Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2013
Datum publicatie
02-09-2013
Zaaknummer
845039
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst. Eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarde, te weten het maandsalaris na reorganisatie en boventalligverklaring. Toepassing criterium HR 11 juli 2008, NJ 2011/185, Stoof/Mammoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

zittinghoudende te Utrecht

zaaknummer: 845039 UC EXPL 12-19383 AK5261

Vonnis van 28 augustus 2013

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. K. Lamers,

tegen:

de besloten vennootschap

Arbo Unie B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Arbo Unie,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.A. Boontje.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 maart 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 juli 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is in 1991 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van Arbo Unie, te weten de stichting Stichting SOAN.

2.2.

Op 1 december 1998 is tussen partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd, waarbij [eiser] in dienst trad in de functie van bureaumanager/arbeidsconsulent, salarisschaal 13, functiejaar 11. Het salaris bedroeg

fl 6.799,00 bruto per maand bij een fulltime dienstverband plus een persoonlijke toelage van fl 1.374,38 bruto ter compensatie van het lagere bruto maandsalaris bij Arbo Unie dan bij de Stichting SOAN.

2.3.

Per 1 oktober 2006 is [eiser] aangesteld in de functie van Applicatie adviseur binnen de afdeling IM. Deze functie is ingeschaald in loonsschaal 10, trede 10. Het salaris bedroeg € 2.775,-- bruto bij een fulltime dienstverband. Ter compensatie van dit lagere bruto maandsalaris ten opzichte van daarvoor, is aan [eiser] een garantietoeslag toegekend van € 1.320,00 bruto per maand. Voor het verschil tussen loonschaal 10 en 11 is een afbouwregeling overeengekomen, waarbij in twee termijnen van zes maanden een bruto maandbedrag door Arbo Unie aan [eiser] werd betaald van respectievelijk € 174,67 en

€ 87,33.

2.4.

In de arbeidsovereenkomst noch in de daarop van toepassing zijnde CAO voor de Arbo- en bedrijfsgezondheidsdiensten is een wijzigingsbeding opgenomen.

2.5.

De voorgenomen reorganisatie van de afdeling IM, werd in 2011 ingehaald door en vervolgens gecombineerd met een algehele reorganisatie die begin 2012 is doorgevoerd en waarbij circa 140 van de 1.300 werknemers zijn ontslagen, hetzij na toestemming van het UWV, hetzij na ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter.

2.6.

Op 28 december 2011 is tussen enerzijds Arbo Unie en anderzijds de vakbonden de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband te Utrecht en De Unie, een sociaal plan overeengekomen, hierna: “het sociaal plan”. Op 6 januari 2012 heeft ook CNV Dienstenbond ingestemd met het sociaal plan. Het sociaal plan is op 2 januari 2012 aangemeld als CAO bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2.7.

In de inleiding op pagina 2 van het sociaal plan is onder meer opgenomen:

Partijen, betrokken bij dit Sociaal Plan, beogen een basale regeling te treffen voor de voor ontslag voorgedragen werknemers. Het Sociaal Plan heeft een uiterst sober karakter. Dit is ingegeven door de financieel/bedrijfseconomische noodsituatie binnen Arbo Unie ultimo 2011 en de vooralsnog onzekere prognose voor 2012, maar het reële perspectief voor 2013 en daarna.

2.8.

In artikel 2 sub j van het sociaal plan is onder meer opgenomen:

Een geschikte functie is een functie die buiten het domein van de passende functie valt en die qua inhoud en verantwoordelijkheden naar de mening van Werknemer en Werkgever kan worden uitgeoefend en die Werknemer bereid is te accepteren. (…)

2.9.

In artikel 2 sub q van het sociaal plan is onder meer opgenomen:

Onder het bruto maandsalaris wordt verstaan: het bruto maandsalaris volgens de voor de Werknemer geldende salarisschaal plus een eventuele vaste maandelijkse persoonlijke of garantie toeslag, alsmede de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering, zoals dit geldt op het moment van aanzegging van boventalligheid.

