Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3657

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
C-16-325080 - HA ZA 12-824
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2014:2221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen toepasselijkheid artikel 1:88 lid 1 sub c BW op geldlening met hoofdelijke aansprakelijkheid, voor zover de debiteur/echtgenoot draagplichtig is. Tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/325080 / HA ZA 12-824

Vonnis van 4 september 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.H. Kolenbrander te Leiden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAHSTAL HOLDING BV,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. D.M. de Bruin te Baarn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Vahstal Holding genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 januari 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 mei 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is, en was in de voor deze zaak relevante periode, gehuwd met [A]. Deze is aandeelhouder geweest van de Chinese vennootschap Yixing Dutchman Agriculture Development Co, Ltd., hierna: “Yixing”.

2.2.

Op 11 oktober 2004 heeft de heer [B] (hierna:[B]), als directeur van Yixing aan Vahstal Holding een brief geschreven (hierna: de brief van[B]), waarin onder meer staat:

“[…]

Wij hebben u gevraagd om een lening van € 500.000,00. Wij hebben deze lening nodig om aan onze verplichtingen te voldoen in ons witlof bedrijf in China. […]

[…]

Indien u ons deze lening wilt geven zullen de aandeelhouders van ons bedrijf persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de lening + de rente en alle verplichtingen voortvloeiende uit de lening. Ook zal ons bedrijf Dutchman in China [hiermee wordt gedoeld op Yixing, toevoeging rechtbank] borg/garant staan voor de lening + de rente en volledig aansprakelijk zijn voor de lening.

U heeft ons gevraagd ons verzoek per brief aan u te bevestigen dus schrijven wij deze nu aan u. U heeft ons verteld dat als u het geld uitleent, het alleen aan de aandeelhouders persoonlijk wilt uitlenen met een hoofdelijke aansprakelijkheid van iedere aandeelhouder voor de lening + de rente. Hiervoor zullen de echtgenoten van de aandeelhouders ook moeten tekenen voor accoord dat weten wij. Ook zal ons bedrijf Dutchman in China volledig aansprakelijk zijn voor de lening + de rente omdat het geld voor ons bedrijf is bedoeld. Als u ons het geld wilt lenen vragen wij u om het over te boeken naar de rekening van Pylu Holding in Nederland. […]”

2.3.

Vóór of op 11 oktober 2004 hebben [A] en zijn mede-aandeelhouders in Yixing [C], [D], [E] en[B] (hierna: [gedaagden c.s.]), een op die datum gedateerde schuldbekentenis (hierna: de schuldbekentenis) ondertekend. Deze schuldbekentenis luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

SCHULDBEKENTENIS

De ondergetekenden:

1. [A] wonende te ’[woonplaats]

[…]

hierna tezamen te noemen: schuldenaren

verklaren gezamenlijk en ieder voor zich wegens ter leen ontvangen gelden hoofdelijk schuldig te zijn aan

Vahstal Holding B.V., gevestigd te Amersfoort […]

hierna te noemen: schuldeiser;

een som van totaal Vijfhonderdduizend EURO (EUR 500.000,-) exclusief de overeengekomen rente.

[…]

Ondergetekenden, zijnde de schuldenaren, verklaren hierbij gezamenlijk en ieder voor zich goed te zijn voor totaal Vijfhonderdduizend EURO (€ 500.000,-) plus rente en kosten.

[…]”

2.4.

Op het exemplaar van de schuldbekentenis die Vahstal Holding in haar bezit heeft, staat onder de handtekening van [A] de tekst “voor toestemming echtgenote:”. Naast deze tekst is een handtekening geplaatst.

2.5.

Op 11 oktober 2004 heeft[B] als directeur van Yixing een op die datum gedateerde “mede-aansprakelijkheidsverklaring” ondertekend (hierna: de mede-aansprakelijkheidsverklaring), waarvan de inhoud – voor zover van belang – als volgt luidt:

“MEDE AANSPRAKELIJKHEIDSVERKLARING

Hierbij verklaart Yixing Dutchman Agriculture Development Co, Ltd gevestigd te China, provincie Jiangsu, gemeente Yixing, hierbij vertegenwoordigd door haar wettelijk bevoegd directeur de heer [B] het hierna volgende: De onderneming Dutchman Co, Ltd stelt zich aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de lening opgemaakt bij overeenkomst d.d. 11 oktober 2004 welke door Vahstal Holding gevestigd […]aan de individuele aandeelhouders op basis van hoofdelijke aansprakelijkheid ten behoeve van benodigd bedrijfskapitaal voor Dutchman Co, Ltd is verleend.

