Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3397

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_4328
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser was in 2010 in Amsterdam Zuidoost betrokken bij een geweldsincident. Hij heeft gefungeerd als contactpersoon bij een wapendeal en is daarbij in zijn buik geschoten, waardoor hij een blijvende gedeeltelijke dwarslaesie heeft opgelopen. Hij heeft verzocht om vergoeding van zijn materiële en immateriële schade in de vorm van een uitkering uit het schadefonds.

Verweerster heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 5 van de Wsg, welk artikel bepaalt dat uitkering achterwege kan blijven of op een geringer bedrag kan worden bepaald, als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen. Ook heeft verweerster verwezen naar haar beleid, inhoudende dat de aanvraag wordt afgewezen als het slachtoffer zich in het criminele circuit bevindt (drugshandel en wapenhandel).

In geschil is of de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan eiser is toe te rekenen. De rechtbank oordeelt dat verweerster zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zich in het criminele circuit bevond, nu sprake was van (geplande) wapenhandel. De rechtbank acht het beleid van verweerster, waarbij uitkering achterwege blijft als iemand zich in het criminele circuit bevindt, in beginsel niet onredelijk.

Verweerster heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat sprake was van de door eiser gestelde dwang. Daarom treft ook het betoog van eiser, dat hij zich door zijn beperkte verstandelijke vermogens en zijn psychische gesteldheid niet aan die dwang heeft kunnen ontworstelen, geen doel. Verder heeft eiser aan de hand van de overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die verstandelijke vermogens en psychische gesteldheid in causaal verband staan tot zijn betrokkenheid bij de wapendeal. Verweerster heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan eiser toegebrachte schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan hem is toe te rekenen. Daarom heeft verweerster in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven achterwege kunnen laten blijven. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 12/4328

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.D.W. Hoekstra-Krosenbrink),

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerster

(gemachtigde: mr. H.K.M. Timmermans).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerster de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met
31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt voor
1 januari 2013.

2.

De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan.

Op 12 oktober 2010 was eiser in Amsterdam Zuidoost betrokken bij een geweldsincident. Eiser is daarbij in zijn buik geschoten, waardoor hij een blijvende gedeeltelijke dwarslaesie heeft opgelopen. Hij zal hierdoor nooit meer zonder krukken kunnen lopen.

Op 27 april 2011 heeft verweerster van eiser een aanvraag ontvangen voor een uitkering op grond van de Wsg, waarbij hij heeft verzocht om vergoeding van zijn materiële en immateriële schade ten gevolge van het geweldsincident.

De officier van justitie heeft verweerster bij brief van 1 maart 2012 laten weten dat eiser niet strafrechtelijk wordt vervolgd, nu hij zwaargewond is geraakt en er geen zicht is op volledig herstel.

3.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wsg kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Op grond van artikel 5 van de Wsg kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.

4.

Verweerster heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser op grond van artikel 5 van de Wsg niet in aanmerking komt voor uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven, omdat uit het politiedossier en uit hetgeen eiser zelf op de hoorzitting heeft verklaard, volgt dat hij op 12 oktober 2010 als contactpersoon bij een wapendeal heeft gefungeerd. Volgens verweerster bestaan er, behalve in de verklaring van eiser zelf, geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat hij onder dwang heeft gehandeld. Eiser heeft zich, door zich bezig te houden met wapenhandel, onnodig in een situatie gebracht waarin hij rekening kon en moest houden met de mogelijkheid dat geweld tegen hem zou worden gebruikt. Ingeval van een geweldsmisdrijf dat verband houdt met de handel in wapens, wordt volgens vast beleid van verweerster een aanvraag om een uitkering volledig afgewezen, omdat er volgens verweerster in het algemeen van kan worden uitgegaan dat bij handel in vuurwapens geweld met vuurwapens niet wordt geschuwd.
Verder heeft verweerster zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat voor de stelling van eiser, dat sprake was van dwang, geen steunbewijs voorhanden is en dat dit ook niet uit eisers getuigenverklaring zelf volgt. In die getuigenverklaring heeft eiser tevens verklaard dat hij er wat mee kon verdienen. Het feit dat eiser een beperkte intelligentie en beperkte copingvaardigheden heeft, maakt volgens verweerster nog niet dat eiser geen inzicht kan hebben in de gevolgen van zijn gedrag en dat hij hiertegen geen weerstand kan bieden.