2.10.

In artikel 4 van het sociaal plan is onder meer opgenomen:

Dit Sociaal Plan treedt in werking na ondertekening en heeft betrekking op de Reorganisatie 2012 en daarmee samenhangende besluiten (welke als VB 1 t/m 8 door de directie in november 2011 ter advisering aan de OR zijn voorgelegd), alsmede de reeds eerder genomen besluiten na 1 april 2011 (met betrekking tot VR, FC&P, IM en Facilitaire Zaken).

2.11.

In het sociaal plan is voorzien in de instelling van een Commissie toepassing en uitleg Sociaal Plan 2012, hierna: “de Commissie SP”. Een werknemer heeft de mogelijkheid zich tot deze commissie te wenden, met betrekking tot een geschil of de toepassing van de hardheidsclausule, zo is in artikel 15 van het sociaal plan bepaald. In dit artikel staat verder dat binnen vier weken nadat een geschil aan haar is voorgelegd, zij een zwaarwegend advies zal uitbrengen aan Arbo Unie.

2.12.

De ondernemingsraad van Arbo Unie heeft een positief advies over de reorganisatie uitgebracht.

2.13.

Bij brief van 2 januari 2012 heeft Arbo Unie aan [eiser] onder meer geschreven dat in het Voorgenomen Besluit Herinrichting IM staat dat zijn functie zal komen te vervallen en dat dit per diezelfde datum het geval is. Arbo Unie verwijst [eiser] in deze brief naar het intranet, waar de nieuwe functies van de afdeling staan beschreven. Indien herplaatsing in een nieuwe functie niet mogelijk is, zal sprake zijn van boventalligheid, zo vermeldt de brief. In dat geval zal Arbo Unie zich inspannen om medewerkers van werk naar werk te begeleiden. Ten slotte staat in de brief:

We verwachten dat als de afdeling IM binnen Arbo Unie op de wijze zoals in het VB staat wordt ingericht en met de juiste mensen wordt bezet, de kwaliteit van de ICT weer naar tevredenheid zal verlopen.”.

2.14.

Bij e-mail van 6 januari 2012 heeft [eiser] gesolliciteerd naar de functie Functioneel Applicatie Beheerder Elektronisch Melden op de afdeling IM. In deze e-mail schrijft [eiser] onder meer:

Onder protest tegen de arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden bij de sollicitatieprocedure solliciteer ik hierbij naar de functie voor Applicatie Adviseur Elektronisch Melden. De reden van mijn sollicitatie is enerzijds het vervallen van mijn huidige functie. Anderzijds dat de inhoud van de werkzaamheden van de Applicatie Adviseur Elektronisch melden aansluiten bij mijn huidige werkzaamheden en door mij de afgelopen jaren met plezier zijn uitgevoerd. Voor wat betreft de kennis en ervaring die aan de functie gesteld wordt, voldoe ik hier aan en verwijs ik hiervoor naar bijgevoegde CV alsmede ook de ervaring in de afgelopen jaren in de gelijksoortige functie.”

2.15.

In antwoord op de e-mail van 6 januari 2012, bericht Arbo Unie per e-mail van 9 januari 2012 aan [eiser]:

Hartelijk dank voor je sollicitatie naar de functie van Functioneel Applicatiebeheerder Elektronisch Melden. Graag nodigen we je uit voor een gesprek op dinsdag 10 januari om 13.00 uur in de kamer van [A] (…). Je hebt dan het gesprek met [A] en [B]. Indien je vragen en/of opmerkingen hebt dan hoor ik deze graag.

2.16.

Bij brief van 3 februari 2012 heeft Arbo Unie aan [eiser] bevestigd dat hij wordt benoemd in de functie van Functioneel Applicatiebeheerder Elektronisch Melden, hierna: “de geschikte functie”. Voorts is onder meer in deze brief vermeld:

Door deze benoeming wijzigt uw arbeidsovereenkomst. Bijgaand treft u – in tweevoud – deze wijziging op uw arbeidsovereenkomst aan. Wij verzoeken u binnen één week één getekend exemplaar van de overeenkomst aan ons te retourneren door middel van bijgevoegde retourenvelop.

