waarde van in totaal
€ 779,00. Daarnaast is[eiser sub 2] na de aangifte naar Sint Maarten gereisd om bij zijn vriendin te kunnen zijn, die daar in verband met haar studie enkele maanden verbleef. Nadat bekend was geworden wat[eiser sub 2] was overkomen, had zij twijfels gekregen over hun relatie. De kosten van het vliegticket bedroegen € 1.345,00.[eiser sub 2] heeft in deze periode ook extra bel- en smskosten gehad. Daarmee was een bedrag van € 1.135,60 gemoeid.

4.20.

[gedaagde] heeft allereerst het spoedeisend belang van [eisers c.s.] bij deze geldvorderingen betwist. Ook heeft hij aangevoerd dat deze vorderingen dienen te worden afgewezen, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd, waardoor het niet aannemelijk is dat deze in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Voorts heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade reeds is vergoed middels de toegewezen schadevergoeding in de strafrechtelijke procedure, welke schadevergoeding door [gedaagde] is voldaan. [gedaagde] heeft voorts de het causaal verband tussen de gestelde schade en zijn onrechtmatig handelen betwist evenals de omvang van de gestelde schade.

4.21.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eisers c.s.] de vordering onder 7-10, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], op dit moment onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de hiervoor in 2.4. geciteerde passage uit het strafvonnis blijkt immers dat de strafrechter al een vergoeding heeft toegekend voor (gemaakte en nog te maken) kosten van studievertraging, extra collegegeld en extra reiskosten. Het gaat in het geval van [eiser sub 1] om een bedrag van € 18.875,00 in verband met studievertraging en bij[eiser sub 2] om een bedrag van € 15.544,00 in verband met studievertraging. Deze bedragen zijn door [gedaagde] voldaan. Blijkens de overwegingen van de meervoudige strafkamer op dit punt heeft de berekening van de schade wegens studievertraging plaatsgevonden middels een abstracte norm die de rechtbank voldoende houvast bood voor de beoordeling daarvan. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verdediging gemotiveerd heeft betwist dat deze schade is geleden of nog zal worden geleden. Gelet op deze overwegingen van de meervoudige strafkamer valt thans niet uit te sluiten, zoals door [gedaagde] ook is betoogd, dat in de vergoeding voor de door [eisers c.s.] thans gevorderde schade die ziet op studievertraging c.q. studiekosten reeds middels het strafvonnis is voorzien (“nog te lijden schade”). De onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een nader onderzoek naar de vraag welke schade reeds wel en welke nog niet is vergoed. Dit betekent dat de voorzieningenrechter thans niet kan beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de in de strafprocedure toegekende schadevergoeding de onderhavige gestelde schade overlapt. Voorts heeft te gelden dat in het kader van de onderhavige procedure, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], onvoldoende is gesteld met betrekking tot het noodzakelijke causaal verband tussen de kosten, verband houdende met de reis van[eiser sub 2] naar Sint Maarten, en het handelen van [gedaagde].

4.22.

Al met al is daardoor op dit moment onvoldoende aannemelijk dat een gelijkluidende vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, zodat de vorderingen als geformuleerd onder 7-10 daarop stranden.

4.23.

Slotsom van het vorengaand is dat de vorderingen van [eisers c.s.] zullen worden afgewezen. [eisers c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht €  263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.079,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.079,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2013.