5.

Eiser heeft betoogd aanspraak te maken op vergoeding van de geleden schade uit het schadefonds geweldsmisdrijven. Hij heeft erkend dat hij aanwezig was bij de wapendeal, maar heeft betoogd dat de geleden schade niet mede een gevolg is van een omstandigheid die hem is toe te rekenen.

In dat verband heeft hij ten eerste aangevoerd dat hij is gedwongen om mee te gaan naar de plaats waar de wapendeal zou worden gesloten en dat hij daar dus niet vrijwillig aanwezig was. Hij is door een kennis (hierna: G.) gevraagd om een wapen te regelen voor een andere kennis (hierna: R.). R. heeft eiser een vuurwapen getoond. Daardoor voelde hij zich zo bedreigd, dat hij voor R. zaken is gaan regelen.

Ten tweede heeft eiser aangevoerd dat hij een kwetsbare jongen is met psychische problematiek. Zijn intelligentie ligt op zeer moeilijk lerend niveau en hij beschikt over beperkte copingvaardigheden. Eiser heeft gesteld dat zijn verstandelijke vermogens en zijn psychische toestand ertoe hebben bijgedragen dat hij zich niet heeft weten te ontworstelen aan de door G. en R. uitgeoefende dwang.

Ten derde heeft eiser aangevoerd dat hij door zijn psychische problematiek niet in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Hij heeft niet voorzien dat geweld met vuurwapens bij handel in vuurwapens niet wordt geschuwd en hij heeft zichzelf dus niet bewust in een gevaarlijke situatie gebracht.

6.

De rechtbank stelt voorop dat de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg terughoudend dient te worden getoetst, aangezien de beslissing over een uitkering uit het schadefonds op een discretionaire bevoegdheid van verweerster berust. Dit geldt tevens voor de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5 van de Wsg. Verweerster geeft bij de beoordeling van aanvragen om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven toepassing aan zijn beleidsregels zoals geformuleerd in de Beleidsbundel (te vinden op ‘https://schadefonds.nl/voor-instanties/informatie-materiaal’). Dit beleid is, zo blijkt uit introductie van de Beleidsbundel, bedoeld om duidelijkheid te verschaffen en openheid te geven over de wijze waarop verweerster in het kader van toetsen van aanvragen de belangen afweegt. Volgens paragraaf 1.5 van de Beleidsbundel dient bij het bepalen of sprake is van een eigen aandeel van het slachtoffer in de zin van artikel 5 van de Wsg de vraag te worden beantwoord of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten voorkomen. Bekeken wordt of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten. Als het slachtoffer zich in het criminele circuit bevindt (drugshandel en wapenhandel), zal de aanvraag worden afgewezen. In zijn verweerschrift heeft verweerster toegelicht dat door middel van deze strenge toetsingscriteria is gepoogd uiting te geven aan de zeer beperkte regeling van het Schadefonds, die in het leven is geroepen om in de meest schrijnende gevallen slachtoffers van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, die daarbij ernstig letsel hebben opgelopen, enige genoegdoening te bieden, waarbij de tegemoetkomingen worden gefinancierd uit de algemene middelen. Artikel 5 van de Wsg is er om te waarborgen dat enkel in de meest schrijnende gevallen een uitkering uit het Schadefonds wordt toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank is dit beleid in beginsel niet onredelijk.

7.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerster eiser in dit geval in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven heeft kunnen weigeren. Daartoe is het volgende van belang.

Blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor van eiser van 7 juli 2012 heeft

eiser bij de rechter-commissaris het volgende verklaard:
“Hij [R.] wilde wapens kopen en vond dat ik mee moest. (…) Ik ben onder druk gezet door zijn vriend [G.] van wie ik de achternaam niet weet. Hij zei iets nodig te hebben, maar ik wilde er niets mee te maken hebben. Ik ben toch meegegaan. (…) Hij [R.] heeft mij onder druk gezet de wapens te regelen. Ik was bang voor hem. Ik dacht dat hij mij iets zou aandoen. (…) Waarom ik toch ben meegegaan met hem? Ik wilde er niets mee te maken hebben. Ik zou er wat mee kunnen verdienen, zeiden [R.] en [G.] (…) Ik schrok dat hij het [het wapen] mij liet zien. Ik werd toen helemaal bang en ben meegegaan. (…) Ik heb iemand gebeld, een jongen die ik ken van een project in Marokko, [B.]. Aan hem heb ik het gevraagd, want hij kende mensen. Ik moest mee. Hij zei dat hij wapens kon regelen. Ik heb tegen hem verteld dat ik iemand kende die wapens zocht en zei dat ik er niets mee te maken had. Hij wist wel mensen. Via hem zijn we bij die andere mensen terechtgekomen. Hij was de eerste die ik belde. (…) We gingen naar Amsterdam en zijn daar een paar keer gestopt. We gingen naar die jongen die ik daar ken. (…) Een vriend van hem zou het regelen. (…) [B.] is niet ingestapt in de auto. We zijn naar zijn baas gegaan. (…). U vraagt me waarom ik op de ontmoetingsplek niet in de auto ben gebleven. Ik ben gewoon uitgestapt en ben op de achtergrond gebleven. Ik wilde gewoon weten wat er gebeurde. (…) Ik heb zelf niet met baas gesproken. Ik heb met niemand gesproken. [R.] heeft met hem gepraat. (…) Ik hoorde van [R.] dat hij de wapens niet wilde (…) Er ontstond een worsteling en ik hoorde een schot. Ik heb niet gezien dat er geschoten werd. Vervolgens werd ik beroofd en ik moest geld afgeven. (…) Een jongeman kwam en schoot mij in mijn buik en ik viel op de grond. (…) [R.] had een pistool bij zich en dat vond ik dreigend. [G.] is een grote kerel en [R.] had een pistool, aldus voelde ik mij bedreigd. (…) Ik heb gezegd dat ik het niet wilde. Ze hadden een pistool en ik had niet zoveel keus. Ik kon wat verdienen. Ik wilde er niets mee te maken hebben. Ik voelde me bedreigd vanwege het pistool. Ik voelde me zowel door [R.] als [G.] bedreigd. [R.] had een pistool, maar [G.] zette mij ook onder druk. Hij belde mij en zei het mij. Toen kwam die vriend met het pistool. (…) Ze hadden een wapen en ik moest meegaan. Ze belden mij en zeiden het meerdere malen. Ze zeiden het niet op een nette toon.”

Blijkens het verslag van de hoorzitting in bezwaar die plaatsvond op 19 oktober 2012 heeft eiser het volgende verklaard: “Aanvrager heeft aangegeven dat hij door [G.] werd gevraagd om wapens voor een vriend van hem te regelen. Aanvrager is naar huis gegaan om te praten. [R.] haalde toen een pistool tevoorschijn en zei dat aanvrager het wapen moest gaan regelen. Aanvrager is het toen gaan regelen. Aanvrager heeft gezegd dat hij niet mee wilde, maar [R.] belde hem meerdere malen om te zeggen dat hij mee moest. Aanvrager dacht dat hem iets aangedaan zou worden als hij niet mee zou gaan. (…)”

8.

De rechtbank concludeert dat uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van eiser en het verslag van de hoorzitting, zoals hierboven onder 7 weergegeven, blijkt dat eiser heeft gefungeerd als contactpersoon voor de wapendeal op 12 oktober 2010. Eiser heeft R. en G. via een kennis van hem, B., in contact gebracht met de personen met wie de uiteindelijke ontmoeting heeft plaatsgevonden. Eiser heeft niet alleen het contact gelegd, maar is ook meegegaan naar de ontmoetingsplek. Dat eiser betrokken was bij de wapendeal en als contactpersoon heeft gefungeerd, is tussen partijen ook niet in geschil.