De lening bedraagt € 500.000,- (zegge vijfhonderdduizend euro) […]”

2.6.

Op 19 respectievelijk 29 oktober 2004 heeft Vahstal Holding, conform het bepaalde in de schuldbekentenis, € 350.000,00 respectievelijk € 150.000,00 overgemaakt op de rekening van Pylu B.V., waarvan[B] enig aandeelhouder en directeur is, hierna: “Pylu”. Deze gelden heeft Pylu vervolgens doorgestort naar Yixing.

2.7.

In een procedure bij de rechtbank Arnhem heeft Vahstal Holding het door haar uitgeleende geld van (onder meer) [A] teruggevorderd. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 8 februari 2012 met zaaknummer 194763 HA ZA 10-9 (hierna ook: het vonnis van de rechtbank Arnhem), is (onder meer) [A] hoofdelijk veroordeeld om (onder meer) een bedrag van € 946.497,86 aan Vahstal Holding te betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Vahstal Holding is aangevangen met executie van het vonnis. Bij vonnis van 8 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht een vordering van [eiseres] en [A] tegen Vahstal Holding, strekkende tot schorsing van de executie van het vonnis van de rechtbank Arnhem, afgewezen. [A] heeft intussen ter voldoening aan het vonnis van de rechtbank Arnhem € 50.000,00 aan Vahstal Holding betaald. [A] is tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem (inmiddels: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, met veroordeling van Vahstal Holding in de kosten:

  1. voor recht verklaart dat de schuldbekentenis een overeenkomst als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c BW vormt en/of dat hierop het bepaalde in de artikelen 1:88 en 89 BW van toepassing is, en dat [eiseres] deze schuldbekentenis rechtsgeldig heeft vernietigd bij brief van 3 april 2012, althans deze schuldbekentenis zelf vernietigt;

  2. Vahstal Holding gelast de executie van het vonnis van de rechtbank Arnhem te staken, op straffe van dwangsommen;

  3. Vahstal Holding veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen onverschuldigd aan Vahstal Holding is betaald uit hoofde van de schuldbekentenis.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiseres] de stelling ten grondslag dat – zoals in het sub a. gevorderde ook ligt besloten – de schuldbekentenis vernietigbaar is op voet van artikel 1:88 lid 1 sub c BW en dat zij deze ook heeft vernietigd, en dat daarom executie van het vonnis van de rechtbank Arnhem jegens haar onrechtmatig is geweest en, voor zover die executie wordt voortgezet, zal zijn.

3.3.

Vahstal Holding voert de volgende verweren:

  1. in de schuldbekentenis ligt een overeenkomst van geldlening aan [A] besloten, waarop artikelen 1:88 en 89 BW niet van toepassing zijn;

  2. [A] was ten tijde van de schuldbekentenis bestuurder van Yixing, waarin hij op dat moment samen met zijn medebestuurder[B] meer dan de helft van de aandelen hield, terwijl de lening werd afgesloten ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Yixing, zodat op voet van artikel 1:88 lid 5 BW de schuldbekentenis niet op voet van artikel 1:88 lid 1 sub c BW kan of kon worden vernietigd;

  3. de vordering tot vernietiging was op 3 april 2012 verjaard, zodat de buitengerechtelijke vernietiging van die datum geen effect heeft gesorteerd (artikel 3:52 lid 1 sub d j° lid 2 BW) en de vernietiging ook niet meer kan worden uitgesproken;

  4. [eiseres] heeft toestemming gegeven voor de schuldbekentenis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

toepasselijk recht

4.1.

Partijen gaan in hun stellingen uit van toepasselijkheid van Nederlands recht voor de vraag of de schuldbekentenis wegens het gestelde ontbreken van toestemming van [eiseres] vernietigd of vernietigbaar is. De rechtbank zal hen hierin volgen, nu partijen ook geen feiten hebben aangevoerd die aanleiding geven tot de veronderstelling dat deze vraag aan de hand van een ander rechtsstelsel dient te worden beantwoord (artikel 10:40 BW).

de vorderingen a.-c.

4.2.

De vordering sub a. zal worden afgewezen. Voor zover deze vordering beoogt de vorderingen sub b. en c. te dragen, heeft [eiseres] hierbij geen belang, nu laatstbedoelde vorderingen ook kunnen worden toegewezen, indien daarvoor gronden zijn, zonder toewijzing van de vordering sub a. Voor zover de vordering sub a. ertoe strekt eventuele andere rechtsvorderingen tegen Vahstal Holding te kunnen dragen, geldt dat [eiseres] niet heeft uitgelegd welke dat zijn, en zo ze er zijn, waarom zij deze dan niet aanstonds in de onderhavige procedure heeft ingesteld; ook in zoverre heeft zij daarom geen belang bij haar vordering sub a.