2.17.

In de bijlage bij de brief van 3 februari 2012 is de “Bijlage bij arbeidsovereenkomst” gevoegd. Uit deze bijlage volgt dat op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2012 een wijziging plaatsvindt. De wijziging ziet op de functie, het salaris, de standplaats en de vergoeding woon-werk verkeer. Voor het overige blijven de voorwaarden en afspraken zoals vastgelegd in de arbeidsovereenkomst van kracht. Voor wat betreft het salaris houdt de wijziging het volgende in. Het bruto maandsalaris gaat per 1 februari 2012 een bedrag beslaan van € 3.099,00 bruto per maand, bij een fulltime dienstverband van salarisgroep 11, functiejaar 10 conform de CAO voor Arbo Unie. De garantietoeslag die [eiser] per maand ontving van € 1.347,00 bruto wordt per 1 februari 2012 een bedrag van € 1.080,00 bruto (in verband met de verhoging van het bruto maandsalaris met een bedrag van € 267,00) en vervolgens wordt de toeslag van € 1.080,00 afgebouwd over een periode van 18 maanden tot nihil, steeds met een bedrag van € 60,00 bruto per maand.

2.18.

[eiser] heeft vervolgens de werkzaamheden behorend bij de nieuwe functie verricht maar heeft de bijlage bij de arbeidsovereenkomst, niet ondertekend.

2.19.

[eiser] heeft bij de Commissie SP bezwaar gemaakt tegen de afbouw van zijn toeslag. De Commissie SP heeft Arbo Unie geadviseerd dit bezwaar niet te honoreren. In haar advies schrijft de Commissie SP onder meer:

“Nu het Sociaal Plan niet aangeeft welke arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn ingeval Arbo Unie de werknemer een geschikte functie aanbiedt en die de werknemer accepteert, moet art. 2 sub j van het Sociaal Plan worden uitgelegd op grond van de door de Hoge Raad geformuleerde zogeheten CAO-norm, ter beantwoording van de vraag welke arbeidsvoorwaarden hebben te gelden. Daarbij is naar de opvatting van de Commissie doorslaggevend of de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de uitleg die de Arbo Unie hanteert, moet worden gevolgd, of de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen overeenkomstig het standpunt van klager.

2.20.

Bij brief van 11 april 2012 heeft Arbo Unie aan [eiser] bericht dat zij het advies van de Commissie SP onverkort overneemt, welk advies inhoudt dat Arbo Unie het salaris betaalt en andere arbeidsvoorwaarden toepast die horen bij de nieuwe, geschikte, functie.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – kort samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst van 1 december 1998 met de aanpassing daarop van 1 oktober 2006 van toepassing is als ook dat het salaris van [eiser]

€ 4.832,00 bruto bedraagt en veroordeling van Arbo Unie om aan [eiser] te voldoen

€ 3.240,00, zijnde het tot november 2012 te weinig betaalde bruto maandsalaris inclusief de wettelijke verhoging, en te vermeerderen met de verdere te laat gedane betalingen, onder veroordeling van Arbo Unie in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Arbo Unie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op 2 januari 2012 is [eiser] boventallig verklaard waarop hij gesolliciteerd heeft op een door Arbo Unie aangeboden geschikte functie. Arbo Unie heeft [eiser] vervolgens geplaatst in deze functie en [eiser] is sinds februari 2012 daarin werkzaam. [eiser] wist dat Arbo Unie de toeslag die maandelijks werd uitbetaald, bij aanvaarding van de geschikte functie wilde laten komen vervallen en het bij de functie behorende salaris wilde uitbetalen. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de plaatsing van [eiser] in de geschikte functie gepaard mocht gaan met het doorvoeren van een salarisvermindering (na een afbouwperiode van 18 maanden).

