Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3559

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
2096493 UV EXPL 13-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Instructierecht werkgever. Bedrijfskleding: broek of rok? Werkneemster draagt rok, die zij heeft gemaakt van een door de werkgever verstrekte broek. Na enkele maanden dragen van de rok volgt schorsing en loonstop. Vordering tot doorbetaling loon toewijsbaar. Er is geen rechtsgrond. Daarnaast vordering tot wedertewerkstelling in de door werknemer tot rok vermaakte broek toegewezen. De door de werkneemster gedragen rok geeft geen reden om aan te nemen dat de door de werkgever nagestreefde zakelijke, uniforme en professionele uitstraling van de bedrijfskleding wordt verstoord. De rok is van dezelfde stof en daarmee in dezelfde kleuren die de bedrijfskleding heeft en is voorzien van het bedrijfslogo van werkgever, dat op dezelfde plaats zit als dat in de broek. Werkgever heeft het dragen van de broek langere tijd laten gebeuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/272
RAR 2014/6
AR-Updates.nl 2013-0662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2096493 UV EXPL 13-262 GS/4067

Kort geding vonnis van 10 juli 2013

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

(WRB-nr. [nummer]),

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. S. van Steenwijk, advocaat te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BIGA Groep B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zeist,

verder ook te noemen Biga,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. I.M. Speel, juridisch adviseur, Vijverberg Juristen te Zoetermeer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van Biga.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Biga voert voor vijf gemeenten de Wet Sociale Werkvoorziening uit. Doelstelling van deze wet is het begeleiden van medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt naar passend werk. Naast medewerkers met een zogenaamde SW-indicatie heeft Biga ook reguliere arbeidskrachten in dienst.

2.2.

[eiseres] is op 1 september 2011 als reguliere arbeidskracht voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Biga, aanvankelijk voor 25 uur per week, vanaf medio juni 2012 op basis van 36 uur per week, in de functie van schoonmaker werkzaam bij de afdeling Schoonmaak. Haar laatstgenoten salaris bedraagt € 1.703,00 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

[eiseres] verricht schoonmaakwerkzaamheden in het gebouw van het RIVM te Bilthoven en het gemeentehuis te Driebergen.

2.3.

Op de onderhavige arbeidsovereenkomst is de CAO Biga Groep B.V. van toepassing.

2.4.

Aan [eiseres] is door Biga de Gedragscode uitgereikt, een boekje met door Biga opgestelde regels en voorschriften. Deze Gedragscode vermeld bij Persoonlijke verzorging onder meer: ”(…) Zorg voor gepaste werkkleding (bijv. geen strandkleding). Als Biga Groep BV/SWZ je werkkleding heeft verstrekt voor de uitoefening van je werk, moet je die dragen.”

2.5.

Op 6 oktober 2011 heeft Biga aan [eiseres] vier polo’s safran en drie polo’s sweather als bedrijfskleding uitgereikt. In aanvulling daarop zijn op 10 april 2012 een tweetal broeken aan [eiseres] uitgereikt.

2.6.

[eiseres] heeft in september 2012 een van de aan haar uitgereikte broeken vermaakt tot rok.

2.7.

Op 20 oktober 2012 heeft tussen [eiseres] en haar leidinggevende (teamleider), de heer [A], een gesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek is door de leidinggevende van [eiseres] een Individueel Ontwikkelingsplan (IOP) opgesteld waarbij tevens verslag is gedaan van het functioneren van [eiseres].

2.7.

Aan [eiseres] zijn op 4 april 2013 nogmaals een tweetal broeken als aanvulling op het kledingpakket uitgereikt.

2.8.

In de tweede week van april 2013 is [eiseres] door de teamleider aangesproken op het dragen van de rok. Daarna is hierover op 22 april 2013 door de teamleider en de P&O adviseur, mevrouw [B], met [eiseres] gesproken.