4.3.

De vordering sub b. is eventueel toewijsbaar, voor zover de rechtbank in de onderhavige procedure het beroep van [eiseres] op artikel 1:88 lid 1 sub c BW gegrond mocht oordelen, voor de periode tot het moment waarop het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep van [A] tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem zonder voorbehoud mocht oordelen dat de schuldbekentenis niet op voet van artikel 1:88 lid 1 sub c BW vernietigd of vernietigbaar is. Tot dat moment kan de executie onrechtmatig zijn omdat de vernietiging van de schuldbekentenis pas na het vonnis van de rechtbank Arnhem is ingeroepen, en de rechtbank Arnhem de thans door [eiseres] ingeroepen vernietigingsgrond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW niet in haar beoordeling heeft betrokken.

4.4.

Voor het geval dat, en vanaf het moment waarop, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden evenwel bedoeld oordeel mocht geven, acht de rechtbank executie van het vonnis van de rechtbank Arnhem in beginsel niet (langer) onrechtmatig jegens [eiseres] wegens hetgeen zij aan haar vorderingen in de onderhavige procedure ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe diene dat (de advocaat van) [eiseres] in de onderhavige procedure heeft verklaard dat [A] al hetgeen [eiseres] aan haar vordering in de onderhavige procedure ten grondslag legt, in het bijzonder haar beroep op artikel 1:88 lid 1 sub c BW, ook in die procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan diens grieven ten grondslag heeft gelegd. Daarbij komt dat [eiseres] in de gelegenheid is geweest, of eventueel nog is, om zich in die procedure te voegen aan de zijde van [A] of daarin tussen te komen. Het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over dit onderwerp dient daarom leidend te zijn. Executie in overeenstemming met dat oordeel, voor zover dat aldus ten gunste van Vahstal Holding mocht uitvallen, acht de rechtbank daarom in beginsel niet onrechtmatig jegens [eiseres], zelfs indien de rechtbank dat oordeel niet mocht onderschrijven.

4.5.

Gelet hierop staat het Vahstal Holding vrij om in elke stand van de onderhavige procedure, zolang geen (eind)vonnis is bepaald, zich tot de rechtbank te wenden met de mededeling dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep van [A] tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem een oordeel als hiervoor bedoeld heeft gegeven, onder overlegging, vanzelfsprekend, van een afschrift van de betreffende beslissing.

4.6.

De vordering sub c. zal worden afgewezen, reeds nu [eiseres] niet gerechtigd is tot het vorderen van restitutie van – volgens haar – onverschuldigde betalingen van [A] aan Vahstal Holding.

verweer a.: geldlening aan [A]

4.7.

[eiseres] voert aan dat [A] niet beoogd heeft zelf een lening aan te gaan met Vahstal Holding, doch slechts zich – samen met zijn medeaandeelhouders in Yixing – borg of hoofdelijk medeaansprakelijk te stellen voor een lening van Vahstal Holding aan Yixing. Zij beroept zich daarvoor op de brief van[B], en stelt dat [A] de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om te begrijpen dat de schuldbekentenis van die brief afweek. Dit betoog faalt, omdat uit de brief van[B], evenmin als uit de schuldbekentenis, valt af te leiden dat daarmee een lening aan Yixing wordt beoogd, met de aandeelhouders als (slechts) borgen of (niet draagplichtige) hoofdelijk medeschuldenaren. In tegendeel, in de brief van[B], de schuldbekentenis en de medeaansprakelijkheidsverklaring, is naar objectieve maatstaven slechts een hoofdelijke schuld van de aandeelhouders uit hoofde van geldlening beschreven, met Yixing als borg of garant, onder welke laatste term Vahstal Holding mocht begrijpen: niet-draagplichtig hoofdelijk medeschuldenaar. Voor zover [eiseres] beoogt te stellen dat [A] (ook) dat niet heeft begrepen, baat haar dat niet, omdat dit voor het eigen risico van [A] komt, en daarmee ook dat van [eiseres].

4.8.