4.2.

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of [eiser] met de aanvaarding van de geschikte functie ook heeft ingestemd met de verlaging van zijn salaris. Volgens Arbo Unie blijkt uit de e-mail van 6 januari 2012 van [eiser], in welke e-mail hij solliciteert op de geschikte functie, eerder een soort gelatenheid dan een daadwerkelijk protest tegen de salarisvermindering. In de e-mail staat echter uitdrukkelijk dat [eiser] onder protest tegen de bij de geschikte functie behorende arbeidsvoorwaarden solliciteert, zodat de kantonrechter hierin een protest daartegen leest. Bovendien heeft Arbo Unie niet betwist dat [eiser] op de door hem gestelde andere momenten ook heeft geprotesteerd tegen de voorgenomen aanpassing van het salaris bij aanvaarding van een geschikte functie. Dit heeft hij in december 2011 bij het presteren van de reorganisatieplannen door Arbo Unie gedaan en dit protest heeft hij tijdens het sollicitatiegesprek en ook daarna bij de Commissie SP, herhaald. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [eiser] met het aanvaarden van de nieuwe functie, ook de aanpassing van zijn salaris heeft aanvaard. Een dergelijke aanvaarding dient uitdrukkelijk te gebeuren en daarvan is geen sprake geweest en kan – gelet op het herhaaldelijk geuite protest – niet uit de aanvaarding van de geschikte functie worden afgeleid. Dat sprake was van een situatie waarbij gesolliciteerd werd nadat [eiser] boventallig was verklaard, maakt dit niet anders. In dat geval is immers nog steeds sprake van een sollicitatie vanuit een nog bestaande arbeidsrelatie.

4.3.

Nu vaststaat dat [eiser] de wijziging van zijn salaris met ingang van 1 februari 2012 niet heeft aanvaard, dient te worden beoordeeld of Arbo Unie eenzijdig tot een aanpassing van het salaris van [eiser] heeft mogen overgaan terwijl een wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst en in de van toepassing zijnde CAO, ontbreekt.

4.4.

Het toetsingskader voor deze beoordeling volgt uit het arrest Stoof/Mammoet dat de Hoge Raad op 11 juli 2008 heeft gewezen, vindplaats: NJ 2011/185. In dit arrest heeft de Hoge Raad voorop gesteld dat bij het ontbreken van een wijzigingsbeding, de werknemer in beginsel niet gehouden is om voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te accepteren. Daarover moet tussen hen overeenstemming worden bereikt, in verband waarmee de voor de werkgever en de werknemer over en weer uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen van belang zijn. Vervolgens heeft de Hoge Raad in dit arrest de criteria uiteengezet die van toepassing zijn bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden op het werk voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden. Hierbij dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als een goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede – naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming – de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Ten slotte dient te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden.

4.5.

In dit arrest ging het evenwel om een eenzijdige wijziging van de functie van een werknemer, die niet tevens gepaard ging met een salariswijziging zoals bij [eiser] het geval is. Omdat het Stoof/Mammoet arrest betrekking heeft op de wijziging van de arbeidsvoorwaarden en het salaris een arbeidsvoorwaarde betreft, acht de kantonrechter de criteria zoals neergelegd in dit arrest en weergegeven in punt 4.4, ook van toepassing op het geschil tussen Arbo Unie en [eiser]. Het beoordelingskader dat door de Hoge Raad is geschetst, geeft voldoende ruimte om mee te wegen dat het in dit geval om een wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde gaat, waarbij een grotere terughoudendheid past dan in het geval het alleen om een functiewijziging zou gaan.

4.6.

Het door Arbo Unie gedane voorstel hield in dat [eiser] per 1 februari 2012 na boventallig te zijn verklaard zou worden geplaatst in een geschikte functie tegen een lager bruto maandsalaris, hierna: “het voorstel”. Na een afbouwperiode over een periode van 18 maanden, betreft het een salarisvermindering van € 1.080,00 bruto per maand op een bruto maandsalaris van € 4.179,00, zodat sprake is van een verlaging van in elk geval 26%. De verlaging van het bruto maandsalaris tot een bedrag van € 3.099,00 werkt door in de hoogte van de vakantietoeslag en eventuele overige emolumenten, zodat deze meer zal beslaan dan het genoemde percentage van 26%.

