Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3633

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
UTR 13-3327 en UTR 13-2987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanvraag ziet op een rijksbeschermd monument. In geding is de vraag welke procedure van toepassing is: de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Als uitgangspunt dient te gelden de reguliere procedure, ook als het gaat om een aanvraag die betrekking heeft op een beschermd monument. Verweerder heeft niet tijdig, binnen acht weken, op aanvraag beslist. Vergunning is derhalve van rechtswege verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 13/3327 en UTR 13/2987

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. G.N. Sloote).

Procesverloop

Eiser heeft op 7 juni 2013 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig bekend maken van een beslissing van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 28 december 2012.

Eiser heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, [A], [B] en [C]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.

Eiser heeft op 28 december 2012 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het verbouwen en restaureren van het pand aan de [adres] te [adres] (het perceel), inclusief het bouwen van een serre en dakterrassen, ten behoeve van het splitsen in een winkel en zes appartementen. Het perceel betreft een rijksbeschermd monument.

Bij brief van 31 december 2012 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag bevestigd en onder meer meegedeeld dat de aanvraag vooralsnog op basis van de reguliere procedure wordt behandeld.

Bij brief van 22 januari 2013 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de aanvraag niet volledig is en dat de ontbrekende gegevens, zoals genoemd in de bijlage van die brief, uiterlijk vier weken na verzending van de brief in het bezit van verweerder dienden te zijn. Verweerder heeft daarbij voorts meegedeeld dat de termijn waarbinnen op de aanvraag om omgevingsvergunning moet worden beslist met toepassing van artikel 4:15 van de Awb wordt opgeschort met ingang van de verzenddatum van de brief, te weten 22 januari 2013, tot de dag waarop alle opgevraagde gegevens zijn ontvangen. Eiser is daarbij tevens gewezen op de mogelijkheid dat verweerder de aanvraag niet in behandeling neemt indien de gevraagde gegevens niet binnen de termijn zijn ontvangen. Op 22 februari 2013 heeft eiser de gevraagde gegevens aan verweerder toegezonden.

3.

Nadien is er tussen eiser en vertegenwoordigers van de gemeente Utrecht diverse malen (mail)contact geweest over nadere aan te leveren gegevens ten behoeve van het bouwplan. Dat heeft er onder meer toe geleid dat eiser op 21 maart 2013 aan verweerder te kennen heeft gegeven dat hij de aanvraag voor zover die ziet op het bouwen van een serre niet langer wenst te handhaven. Eiser heeft verder nog de door verweerder gevraagde gegevens opgestuurd. Op 3 mei 2013 heeft eiser verweerder de werkomschrijving van de restauratie/verbouwing doen toekomen.

4.

Bij brief van 22 mei 2013 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat de termijn waarbinnen op de aanvraag moest worden beslist inmiddels is verstreken, zodat sprake is van een vergunning van rechtswege. Eiser heeft verweerder daarbij verzocht de beschikking bekend te maken, bij gebreke waarvan eiser aanspraak maakt op een dwangsom.

5.

Bij brief van 24 mei 2013 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de aanvraag voldoet aan de gestelde voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Eiser is daarbij tevens meegedeeld dat voor de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt, hetgeen betekent dat verweerder uiterlijk
7 oktober 2013 op de aanvraag een beslissing moet nemen.

Bij brief van 30 mei 2013 heeft verweerder zich gewend tot de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed met het verzoek van advies te dienen over de door eiser ingediende aanvraag om omgevingsvergunning. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat de betreffende activiteit valt onder het gestelde in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

6.

Eiser heeft op 7 juni 2013 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig bekend maken van een beslissing van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 28 december 2012. Eiser heeft daarbij - kort samengevat - aangevoerd dat voor de aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure geldt en dat de beslistermijn daarvoor ruim is verstreken. Eiser is dan ook van mening dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

Met betrekking tot het beroep

7.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo is § 3.2 (de reguliere voorbereidingsprocedure) van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij § 3.3 (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo kan het bevoegde gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.

Ingevolge artikel 3.9, derde lid, van de Wabo is § 4.1.3.3 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb, behorend tot § 4.1.3.3 van de Awb, is de gevraagde beschikking van rechtswege verleend, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, voor zover voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde lid, een adviseur is aangewezen.