Vahstal Holding stelt dat haar geldlening aan (mede) [A] niet onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW valt. De rechtbank volgt haar hierin, voor zover [A] in diens onderlinge verhouding met zijn medeschuldenaren, zoals althans Vahstal Holding die mocht begrijpen, voor die lening draagplichtig is. Uit het hiervoor (4.7) overwogene vloeit voort dat Vahstal Holding ervan mocht uitgaan dat Yixing in haar verhouding tot haar aandeelhouders niet draagplichtig was voor de lening. Verder heeft [eiseres] onweersproken aangevoerd dat [A] voor 20% aandeelhouder was in Yixing, en dat zijn draagplicht voor de lening ten opzichte van zijn medeaandeelhouders – indien voor de aandeelhouders überhaupt draagplicht mocht worden aangenomen, hetgeen blijkens het voorgaande het geval is – op gelijke wijze 20% is. Voor dit deel van de lening (en de daarop vallende rente en kosten) is de schuldbekentenis derhalve niet op voet van artikel 1:88 lid 1 sub c BW vernietigbaar.

4.9.

Het andere deel van de lening/schuldbekentenis, waarvoor [A] dus niet draagplichtig is, valt wel onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar bijvoorbeeld E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, Klaassen-Eggens Huwelijksgoederen- en erfrecht, eerste gedeelte: huwelijksgoederenrecht, Kluwer: Deventer 2005, p. 51-52, C.A. Kraan m.m.v. Q.J. Marck, Het huwelijksvermogensrecht, Boom Juridische uitgevers: Den Haag 2008, p. 50 en A.R. de Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Kluwer: Deventer 2012, p. 82, steeds met verdere verwijzingen.

4.10.

Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat de wetgever heeft beoogd de overeenkomst van geldlening – als zodanig – niet onder het toepassingsbereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW te brengen (vlg. laatstelijk Parl. Gesch. aanpassingen BW, Inv. Boeken 3, 5 en 6, p. 27-28). Evenmin doet hieraan af de omstandigheid dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad artikel 1:88 lid 1 sub c BW een restrictieve interpretatie vergt, en uitsluitend geldt voor de handelingen die in de betreffende bepaling worden genoemd (vlg. HR 29 november 2002, NJ 2003, 152, HR 25 april 2008, NJ 2008, 553 en HR 26 november 2010, NJ 2010, 634). Waarom het in het onderhavige geval gaat is een overeenkomst van geldlening die tevens strekt tot hoofdelijke (mede)aansprakelijkheid. Uit de parlementaire geschiedenis noch de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat in een dergelijk geval toepasselijkheid van artikel 1:88 lid 1 sub c BW uitgesloten moet worden geacht, ondanks dat zonder meer (ook) sprake is van het zich verbinden als hoofdelijk medeschuldenaar, zoals in die bepaling (juist) genoemd. De omstandigheid dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld de overeenkomst van geldlening als zodanig niet onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW te brengen, brengt naar het oordeel van de rechtbank wel mee dat bedoelde bepaling geen toepassing kan vinden voor zover de hoofdelijke aansprakelijkheid betrekking heeft op het aandeel in de schuld waarvoor de schuldenaar in kwestie zelf draagplichtig is (vlg. hiervoor, 4.8), maar dit geldt niet voor het deel waarvoor dit niet geldt (vlg. de hiervoor genoemde auteurs).

4.11.

In het bijzonder doet aan voormeld oordeel ook overigens niet af het hiervoor genoemde HR 29 november 2002, NJ 2003, 152. In die zaak was er in cassatie vergeefs over geklaagd dat het hof had miskend, kort gezegd, dat de geldlening waarvoor de eisers tot cassatie hoofdelijk verbonden waren, in wezen was bestemd voor en economisch kon worden aangemerkt als borgstelling ten behoeve van een derde – geen debiteur onder de lening –, en deze lening daarom ten onrechte niet onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW had gebracht. In die procedure, althans in cassatie, was niet aan de orde de vraag of artikel 1:88 lid 1 sub c BW toepassing moest vinden om reden dat, en voor zover, de hoofdelijke (mede)aansprakelijkheid van de debiteuren van de lening mede betrekking had op hetgeen buiten hun onderlinge draagplicht ten opzichte van elkaar als hoofdelijk medeschuldenaar viel. Deze vraag is in de onderhavige procedure wel aan de orde gesteld en deze beantwoordt de rechtbank, als overwogen, bevestigend.

4.12.