4.7.

De eerste vraag is of sprake is van gewijzigde omstandigheden en of Arbo Unie daarin als een goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van het voorstel.

4.8.

Arbo Unie heeft in eerste instantie aanleiding gevonden in het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, waarbij de functie van [eiser] werd gewijzigd inclusief een salarisvermindering, in de reorganisatie van de afdeling IM waarbij een nieuw functiehuis zou worden gerealiseerd, met nieuwe functies, nieuwe omschrijvingen en salarisschalen. De reorganisatie van de afdeling IM was nodig om de afdeling meer efficiënt te laten zijn, kosten te reduceren en een kwaliteitslag te maken. Het takenpakket van de werknemers was onduidelijk waardoor onduidelijk was wie verantwoordelijk was voor het verhelpen van een probleem. Hierdoor werden ICT-problemen binnen Arbo Unie niet goed althans niet voortvarend genoeg binnen de afdeling IM verholpen. Deze herinrichting van de afdeling IM werd ingehaald door een algehele reorganisatie toen in de loop van 2011 duidelijk werd dat de slechte financiële situatie waarin Arbo Unie kwam te verkeren (het jaar 2011 werd met een negatief resultaat van € 6.000.000,00 afgesloten) het voor Arbo Unie noodzakelijk maakte om circa 140 van de 1.300 werknemers te ontslaan. De wijziging van omstandigheden is derhalve niet alleen gelegen in het beter willen laten functioneren van de afdeling IM maar vooral ook om financieel overeind te kunnen blijven. Door [eiser] is niet betwist dat Arbo Unie eind 2011 in zeer slechte financiële omstandigheden verkeerde. Dat hiervan sprake was, blijkt ook het zeer summiere sociale plan dat met de vakbonden is overeengekomen en waarbij akkoord is gegaan met een ingrijpende reorganisatie onder hantering van zeer korte opzegtermijnen en zonder het verstrekken van een financiële compensatie (anders dan outplacementondersteuning). In het sociaal plan is opgenomen dat Arbo Unie zich inspant voor het vinden van passende of geschikte functies voor boventallig verklaarde werknemers. Hiermee staat vast dat Arbo Unie in slechte financiële omstandigheden verkeerde en daarin als goed werkgever voldoende aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van het voorstel.

4.9.

De tweede beoordeling is of het voorstel redelijk is en hierbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

4.10.

Door Arbo Unie is een reorganisatie doorgevoerd waarbij werknemers boventallig zijn verklaard en vervolgens is door haar gezocht naar passende en geschikte functies voor deze werknemers binnen de onderneming, ter uitvoering van de op haar rustende inspanningsverplichting zoals opgenomen in het sociaal plan. Tegelijkertijd staat vast dat de gevolgen die de aanvaarding van een geschikte functie voor de hoogte van het salaris van een werknemer heeft, niet geregeld is in het sociaal plan. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de slechte financiële situatie waarin Arbo Unie verkeerde weliswaar voor de vakbonden voldoende reden was om akkoord te gaan met de voorgenomen reorganisatie maar niet tevens voldoende reden voor hen vormde om op voorhand de gevolgen voor het salaris na plaatsing van een boventallig verklaarde werknemer in een geschikte functie te regelen. Het sociaal plan geeft voorts niet aan dat een loonreductie noodzakelijk zou zijn voor de voortzetting van de onderneming en voor het voorkomen van verdere ontslagen. Bovendien geeft het sociaal plan weliswaar aan dat er eind 2011 sprake was van een noodsituatie en onzekere prognoses voor 2012 maar ook dat er reëel perspectief voor 2013 en daarna wordt verwacht. Met de verwijzing naar het sociaal plan, heeft Arbo Unie weliswaar onderbouwd dat sprake was van een slechte financiële situatie maar niet dat de door haar voorgestelde forse salarisvermindering proportioneel en noodzakelijk was om het hoofd boven water te houden en tegelijkertijd werknemers te behouden en dat dit ook nog steeds het geval zou zijn na de ontslagronde die in 2012 als gevolg van de reorganisatie heeft plaatsgevonden.