Naar aanleiding van het gesprek van 22 april 2013 heeft Biga aan [eiseres] bij brief van 2 mei 2013 onder andere het volgende geschreven:

”(…) In dit gesprek is gesproken over de verplichting van het dragen van bedrijfskleding conform de Gedragscode van de Biga Groep. U hebt een aantal maanden geleden op eigen initiatief en zonder toestemming van Biga Groep de door ons aan u verstrekte broek vermaakt tot een rok. Wij hebben u aangegeven dat de medewerkers van de schoonmaak verplicht zijn om de verstrekte bedrijfskleding te dragen. Een rok behoort vooralsnog niet tot het kledingpakket van Biga Groep.

Op vrijdag 26 april jl. hebben wij met u de afspraak gemaakt dat u bereid bent zich te conformeren om de door ons beschikbaar gestelde bedrijfskleding te dragen.

Deze week is door uw teamleider geconstateerd dat u nog steeds een rok draagt op het werk. Wij verzoeken u dan ook dringend onze gemaakte afspraken na te komen. Indien u onverhoopt toch in een rok op het werk verschijnt, zult u door uw teamleider, voor eigen rekening, naar huis worden gestuurd om alsnog aan de bedrijfskledingvoorschriften te voldoen.(…)”

2.9.

Op 13 mei 2013 is [eiseres] wederom door de teamleider op het dragen van de rok aangesproken. Daarna hebben de teamleider en de P&O adviseur [C] achtereenvolgens op 14 en 15 mei 2013 een gesprek met [eiseres] gehad.

2.10.

[eiseres] is op 3 juni 2013 in de door haar vermaakte rok op het werk verschenen. Zij is toen door de teamleider naar huis gestuurd.


2.11. Een brief van Biga, gedateerd 3 juni 2013 en gericht aan [eiseres], houdt onder andere in:

”(…) Deze ochtend, maandag 3 juni 2013, is gebleken dat u zich nog steeds niet heeft geconformeerd aan het dragen van de door Biga Groep beschikbaar gestelde bedrijfskleding.

De afgelopen tijd zijn hierover met u diverse gesprekken gevoerd. U dient op het werk te verschijnen in een broek en niet in de door u zelf gefabriceerde rok.

U bent deze ochtend door uw teamleider (…) naar huis gestuurd omdat u niet voldoet aan de regels die wij hebben gesteld met betrekking tot de bedrijfskleding. Wij sommeren u zich te conformeren aan de regels die binnen Biga Groep gelden met betrekking tot het dragen van de door ons beschikbaar gestelde bedrijfskleding, zoals opgenomen in de gedragscode die u bij indiensttreding hebt ontvangen. (…)

Zo lang u weigert om de door ons beschikbare bedrijfskleding te dragen (broek en polo) zullen wij u bij constatering naar huis sturen en de loondoorbetaling stoppen, zoals deze ochtend gebeurd is.

Indien u zich niet wens te conformeren aan het dragen van de beschikbaar gestelde bedrijfskleding zijn wij nog steeds bereid om met u van gedachten te wisselen over beëindigen van het dienstverband met wederzijds goedvinden. (…)”

2.12.

Biga heeft vanaf 1 juni 2013 het loon niet betaald.

2.13.

[eiseres] heeft zich bij (aangetekende) brief van haar gemachtigde van 10 juni 2013 zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - kort gezegd - de veroordeling van Biga, bij wege van voorlopige voorziening, tot:
- betaling aan [eiseres] van haar salaris, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 1 juni 2013;

- toelating van [eiseres], binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, tot haar werk

om de met haar overeengekomen werkzaamheden te verrichten, waarbij het haar wordt toegestaan de door haar zelf tot rok vermaakte broek te dragen totdat ofwel een broekrok beschikbaar is dan wel door Biga rokken ter beschikking worden gesteld op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per (gedeelte van een) dag, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;
met veroordeling van Biga in de kosten van de procedure.