Ingevolge artikel 2.26, derde lid, van de Wabo stelt het bevoegd gezag de bij algemene maatregel van bestuur en, in gevallen als bedoeld in artikel 2.2, de bij de betrokken verordening aangewezen bestuursorganen of andere instanties in gevallen die behoren tot een bij die maatregel, onderscheidenlijk verordening aangewezen categorie in de gelegenheid hem advies uit te brengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, van het Bor worden met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, als adviseurs aangewezen:

a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien de activiteit betrekking heeft op:

1º het slopen van een beschermd monument of een deel daarvan voor zover van ingrijpende aard;

2º het ingrijpend wijzigen van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het beschermde monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld onder 1º;

3º het reconstrueren van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van dat monument, of

4º het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan.

8.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het perceel een rijksbeschermd monument is. Ook de voorzieningenrechter is dat oordeel toegedaan. Partijen verschillen met name van mening of in dit geval de reguliere voorbereidingsprocedure geldt dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de vraag of de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet van rechtswege is verleend. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9.

Uitgangspunt is dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. Dit is bepaald in artikel 3.7, van de Wabo.

10.

In het eerste lid van artikel 3.10 van de Wabo wordt limitatief, en dwingend, bepaald voor welke activiteiten de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. Die procedure geldt onder meer als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wabo, zij het met de restrictie dat dit uitsluitend geldt ingeval door het bevoegd gezag een adviseur is aangewezen. Uit artikel 6.4 van het Bor volgt dat een adviseur wordt aangewezen ingeval sprake is van substantiële ingrepen aan het beschermd monument.

11.

Nu als uitgangspunt dient te gelden dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is bij een aanvraag om een omgevingsvergunning - in beginsel ook als het gaat om een aanvraag die betrekking heeft op een beschermd monument - stelt de voorzieningenrechter vast dat de beslistermijn in dit geval is begonnen op 28 december 2012, zijnde de datum waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend.

Bij brief van 22 januari 2013 heeft verweerder de beslistermijn opgeschort tot ontbrekende gegevens van eiser waren ontvangen. Op dat moment (22 januari 2013) waren dus reeds drie weken en drie dagen van de beslistermijn verstreken.

Eiser heeft op 22 februari 2013 de door verweerder gevraagde gegevens verstrekt, zodat moet worden geoordeeld dat de beslistermijn is opgeschort gedurende de periode van 22 januari 2013 tot 22 februari 2013. Dit betekent dat de beslistermijn vanaf laatstgenoemde datum weer is gaan lopen.

Gelet op de in artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo genoemde en voor de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn van acht weken, moet worden geoordeeld dat verweerder uiterlijk 26 maart 2013 een beslissing had moeten nemen op de door eiser ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter stelt vast, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat verweerder tot op heden nog geen beslissing op genoemde aanvraag heeft genomen. Geoordeeld moet dan ook worden dat verweerder niet tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van acht weken, op de aanvraag heeft beslist. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder de beslistermijn ook niet tijdig heeft verlengd. Dit heeft tot gevolg dat de gevraagde vergunning met toepassing van artikel 3.9, derde lid, van de Wabo in samenhang met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb van rechtswege is verleend.

12.

Aan vorenstaande kan niet afdoen wat door verweerder is aangevoerd. Met name het door verweerder gestelde dat van meet af aan duidelijk was dat het hier ging om activiteiten van ingrijpende aard aan een beschermd monument en dat derhalve duidelijk was dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure gold, kan de voorzieningenrechter niet tot een andersluidend oordeel leiden. Afgezien van het feit dat partijen daarover uitdrukkelijk van mening verschillen en het daarom kennelijk niet zo evident is dat het hier gaat om activiteiten van ingrijpende aard aan een beschermd monument, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder daarmee de systematiek miskent die geldt ter bepaling van de te volgen voorbereidingsprocedure.

Zoals hiervoor al is overwogen, geldt als hoofdregel dat beslissingen op een aanvraag om omgevingsvergunning worden voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Dit betekent dat verweerder tijdig (in ieder geval voor afloop van de in de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn) zal moeten bezien welke procedure van toepassing is indien hij een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangt.

Weliswaar bepaalt artikel 3.10, eerste lid, onder d, van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, maar daar is de voorwaarde aan verbonden dat voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde lid, van de Wabo, een adviseur is aangewezen.