4.11.

Het voorstel van Arbo Unie houdt een zeer forse salarisvermindering voor [eiser] in. Het behoeft geen nadere toelichting dat een dergelijk forse salarisvermindering van 26% van het laatst verdiende loon ingrijpende gevolgen voor hem heeft en dat zijn belang bij het in stand houden van zijn salaris, groot is. Volgens Arbo Unie ontving [eiser] 14 jaar lang een toeslag die uitging ver boven het bij de door hem beklede functie behorende salaris, zodat hij moest verwachten dat hij deze toeslag op enig moment niet meer zou ontvangen. Deze stelling volgt de kantonrechter niet. Uit de aanvulling op de arbeidsovereenkomst van 1 oktober 2006 blijkt niet dat de overeengekomen toeslag van € 1.347,00 op enig moment zou (kunnen) worden afgebouwd. Bovendien werd de toeslag al 14 jaar toegekend. Dat de toeslag als een vast salariscomponent werd beschouwd, volgt ook uit artikel 2 sub q van het sociaal plan, zoals is geciteerd in punt 2.9 van dit vonnis. Hierdoor volgt de kantonrechter [eiser] in zijn stelling dat sprake was van een vast bruto maandsalaris, ook al werd een gedeelte daarvan onder de noemer van een garantietoeslag uitbetaald.

4.12.

Volgens Arbo Unie moet bij de beoordeling van de redelijkheid van haar voorstel betrokken worden dat – indien de plaatsing in de geschikte functie wordt weggedacht – [eiser] begin 2012 conform het sociaal plan zonder ontslagvergoeding ontslagen zou zijn nadat hij op 2 januari 2012 boventallig was verklaard en voor dit ontslag toestemming van het UWV WERKbedrijf zou zijn verkregen. Afgezet tegen een WW-uitkering die [eiser] dan zou ontvangen is het voorstel tot salarisvermindering volgens Arbo Unie alleszins redelijk. De kantonrechter acht deze redenering niet houdbaar omdat Arbo Unie [eiser] nooit voor die keuze heeft gesteld. Niet gesteld of gebleken is dat Arbo Unie naar aanleiding van het protest van [eiser] met hem in overleg is getreden. Evenmin is gesteld of gebleken dat Arbo Unie zich tegenover [eiser] op het standpunt heeft gesteld dat bij niet-aanvaarding van de salarisvermindering, Arbo Unie zich niet verplicht achtte [eiser] te plaatsen in de geschikte functie. Arbo Unie heeft naar aanleiding van het protest geen poging ondernomen alsnog overeenstemming te bereiken. Zij heeft het protest gelaten voor wat het was en [eiser] als werknemer gehouden. Dit kan echter niet worden tegengeworpen aan [eiser]. [eiser] solliciteerde vanuit een bestaande arbeidsovereenkomst en de boventalligheidverklaring doet daar niets aan af. De redelijkheid van het voorstel wordt dan ook beoordeeld door de situatie te vergelijken waarin [eiser] kwam te verkeren na het doorvoeren van de salarisvermindering met die waarin hij zijn salaris zoals dat tot 1 februari 2012 werd uitbetaald, zou behouden.

4.13.

Uit de voorgaande rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12 volgt dat het voorstel van Arbo Unie voor zover dit een salarisvermindering tot gevolg heeft, niet als een redelijk voorstel kan worden beschouwd. Door Arbo Unie is onvoldoende onderbouwd dat de salarisvermindering proportioneel en noodzakelijk was. Bovendien betreft het voorstel een voor [eiser] zeer ingrijpende wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde, waarbij een grote terughoudendheid past gelet op de aard van de arbeidsvoorwaarde.

