Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3400

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
SBR 12-4794
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1895, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor uitbreiden van praktijkruimte. Verweerder wil door strikte hantering van de bepalingen van het bestemmingsplan met betrekking tot aan huis verbonden beroepen voorkomen dat ter plaatse nog meer bedrijvigheid zal ontstaan. Op die manier wordt er naar gestreefd om de ruimtelijke uitstraling van de bestemming, te weten 'wonen', zoveel mogelijk wordt behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/4794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2013 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder

(gemachtigde: P. Janse en M.P.M. Aberson-Vlassenrood).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Sociëteit De Vereeniging, te Baarn, gemachtigde: mr.drs. C.F. Geerdes.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een praktijkruimte op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel).

Bij besluit van 23 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde partij (verder: De Vereeniging) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 24 februari 2012 herroepen en besloten de door eiser gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De Vereeniging is verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door[A] en [X], voorzitter respectievelijk penningmeester van De Vereeniging.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt voor 1 januari 2013.

2.

Eiser heeft ter zitting van de rechtbank gewezen op artikel 17, derde lid, van de statuten van De Vereeniging, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bestuur van De Vereeniging goedkeuring behoeft van de algemene vergadering voor het optreden in rechte. Eiser heeft aangevoerd dat hem niet is gebleken van een goedkeuringsbesluit van de algemene vergadering als hiervoor bedoeld.

Eiser betoogt met dit standpunt kennelijk dat verweerder het bezwaar van De Vereeniging tegen het besluit van 24 februari 2012 niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege het ontbreken van een goedkeuringsbesluit van de algemene vergadering van De Vereeniging voor het indienen van het bezwaarschrift. Dit betoog kan niet slagen. De rechtbank stelt vast dat eiser dit punt niet in de bezwaarschriftprocedure aan de orde heeft gesteld. Niet valt in te zien dat verweerder aanleiding had om het door[A] (voorzitter) en [X] (penningmeester) – daartoe gezamenlijk bevoegd – namens De Vereeniging ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk te achten dan wel nader onderzoek te doen naar het bestaan van een goedkeuringsbesluit.

Voor zover eiser met zijn betoog heeft willen bewerkstelligen dat De Vereeniging vanwege het ontbreken van een goedkeuringsbesluit van de algemene vergadering niet in deze procedure als partij had mogen worden toegelaten, faalt ook dit betoog. Eiser heeft dit punt voor het eerst ter zitting gemaakt en daarmee de overige partijen de gelegenheid ontnomen daarop tijdig inhoudelijk te reageren dan wel het tegendeel te onderbouwen. Daarmee heeft eiser gehandeld in strijd met een goede procesorde. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de gemachtigde van De Vereeniging ter zitting dat de algemene vergadering wel degelijk op de hoogte is van en heeft ingestemd met deelname van De Vereeniging aan de bezwaar- en beroepsprocedures. Er bestaat dan ook geen belemmering voor deelname van De Vereeniging aan deze procedure.

3.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij besluit van 13 juni 2006 heeft verweerder aan de echtgenote van eiser vrijstelling verleend op de voet van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het in afwijking van de destijds op het perceel vigerende bestemming “Eengezinshuizen” uitoefenen van een aan huis gebonden beroep in de vorm van een praktijk voor huidtherapie. Deze vrijstelling zag, gegeven de aanvraag, op een praktijkruimte van 50 m² ten behoeve van voornoemde huidtherapie met één werkplek gedurende drie dagen per week van 9.00 uur tot 17.00 uur.

3.2

Eiser heeft op 29 december 2011 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van de bestaande praktijkruimte voor huidtherapie op het perceel. De aanvraag betreft enerzijds een bouwkundige uitbreiding van de praktijkruimte naar 121 m ² en anderzijds een verruiming van het gebruik ervan voor wat betreft openingstijden (naar 4 dagen per week van 8:30 uur tot 21:00 uur en één dag van 08:30 uur tot 17:00 uur) en aantal werkzame personen (4).

3.3

Na aanvankelijke verlening van de gevraagde omgevingsvergunning heeft verweerder deze, na heroverweging in het door De Vereeniging gemaakte bezwaar, alsnog geweigerd.

Verweerder heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de ruimtelijke uitstraling van het bedrijf niet meer te rijmen valt met een aan-huis-verbonden activiteit. Wezenlijk element van een aan-huis-verbonden-activiteit is, aldus verweerder, dat het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat de activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Nu er sprake blijkt te zijn van meerdere werknemers in het bedrijf van eisers echtgenote, wordt naar de mening van verweerder niet meer aan dat criterium voldaan. Verweerder is van mening dat, mede gelet op het aantal medewerkers en de openingstijden, sprake is van bedrijfsmatige activiteiten en dat het bouwplan dan ook in strijd is met de ter zake geldende bepalingen van het bestemmingsplan. Verweerder is niet bereid toestemming te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan vanwege de ongewenste ruimtelijke effecten van het beoogde gebruik in een overwegende woonomgeving en vanwege een ongewenste precedentwerking.