3.1.1.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [eiseres] - zakelijk weergegeven - dat zij voldoet aan de instructie van Biga tot het dragen van de ter beschikking gestelde bedrijfskleding. Zij is van mening dat de door haar tot rok vermaakte broek geen ingrijpend verschil maakt voor wat betreft imago en uitstraling van Biga via de kleding. De rok heeft immers hetzelfde logo en dezelfde kleur als de broek. Daarbij is de rok representatief, hangt tot over de knie en is flexibel in beweging en daarom praktisch in gebruik, aldus [eiseres]. [eiseres] stelt dat Biga onder deze omstandigheden niet gerechtigd is tot inhouding van haar salaris. Zij is door Biga naar huis gestuurd terwijl zij wil werken. Er is dan ook sprake van een schorsing of op non-actiefstelling die voor rekening van de werkgever komt. Daarbij komt dat Biga door de loonbetaling te schorsen niet alleen handelt in strijd met de wet, maar eveneens handelt in strijd met haar eigen bedrijfscao. Op grond van die cao wordt het salaris bij schorsing en op non-actiefstelling in beginsel gewoon doorbetaald. In het geval van een disciplinaire maatregel moet sprake zijn van een ernstige misdraging en zelfs dan wordt steeds een gedeelte van het salaris niet uitbetaald. Van een ernstige misdraging of disciplinaire straf is echter geen sprake. Biga gedraagt zich dan ook niet als een goed werkgever, aldus [eiseres].
Voorts stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de gedragscode niet heeft te gelden als een stelsel van verplichtende regels, maar meer moet worden gezien als een beroep op het personeel om zich correct te gedragen en zich verzorgd te kleden. [eiseres] stelt dat zij daar aan voldoet. Daarnaast betwist [eiseres] dat met het dragen van de rok de veiligheid niet in het geding is.
stelt dat zij vanaf 3 juni 2013 zonder inkomen zit en zij meent dan ook een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen te hebben.

3.1.2.

Op hetgeen [eiseres] verder naar voren heeft gebracht zal hierna voor zover nodig worden teruggekomen.

3.2.

Biga heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Biga voert aan dat zij op grond van artikel 7:660 BW alsmede op grond van de arbeidsovereenkomst en de cao bevoegd is medewerkers instructies te geven. Deze instructiebevoegdheid heeft ook betrekking op het dragen van bedrijfskleding. In de gedragscode is bepaald dat medewerkers de door Biga verstrekte bedrijfskleding dienen te dragen. De gedragscode behelst regels en voorschriften waaraan medewerkers zich dienen te houden. De voorschriften zijn met het oog op de SW-medewerkers eenvoudig omschreven. Biga betwist dat [eiseres] de bedrijfskleding conform de gedragscode draagt. Uit de betreffende bepaling kan immers niet worden begrepen dat het is toegestaan om van de ter beschikking gestelde bedrijfskleding andere kledingstukken te maken. Biga voert aan dat zij en haar opdrachtgevers er aan hechten dat de medewerkers op de locatie waar zij werkzaam zijn herkenbaar zijn en een zelfde representatieve en professionele uitstraling hebben. Gelet op de aard van de werkzaamheden is gekozen voor praktische, beschermende en makkelijk draagbare kleding. Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke medewerkers. Biga voert verder aan dat, gegeven haar doelstelling en gelet op de medewerkers met een SW-indicatie, het van belang is dat zij de medewerkers structuur biedt en dat sprake is van eenduidige regelgeving. Daarom kan geen onderscheid tussen reguliere en SW-medewerkers worden gemaakt. Daarbij komt dat de reguliere arbeidskrachten zoals [eiseres] een belangrijke voorbeeldfunctie voor SW-medewerkers hebben, aldus Biga.
Voorts heeft Biga aangevoerd dat [eiseres] nimmer heeft gezegd geen broeken te dragen. [eiseres] is herhaaldelijk aangesproken op het dragen van een rok op het werk. Dat is niet alleen gebeurd toen zij in de nazomer van 2012 in een rok op het werk verscheen, maar ook tijdens het gesprek van 20 oktober 2012. Daarnaast is ook in het werkoverleg van 27 november 2012 wederom besproken dat de medewerkers de verstrekte bedrijfskleding dienen te dragen. Ondanks alle gesprekken die ook daarna met [eiseres] zijn gevoerd verschijnt zij op 3 juni 2013 met een rok op het werk. Aan haar is toen duidelijk gemaakt dat zij niet voldoet aan de instructies van de werkgever. Zij is daarom naar huis gestuurd met de mededeling dat zij tot het werk wordt toegelaten wanneer zij de ter beschikking gestelde bedrijfskleding draagt en dat tot die tijd de loondoorbetaling wordt stopgezet.