Verweerster heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiser zich in het criminele circuit bevond, nu sprake was van (geplande) wapenhandel.

9.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door eiser geleden schade mede een gevolg is van een omstandigheid die hem is toe te rekenen. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

10.

Verweerster heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat sprake was van dwang. Eiser heeft zijn stelling hierover alleen onderbouwd aan de hand van zijn eigen verklaring bij de
rechter-commissaris. Daarin heeft hij verklaard dat R. hem een wapen heeft getoond en dat hij door R. en G. is gebeld. Eiser heeft niet nader onderbouwd wat er aan de telefoon is gezegd, waardoor hij reden had zich bedreigd te voelen. Verweerster heeft het enkele tonen van een wapen door R. aan eiser onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat eiser bedreigd is, juist ook omdat het in dat gesprek ging over een wapendeal en het dus niet onaannemelijk is dat het wapen om een andere reden werd getoond. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het er niet toe doet of eiser bedreigd is, maar dat hij zich door het aanschouwen van het wapen bedreigd voelde en dat hij daarom als contactpersoon heeft gefungeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster het zich bedreigd voelen echter onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat eiser ook daadwerkelijk is gedwongen als contactpersoon bij de wapendeal te fungeren. Verweerster heeft daarbij ter zitting ook terecht aangevoerd dat het standpunt van eiser, dat sprake was van dwang, niet valt te rijmen met de verklaring van eiser dat hij er wat mee kon verdienen. Overigens, als het aanschouwen van een wapen eiser heeft beangstigd, had het op zijn weg gelegen zich te wenden tot de politie of een advocaat met een verzoek om hulp. De beroepsgrond, dat eiser gedwongen bij de wapendeal betrokken was, slaagt niet.

11.

Nu eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van dwang door G. en R., treft ook het betoog van eiser, dat hij zich door zijn beperkte verstandelijke vermogens en zijn psychische gesteldheid niet aan die dwang heeft kunnen ontworstelen, geen doel.

12.

Ten aanzien van eisers standpunt dat hij door zijn beperkte verstandelijke vermogens en zijn psychische gesteldheid niet in staat is situaties te overzien en dat hij zichzelf niet bewust in een gevaarlijke situatie heeft gebracht, oordeelt de rechtbank dat hij aan de hand van de overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die verstandelijke vermogens en psychische gesteldheid in causaal verband staan tot zijn betrokkenheid bij de wapendeal op 12 oktober 2010. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat eiser een lage intelligentie heeft, dat hij ‘langdurige behandeling nodig heeft om beter inzicht te krijgen over zijn leven en voldoende vaardigheden aan te leren om zijn ego-ontwikkeling (coping) te versterken’ en dat hij onder bewind is gesteld. Verweerster heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daaruit niet zonder meer valt af te leiden dat eiser geen inzicht kan hebben in de gevolgen van zijn gedrag en dat hij hiertegen geen weerstand kan bieden. Zo heeft eiser onvoldoende onderbouwd in welke copingvaardigheden hij tekortschiet, wat hiervan de gevolgen zijn voor zijn gedrag en hoe dit in relatie tot het geweldsincident een rol heeft gespeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

13.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerster zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan eiser toegebrachte schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan hem is toe te rekenen. Verweerster heeft eiser daarbij mogen tegenwerpen dat hij, die zich ten tijde van het geweldsincident in het criminele circuit bevond, zich onnodig en toerekenbaar in een situatie heeft gebracht, waarin hij geweld kon en moest verwachten. Verweerster heeft het – onder 6 omschreven – beleid bij artikel 5 van de Wsg dan ook juist toegepast, inhoudende dat een aanvraag om uitkering in het geheel wordt afgewezen als het slachtoffer zich in het criminele circuit bevindt. De slotsom luidt dat verweerster bij het bestreden besluit in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven op grond van artikel 5 van de Wsg achterwege heeft kunnen laten blijven.

14.

Het beroep is ongegrond.

15.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van
W.A. van Osch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2013.

(de griffier is verhinderd
deze uitspraak
te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.