4.

In artikel 2.1, eerste lid onder a en c van de Wabo is, voor zover van belang, bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

(..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geweigerd indien het project in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt in een dergelijk geval de aanvraag om een omgevingsvergunning mede aangemerkt als een aanvraag om toestemming voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is. In artikel 2.12 van de Wabo is bepaald op welke wijze en in welke gevallen vergunning kan worden verleend voor gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge het vigerende bestemmingsplan Amaliapark-Transvaal, dat op 27 mei 2009 is vastgesteld, rust op het perceel de bestemming ‘wonen’.

Ingevolge artikel 15.1 zijn de op de plankaart voor wonen aangewezen gronden bestemd voor:

  1. wonen;

  2. een aan-huis-verbonden beroep, waarvan het brutovloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 25% van het brutovloeroppervlak van de woning, met een maximum van 50 m²;

met daarbijbehorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

Artikel 15.5 bepaalt dat tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval wordt gerekend:

  1. …..;

  2. …..;

  3. het gebruik van de gronden en bouwwerken, ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten, anders dan in de vorm van een aan huis verbonden beroep;

  4. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis verbonden beroep, zodanig dat:

1.

de vloeroppervlakte voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep meer bedraagt dan 25% van de totale gezamenlijke oppervlakte begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.

de vloeroppervlakte voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep meer bedraagt dan 50 m²;

……

…....

Ingevolge artikel 15.6.1 en onder a van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 15.5 onder c en d en toestaan dat een ruimte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden kleinschalige bedrijfsmatige activiteit wordt gebruikt, tot een oppervlakte van maximaal 100 m².

5.

Eiser heeft in beroep betoogd dat het project valt onder de overgangsbepalingen van het vigerende bestemmingsplan, gegeven de in 2006 al door verweerder verleende toestemming voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep op het perceel.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Overgangsrechtelijke bescherming voor bestaande bouwwerken (artikel 26.1 van de planvoorschriften) en voor bestaand gebruik (artikel 26.2 van de planvoorschriften) stuit in dit geval reeds af op de in beide artikelen opgenomen eis dat de bestaande afwijking naar aard en omvang niet mag worden vergroot. Nu hier zowel een bouwkundige uitbreiding van de praktijkruimte als een verruiming van het strijdige gebruik ten opzichte van de op 13 juni 2006 verleende vrijstelling aan de orde is, kan van overgangsrechtelijke bescherming om die reden al geen sprake zijn.

6.

Eiser heeft voorts in beroep aangevoerd dat verweerder bij besluit van 13 juni 2006 ontheffing heeft verleend voor de vestiging van het bedrijf van zijn echtgenote en dat om die reden niet valt in te zien waarom thans geen sprake meer zou zijn van een met de woonfunctie te verenigen ruimtelijke uitstraling. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat het bouwplan ziet op een geringe uitbreiding van de bestaande bebouwing. Hij betoogt dan ook dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, omdat de activiteiten op het perceel als aan huis gebonden beroep zijn toegestaan.

7.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de planvoorschriften wordt onder een aan-huis-verbonden beroep verstaan een in bijlage 1 genoemd dienstverlenend beroep, dan wel een naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen beroep, dat door een bewoner in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, op administratief, juridisch, medisch of hiermee gelijk te stellen terrein, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Blijkens bijlage 1 bij het bestemmingsplan wordt onder de aan-huis-verbonden-beroepen ook een huidtherapeut begrepen.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de planvoorschriften wordt onder aan-huis-verbonden kleinschalige bedrijfsmatige activiteit verstaan de in bijlage 2 genoemde bedrijvigheid dan wel een naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, dat door een bewoner in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Blijkens bijlage 2 bij het bestemmingsplan worden onder aan-huis-verbonden kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in ieder geval begrepen overige dienstverlening, waaronder bijvoorbeeld een kapperssalon, schoonheidssalon, pedicure.

8.