3.2.1.

Op dit verweer en hetgeen Biga verder heeft aangevoerd zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid van de zaak is gegeven met de aard van de vordering.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiseres] wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.

Beoordeeld dient dus te worden is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres] ten onrechte is geschorst dan wel op non-actief is gesteld en dat zij moet weer te werk moet worden gesteld waarbij het haar wordt toegestaan de door haar tot rok vermaakte broek te dragen.

4.3.

Uit de inhoud van de brief van Biga aan [eiseres] van 3 juni 2013 volgt dat [eiseres] door Biga op non-actief is gesteld voor de duur van haar weigering tot het dragen van de door Biga beschikbaar gestelde bedrijfskleding. Vast staat dat [eiseres] bereid is de bedongen arbeid te verrichten. Onder deze omstandigheden komt een schorsing of een op non-actiefstelling, los van de vraag of [eiseres] aanleiding zou hebben gegeven voor deze op non-actiefstelling, altijd voor rekening van de werkgever (HR 21 maart 2003, LJN AF0175). Op grond van het bepaalde in artikel 7:628 lid 1 BW is de vordering tot doorbetaling van het loon dan ook toewijsbaar. De oorzaak dat [eiseres] de overeengekomen arbeid niet kan verrichten behoort immers in redelijkheid voor rekening van Biga te komen. Derhalve zal het verweer op dit punt worden verworpen.

4.4.

De gevorderde wettelijke verhoging wordt voorlopig (bij wege van matiging) gesteld op een percentage van 25% van bovengenoemd bedrag, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. De wettelijke verhoging wordt toegekend over de periode van verschuldigdheid van het loon tot de datum van het wijzen van het onderhavige vonnis.

4.5.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de ook vordering tot betaling van rente zal worden toegewezen. Deze rente zal worden toegewezen vanaf de data van de respectievelijke opeisbaarheid van de betreffende (salaris)bedragen tot de dag van algehele voldoening.

4.6.

Ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde wedertewerkstelling waarbij het haar wordt toegestaan de door haar zelf tot rok vermaakte broek te dragen wordt het volgende overwogen.

4.6.1.

Op grond van het instructierecht van de werkgever dat is geregeld in artikel 7:660 BW heeft als uitgangspunt te gelden dat Biga in beginsel gerechtigd is voorschriften te geven met betrekking tot onder andere de door het personeel tijdens het werk te dragen kleding. De bevoegdheid van Biga om aan het personeel eisen te stellen ten aanzien van kleding vindt haar grens in de eisen van redelijkheid.

4.6.2.

Vaststaat dat [eiseres] in de nazomer 2012 in een rok op het werk is verschenen. Dat [eiseres] hierover eerder dan medio april 2013 door Biga is aangesproken is onvoldoende aannemelijk geworden. Uit het gespreksverslag van het gesprek van 20 oktober 2012 blijkt immers niet dat over bedrijfskleding in het algemeen en de door Biga gedragen rok in het bijzonder is gesproken. Was dit wel het geval geweest, hetgeen Biga aanvoert, dan had het voor de hand gelegen dat dit punt juist in dit verslag zou zijn opgenomen. Pas uit de brief van Biga van 2 mei 2013 blijkt dat met Biga is gesproken over de door haar gedragen rok. Het moet er daarom vooralsnog voor worden gehouden dat Biga kennelijk in eerste instantie de door [eiseres] gedragen rok heeft gedoogd.

4.6.3.