4.14.

In het geval het voorstel wel als redelijk zou kunnen worden beschouwd, dan is de voorgestelde verlaging van het salaris dusdanig ingrijpend dat in redelijkheid niet van [eiser] gevergd kan worden dat hij akkoord gaat met een salarisvermindering van 26% van zijn laatst genoten salaris. Dat sprake is van afbouwregeling waarbij deze vermindering over een periode van 18 maanden steeds met € 60,-- bruto per maand wordt uitgesmeerd, maakt dit – gelet op de hoogte van dit percentage – niet anders.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat de loonvordering van [eiser] tot een bedrag van € 3,240,00 bruto, te vermeerderen met hetgeen na oktober 2012 te weinig aan salaris is uitbetaald, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, in beginsel voor toewijzing gereed ligt.

4.16.

De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt (bij wege van beperking) gesteld op een percentage van 25 % van bovengenoemd bedrag, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Dit leidt tot een toewijzing van het te weinig betaalde bruto maandsalaris inclusief een verhoging van steeds 25% over de periode februari tot en met oktober 2012 van € 2.690,00.

4.17.

De gevorderde verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst van 1 december 1998 alsmede dat de aanvullende arbeidsvoorwaarden van 1 oktober 2006 van toepassing zijn, zal worden toegewezen, met dien verstande dat dit geen gevolg heeft voor de functiebenaming en functie-inhoud die per 1 februari 2012 tussen partijen geldt. De door [eiser] ingenomen stelling houdt immers in dat Arbo Unie zijn salaris niet eenzijdig heeft mogen verminderen nadat hij was geplaatst in een geschikte functie. Het beroep van [eiser] op de arbeidsovereenkomst van 1998, aangevuld op 1 oktober 2006, ziet op de hoogte van zijn salaris en niet op zijn functiebenaming en/of de inhoud van zijn functie. Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat de geschikte functie op enkele accentverschuivingen na, nagenoeg hetzelfde is als zijn voormalige functie, is dit door hem aangevoerd in verband met de salarisvermindering die volgens hem onredelijk en ongerechtvaardigd is. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] tegenover Arbo Unie in of buiten rechte aanspraak heeft gemaakt op zijn oude functieinhoud en/of functiebenaming.

4.18.

De gevorderde verklaring voor recht dat het salaris € 4.832,00 bruto bedraagt, wordt toegewezen omdat uit hetgeen door [eiser] is aangevoerd, blijkt dat zijn belang bij deze vordering is dat vast komt te staan dat Arbo Unie de salarisvermindering niet heeft mogen doorvoeren. Uit de voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat de salarisvermindering die door Arbo Unie is doorgevoerd, geen stand houdt omdat [eiser] niet geacht kan worden de salarisvermindering te hebben aanvaard en op hem geen verplichting rust dit alsnog te doen. Hierdoor is het huidige salaris het bedrag waarvoor [eiser] een verklaring voor recht vordert. Dit laat echter onverlet dat de hoogte van het salaris verder afhankelijk is van hetgeen dienaangaande volgt uit de tussen partijen gesloten overeenkomsten en de van toepassing zijnde CAO en eventuele toekomstige aanpassingen (verhogingen) daarvan.

4.19.

Arbo Unie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,71

- griffierecht € 207,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 699,71

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst van 1 december 1998 van toepassing is alsmede dat de aanvullende arbeidsvoorwaarden van 1 oktober 2006 van toepassing zijn;

5.2.

verklaart voor recht dat het maandsalaris € 4.832,00 bruto bedraagt;

5.3.

veroordeelt Arbo Unie tot betaling van een bruto bedrag van € 2.690,00 te vermeerderen met hetgeen na oktober 2012 te weinig aan salaris is betaald, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% tot de datum van voldoening;

5.4.

veroordeelt Arbo Unie tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 699,71, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2013.