Om te kunnen worden aangemerkt als een huis verbonden beroep dient de activiteit dus niet alleen voor te komen op de bijlage 1 bij het bestemmingsplan, maar dient voorts bovendien onder meer ook sprake te zijn van een ruimtelijke uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is. De rechtbank kan verweerder volgen zijn oordeel dat de thans aan de praktijk voor huidtherapie verbonden activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die niet in overeenstemming kan worden geacht met de woonfunctie en dat het door eiser gewenste gebruik van de gronden en het bouwwerk veeleer moet worden aangemerkt als bedrijfsmatige activiteiten, anders dan in de vorm van een aan huis verbonden beroep. Doorslaggevend voor dat oordeel is de uit de gedingstukken en de toelichting van eiser ter zitting blijkende omvang van de activiteiten van de praktijk van eisers echtgenote. Er is sprake van ruime openingstijden (door de weeks dagelijks geopend, veelal tot 21.00 uur). Daarnaast zijn er naast eisers echtgenote tenminste drie medewerkers werkzaam en incidenteel bestaat kennelijk ook de mogelijkheid om derden op afspraak te consulteren. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat door de omvang van de activiteiten, de inzet van andere medewerkers, die in de praktijk naast eisers echtgenote zelfstandig als schoonheidsspecialiste, pedicure en huidtherapeute werkzaam zijn, en de effecten van de activiteiten in deze omvang op het komen en gaan van klanten en op het parkeren, de praktijk van eisers echtgenote niet langer valt aan te merken als een aan huis gebonden beroep maar de ruimtelijke uitstraling heeft van een (kleinschalig) bedrijf, die ook niet zonder meer past in een woonomgeving.

Nu op het perceel een aan huis gebonden beroep (onder voorwaarden) wel rechtstreeks is toegestaan, maar overige bedrijfsmatige activiteiten niet, is de rechtbank gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat verweerder het project terecht in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht.

9.

Verweerder heeft de bevoegdheid om ten behoeve van het project toestemming te geven om van het bestemmingsplan af te wijken. Die bevoegdheid kan evenwel niet worden gevonden in het bepaalde in artikel 15.6.1, onder a, van de planvoorschriften, nu dat artikel de vrijstellingsbevoegdheid beperkt tot een oppervlakte van maximaal 100 m². Nu het onderhavige project ziet op een uitbreiding naar een oppervlakte van 121 m², mist dit artikel reeds om die reden toepassing. Verweerder is niet bereid gebruik te maken van zijn buitenplanse bevoegdheid om toestemming voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. De wet heeft verweerder op dit punt een discretionaire bevoegdheid toegekend. Dat betekent dat de rechtbank het besluit van verweerder om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid navenant terughoudend toetst.

10.

De rechtbank leest in het beroepschrift en in hetgeen ter zitting is besproken, dat eiser bestrijdt dat verweerder in redelijkheid de aangevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Hij stelt dat de gewenste uitbreiding van de praktijk wel past in de omgeving, waarin meer bedrijvigheid voortkomt en dus allang geen echte woonomgeving meer is. Ook bestrijdt hij de door verweerder genoemde negatieve effecten op de omgeving.

Verweerder heeft in de stukken en ter zitting toegelicht dat hij door strikte hantering van de bepalingen in het bestemmingsplan met betrekking tot aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden kleinschalige bedrijfsactiviteiten wil voorkomen dat ter plaatse nog meer bedrijvigheid zal ontstaan. Op die manier wordt er naar gestreefd om de ruimtelijke uitstraling van de bestemming, te weten ‘wonen’, zo veel als mogelijk te behouden. Daarmee wordt voorkomen dat de percelen worden gebruikt voor beroeps- of bedrijfsuitoefening en daarmee een andere ruimtelijke uitstraling krijgen dan gebruikelijk is in een woonomgeving, die verweerder in het gebied nog altijd nastreeft. Ook heeft verweerder laten meewegen dat het niet ondenkbaar is dat er meer belangstelling in de wijk is voor het uitoefenen van activiteiten zoals door eiser gewenst. Gezien de ongewenste ruimtelijke uitstraling daarvan acht verweerder dat geen goede situatie en zou het verlenen van toestemming aan eiser in die zin een ongewenst precedent scheppen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus gemotiveerd in redelijkheid toestemming voor afwijking van het bestemmingsplan ter plaatse heeft kunnen weigeren. De rechtbank heeft bij haar oordeel tevens betrokken dat het voor eisers echtgenote, binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan daarvoor biedt, bij besluit van 13 juni 2006 reeds mogelijk is gemaakt om haar aan huis verbonden beroep uit te oefenen. Dat eisers echtgenote deze werkzaamheden ten opzichte van de op 13 juni 2006 verleende vrijstelling fors wenst uit te breiden, maakt niet dat verweerder in haar belang thans voorbij moet gaan aan wat hij, op goede gronden, uit ruimtelijk oogpunt gewenst acht. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

11.

Nu het project in strijd is met het bestemmingsplan en verweerder in redelijkheid toestemming om daarvan af te wijken heeft kunnen weigeren, moet de slotsom zijn dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 2.10 van de Wabo ook de toestemming voor de activiteit bouwen terecht heeft geweigerd.

12.

Hetgeen in beroep is aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willems, rechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.