Biga heeft in deze procedure het standpunt ingenomen dat zij er belang aan hecht dat de medewerkers herkenbaar zijn en een zelfde representatieve en professionele uitstraling hebben. Ook heeft zij aangevoerd dat niet kan worden afgeweken van de regel dat door haar ter beschikking gestelde bedrijfskleding gedragen moet worden. Dat is van belang omdat de SW-medewerkers een duidelijke structuur en eenduidige regelgeving nodig hebben, waarbij tussen de reguliere- en SW-medewerkers geen onderscheid kan worden gemaakt. In de hiervoor aangehaalde brief van 2 mei 2013 wijst Biga alleen op de verplichting om de verstrekte bedrijfskleding te dragen en deelt zij mee dat een rok niet tot het kledingpakket behoort. Verder blijkt uit de niet-geautoriseerde gespreksverslagen van 14 en 15 mei 2013, welke overigens pas op 30 mei 2013 zijn opgesteld, dat [eiseres] door Biga toen als reden voor haar weigering om [eiseres] toe te staan de rok te dragen is voorgehouden dat Biga geen precedentwerking wil en dat [eiseres] de voorgeschreven bedrijfskleding dient te dragen. Vervolgens worden ook in de brief van Biga van 3 juni 2013 geen andere redenen vermeld dan dat [eiseres] conform de regels zoals opgenomen in de gedragscode in de door Biga versterkte broek op het werk dient te verschijnen.

4.6.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter doet de betreffende rok, die door [eiseres] evenals een van de aan haar verstrekte broeken ter zitting is getoond, qua representativiteit niet onder voor de broek. Rok en broek zijn van dezelfde stof. De zakken van de broek en het op de broek aangebrachte logo zitten bij de rok op dezelfde plaats als bij de broek. De rok valt tot net iets over de knie. Verder is de stelling van Biga dat een rok niet praktisch zou zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt. Evenmin doet de betreffende rok af aan de herkenbaarheid van de medewerkers van Biga en haar organisatie. Dat de betreffende rok de door Biga nagestreefde zakelijke, uniforme en professionele uitstraling van de bedrijfskleding verstoort, zoals door Biga is aangevoerd, kan dan ook naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voor deze rok niet gelden, nu die rok de kleuren van de bedrijfskleding heeft en van die kleding is gemaakt en is voorzien van het bedrijfslogo van Biga.
Voorts heeft Biga onvoldoende aannemelijk gemaakt op welke wijze haar belang dat zij heeft ten aanzien van de SW-medewerkers bij het bieden van structuur en eenduidige regelgeving met het dragen van de betreffende rok door [eiseres] wordt doorkruist.

4.6.5.

Op grond van het vorenoverwogene is het aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiseres] ten onrechte is geschorst dan wel op non-actief is gesteld en dat zij zal moeten worden toegelaten tot haar (eigen) werkzaamheden waarbij Biga haar toestaat daarbij de betreffende rok te dragen.

4.6.6.

Het vorenstaande leidt er toe dat ook de door [eiseres] gevorderde wedertewerkstelling in de door haar tot rok vermaakte broek zal worden toegewezen. De daarbij gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 500,00 per (gedeelte van een) dag en worden gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,00.

4.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Biga worden veroordeeld in de proceskosten.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- in debet gestelde explootkosten €  77,87 (Gerechtsdeurwaarder J.J.

Sikkema te Hilversum)

- betaalde explootkosten €  25,96

- salaris gemachtigde € 400,00 ( 2 punten x tarief € 200,00)

- griffierecht €  75,00

Totaal € 578,83


Aangezien aan [eiseres] een toevoeging is verleend dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Utrecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:


5.1. veroordeelt Biga om aan [eiseres] te betalen haar salaris vanaf 1 juni 2013, vermeerderd met emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid van de betreffende (salaris)bedragen tot de dag der voldoening en met de wettelijke verhoging van 25% over de periode van de verschuldigdheid van het loon tot heden;

5.2.

veroordeelt Biga om [eiseres] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis in staat te stellen de werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te hervatten, waarbij het haar wordt toegestaan de door haar zelf tot rok vermaakte broek te dragen totdat er ofwel een broekrok beschikbaar is dan wel door Biga rokken ter beschikking worden gesteld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per (gedeelte van een) dag met een maximum van € 10.000,00 aan te verbeuren dwangsommen in totaal;

5.3.

veroordeelt Biga tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 578,83, waarvan een bedrag van € 77,87 te voldoen aan de griffier nadat Biga een nota van de rechtbank daarvoor heeft gekregen

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2013.