In dit geval heeft verweerder echter eerst op 30 mei 2013 een adviseur aangewezen, derhalve geruime tijd na het verstrijken van de voor de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn van acht weken. Door deze adviseur eerst na deze termijn aan te wijzen, heeft verweerder niet tijdig aangegeven dat in dit geval, zulks in afwijking van het in artikel 3.7 van de Wabo neergelegde uitgangspunt, de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder die mogelijkheid op dat moment niet meer had en acht dat ook niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever om tijdige besluitvorming door het bevoegde gezag te bevorderen.

13.

Ook het standpunt van verweerder dat uit pragmatisch oogpunt is besloten om de termijn voor het indienen van nadere stukken steeds te verlengen, kan de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel leiden. Wanneer verweerder na ontvangst van de nadere stukken op
22 februari 2013 van mening was dat hij nog steeds onvoldoende gegevens had om de aanvraag te beoordelen, had hij de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. Dit heeft hij niet gedaan. Dat verweerder eiser toch nog in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag nader aan te vullen, uit coulance zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, maakt niet dat de beslistermijn hierdoor telkens (verder) werd opgeschort. De voorzieningenrechter deelt dan ook niet het standpunt van verweerder dat de beslistermijn was opgeschort tot
3 mei 2013, de datum waarop de werkbeschrijving door eiser aan verweerder is toegezonden. De enkele omstandigheid dat verweerder van mening was dat nadere stukken nodig waren om tot een juiste beoordeling te kunnen komen van de ingediende aanvraag, behoefde verweerder verder niet te weerhouden om tijdig een adviseur aan te wijzen. Dit geldt temeer, nu verweerder ter zitting heeft aangevoerd dat van meet af aan duidelijk was dat hier de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd diende te worden. Bovendien had verweerder de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, van welke mogelijkheid hij echter geen gebruik heeft gemaakt.

14.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat de aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Het beroep dient om die reden dan ook gegrond te worden verklaard.

15.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op het door eiser ingediende verzoek, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in gebreke is de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken. De vergunning is immers op 27 maart 2013 van rechtswege verleend en niet binnen twee weken bekendgemaakt. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat eiser verweerder op 22 mei 2013 in gebreke heeft gesteld en dat daarna meer dan twee weken zijn verstreken voordat eiser het beroepschrift heeft ingediend.

Nu verweerder ook nadat twee weken zijn verstreken na de ingebrekestelling de van rechtswege gegeven vergunning niet heeft bekendgemaakt, heeft hij een dwangsom verbeurd. Nu verweerder de vergunning tot op heden niet heeft bekendgemaakt wordt de verschuldigde dwangsom op grond van artikel 4:20d van de Awb, in samenhang met 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb vastgesteld op € 1.260,-.

16.

Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter, nu het beroep gegrond is en de van rechtswege verleende vergunning nog niet is bekendgemaakt, op grond van artikel 8:55f, tweede lid, in samenhang met artikel 8:55d, eerste lid en tweede lid, van de Awb dat verweerder binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog de van rechtswege verleende vergunning bekendmaakt en verbindt de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,-- per dag, tot een maximum van € 15.000,-.

17.

Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wabo treedt een beschikking in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.

Ingevolge artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo wordt de werking van een van rechtswege verleende vergunning opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen.

18.

Eiser heeft de voorzieningenrechter in deze zaak verzocht om de opschorting van de inwerkingtreding van de vergunning op te heffen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit verzoek te honoreren. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting en in de brief van 2 augustus 2013 te kennen heeft gegeven uiterlijk 16 september 2013 een beslissing te nemen op de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning. In geval van een begunstigende beschikking, zou dat betekenen dat deze beschikking op 17 september 2013 in werking zou treden. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat eiser door opschorting van de inwerkingtreding van de rechtswege verleende vergunning onevenredig nadeel zal lijden, zodat opheffing van die opschorting is aangewezen.

19.

Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Met betrekking tot het verzoek om een voorlopige voorziening:

20.

Gelet op de beslissing van de voorzieningenrechter in het beroep, is het treffen van een voorlopige voorziening in deze zaak niet vereist, zodat het verzoek wordt afgewezen. Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep

- verklaart het beroep gegrond,

- draagt verweerder op om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen bekend te maken dat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend aan eiser,

- heft de opschorting van de inwerkingtreding van de van rechtswege verleende vergunning op,

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,-,

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig bekendmaken van de van rechtswege verleende vergunning een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,- aan hem vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding ten bedrage van € 944,-.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af,

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.