De rechtbank acht eventueel nog denkbaar, vanuit het oogpunt van rechtszekerheid voor de crediteur, het oordeel dat voor de vraag in hoeverre de hoofdelijke aansprakelijkheid van een debiteur van een lening buiten het bereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW valt wordt begrensd door zijn aansprakelijkheid op voet van artikel 6:6 lid 1 BW indien van de hoofdelijkheid wordt geabstraheerd, wanneer dat deel (vlg. artikel 6:6 lid 1 BW in beginsel een deel dat gelijk is aan dat van elke andere debiteur) groter zou zijn dan de draagplicht van deze debiteur. Deze kwestie kan in het onderhavige geval evenwel in het midden blijven omdat naar deze maatstaf het deel dat buiten het bereik van artikel 1:88 lid 1 sub c BW zou vallen, kleiner zou zijn dan (wanneer Yixing naast[B] c.s. als debiteur zou worden meegerekend) dan wel gelijk zou zijn aan de draagplicht van [A] (wanneer Yixing niet zou worden meegeteld).

verweer b.: uitzondering artikel 1:88 lid 5 BW

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank leent artikel 1:88 lid 5 BW zich voor toepassing met betrekking tot een buitenlandse rechtspersoon, indien deze zich in genoegzame mate met een Nederlandse besloten of naamloze vennootschap laat vergelijken. Dat dit laatste met betrekking tot Yixing – een Chinese vennootschap – niet aan de orde zou zijn, is gesteld noch gebleken. Verder geldt dat [eiseres] niet heeft betwist dat de door Vahstal Holding verschafte lening was bestemd voor en is aangewend ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van Yixing. Ook staat vast dat ten minste[B] bestuurder was van Yixing, en dat [A] samen met[B] de meerderheid van de aandelen hield. Indien dus [A] op het moment van sluiten van de schuldbekentenis (mede)bestuurder was van Yixing, stuit de vernietiging van [eiseres] af op artikel 1:88 lid 5 BW.

4.14.

[eiseres] betwist dat [A] op het moment van het sluiten van de schuldbekentenis, (mede)bestuurder was van Yixing. Ter onderbouwing van deze betwisting heeft zij aangeboden een uittreksel uit het Chinese handelsregister met betrekking tot Yixing, en een beëdigde vertaling daarvan, in het geding te brengen. De rechtbank zal haar hiertoe in de gelegenheid stellen.

verweer c.: verjaring

4.15.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij eerst op 8 februari 2012 bekend is geworden met het bestaan van de geldlening/schuldbekentenis, zodat op 3 april 2012 de vordering tot vernietiging daarvan nog niet was verjaard.

4.16.

De rechtbank zal Vahstal Holding bewijs opdragen van haar stelling dat [eiseres] reeds meer dan drie jaar vóór 3 april 2012 met het bestaan van de geldlening/schuldbekentenis, en de daarin opgenomen hoofdelijkheid, bekend was. Aan een geslaagd beroep op verjaring mag naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet de eis worden gesteld dat [eiseres] vóór 3 april 2009 daadwerkelijk bekend was met het ontbreken van (volledige) draagplicht van [A] voor de lening. Voldoende is dat [eiseres] bekend was met hoofdelijke aansprakelijkheid van [A], samen met één of meer andere debiteuren. Bij gebreke van indicaties van het tegendeel, had zij er dan niet vanuit mogen gaan dat [A] voor het geheel draagplichtig zou zijn.

verweer d.: toestemming reeds gegeven

4.17.

[eiseres] betwist de echtheid van de bij haar naam in de schuldbekentenis geplaatste handtekening. De rechtbank zal Vahstal Holding van de door haar gestelde echtheid van die handtekening, het bewijs opdragen.

verder verloop van de procedure

4.18.

Indien Vahstal Holding het aan haar op te dragen bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien zij het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

draagt Vahstal Holding op om te bewijzen:

  1. dat [eiseres] vóór 3 april 2009 bekend was met de lening van Vahstal Holding aan (onder meer) [A] en de daarin opgenomen hoofdelijke aansprakelijkheid van [A];

  2. dat de op de schuldbekentenis bij de naam van [eiseres] geplaatste handtekening echt is;

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 18 september 2013 teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen om bij akte het in 4.11 bedoelde uittreksel en een beëdigde vertaling daarvan in het Nederlands, in het geding te brengen;

5.3.

bepaalt dat Vahstal Holding op de rolzitting van twee weken nadien bij akte daarop mag reageren, waarbij zij tevens moet mededelen op welke wijze zij bewijs wil leveren ter zake van het hiervoor in 5.1 vermelde;

5.4.

bepaalt dat, indien Vahstal Holding (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.5.

bepaalt dat, indien Vahstal Holding bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.6.

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien Vahstal Holding geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

5.7.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.