Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3338

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
16-657310-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeluk waarbij 2 personen zijn overleden en een andere persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, veroordeeld tot een werkstraf van 160 uren en OBM van 1 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/657310-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 2 april 2013.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] ([postcode]) in [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. J.P. Plasman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

primair: met zijn auto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij twee personen zijn omgekomen en één persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen

subsidiair: zich zodanig heeft gedragen dat er gevaar op de weg is veroorzaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Naar de mening van het OM is er geen sprake van roekeloos of zeer onvoorzichtig rijden. Wel is er sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden. Conform heersende jurisprudentie is een dergelijke mate van schuld niet af te leiden uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, maar komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Zij verwijst hiervoor naar het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 met vindplaats LJN AO5822. Volgens haar moet hierbij worden meegewogen dat er een stuurbeweging naar rechts is gemaakt, dat de door verdachte bestuurde auto de doorgetrokken streep van de vluchtstrook is gepasseerd, dat de verdachte hierop niet heeft gereageerd, dat de auto op de rechterzijde van de vluchtstrook terecht is gekomen en dat de auto zonder daarbij te remmen vol op een op de vluchtstrook aanwezige auto is gebotst. Dit is meer dan een kort moment van onoplettendheid te noemen. Het gedrag van verdachte is derhalve aan te merken als aanmerkelijk onoplettend en daardoor kan schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 worden bewezen, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en voert hiertoe, zakelijk weergegeven het volgende aan. De officier van justitie geeft aan dat sprake is geweest van een langere tijd van onoplettendheid dan enkel een kort moment. De auto is op de vluchtstrook terecht gekomen. Hoe lang dat heeft geduurd is niet te zeggen. Verdachte reed ongeveer 110 kilometer per uur en heeft de achterlichten van de Chevrolet niet waargenomen. Dat wil nog niet zeggen dat hij ook niet heeft gereageerd op hetgeen gebeurde. Tussen het moment van waarnemen dat het mis gaat en het hierop reageren, door bijvoorbeeld op het rempedaal te trappen, zit altijd enige tijd. Het is mogelijk dat de auto in een kortstondig moment, gezien de snelheid waarmee werd gereden, al tientallen meters verder was gereden, voordat verdachte kon reageren. Verdachte weet niet meer wat er is gebeurd, hij kan het zich simpelweg niet meer herinneren. De raadsman verwijst eveneens naar het arrest dat de officier van justitie heeft aangehaald in haar requisitoir. Duidelijke aanknopingspunten ontbreken in onderhavige zaak. De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten1

Op 7 juni 2012 heeft op de voor het openbaar verkeer opengestelde Rijksweg A2 een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een BMW type X6 (hierna BMW) en een Chevrolet type Trans Sport (hierna Chevrolet) betrokken waren. Verdachte was de bestuurder van de BMW.

De Chevrolet reed over de A2 en is ter hoogte van hectometerpaal 39.8 stil gaan staan op de rechtervluchtstrook, komende uit de richting van Utrecht en gaande in de richting van Amsterdam. De Chevrolet stond daar stil omdat één van de vijf inzittenden onwel was geworden en had gebraakt in het voertuig. De bestuurder van de Chevrolet heeft vervolgens de auto op de vluchtstrook geparkeerd en de alarmlichten ingeschakeld2, zodat de passagier die onwel was geworden naar buiten kon.3 Twee andere inzittenden, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn ook uitgestapt om de passagier die onwel was geworden te helpen.[slachtoffer 2] stond vermoedelijk bij de vangrail en [slachtoffer 1] bevond zich vermoedelijk bij de achterklep van de Chevrolet. De andere twee inzittenden zijn in de auto blijven zitten.4

Op dat moment reed verdachte met de door hem bestuurde BMW de vluchtstrook op, waarbij hij met de voorzijde van zijn auto in de achterzijde van de Chevrolet terecht kwam. Hierdoor is passagier [slachtoffer 1] tussen de voorzijde van de BMW en de achterzijde van de Chevrolet terechtgekomen. De Chevrolet wordt vervolgens door de aanrijding om zijn eigen as geworpen en komt daarbij op de rijbaan tot stilstand, met de voorzijde tegen de rijrichting in. De BMW maakt een bocht naar links, vanaf de vluchtstrook en rijdt met de rechter voorzijde tegen de linkervoorzijde van de Chevrolet, waarna de BMW geheel tot stilstand komt. Hierbij komt [slachtoffer 1] op het wegdek terecht. Zijn hoofd wordt door het rechter voorwiel van de BMW overreden, waarna hij ter plaatse komt te overlijden.5

De andere passagier,[slachtoffer 2], wordt vermoedelijk door de om zijn as draaiende Chevrolet gegrepen en komt terecht op het wegdek. Ook hij overlijdt ter plaatse.6

De passagier die op de bijrijdersstoel is blijven zitten,[slachtoffer 3], wordt door het passagierscompartiment van de Chevrolet geslingerd en loopt ernstig hoofd- en inwendig letsel op. Ook verdachte wordt met letsel overgebracht naar het ziekenhuis.7

Vast staat dat het ongeval ’s nachts heeft plaatsgevonden. Het wegdek was droog en normaal ingereden en de straatverlichting was in werking.8

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte als bestuurder van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur9 op een rijbaan met vijf rijstroken, na een stuurbeweging10 op de rechtervluchtstrook is gekomen en daar zonder te remmen in botsing is gekomen met een op die vluchtstrook stilstaande personenauto waarvan de dimlichten en tevens de alarmlichten in werking waren. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat zou in concreto evenwel anders kunnen zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden – bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde – waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Verdachte heeft omtrent bovengenoemde omstandigheden niets aangevoerd. Derhalve neemt de rechtbank aan dat hiervan geen sprake is geweest, waardoor sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Op 7 juni 2012 te Baambrugge als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend:

-buiten een noodgeval, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur, gebruik te maken van de rechts naast de rijstroken gelegen vluchtstrook en

-vervolgens zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien waarover deze vrij was en

-vervolgens op voornoemde vluchtstrook in aanrijding te komen met een motorrijtuig dat aan de uiterste rechterzijde op die vluchtstrook stil stond, terwijl de dimlichten en de waarschuwingslichten in werking waren;

waardoor de oorspronkelijke inzittenden van dat motorrijtuig, [slachtoffer 2], geboren[geboortedatum 2]en[slachtoffer 1], geboren [geboortedatum 3] werden gedood en een persoon, [slachtoffer 3], geboren [geboortedatum 4] zwaar letsel bekwam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, daarnaast een werkstraf van 240 uur, indien deze niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd te vervangen door 120 dagen hechtenis en ten slotte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs van verdachte reeds was ingetrokken.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is zelf psychisch zwaar getroffen door het ongeval. Zijn bedrijf lijdt eronder. Hij is verder zijn rijbewijs al 6 maanden kwijt geweest als gevolg van het ongeluk. Daarnaast heeft verdachte een blanco strafblad. Hij heeft volledig meegewerkt en direct een verklaring afgelegd bij de politie. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met de uitspraak van het Hof in Leeuwarden welke de officier van justitie zelf heeft aangehaald in haar requisitoir. In deze zaak is namelijk tot een strafoplegging beslist die aanzienlijk lager is dan hetgeen de officier eist tegen zijn cliënt.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt in overweging dat het bepalen van een straf voor het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval enerzijds wordt bepaald door de ernst van de gevolgen en anderzijds door de mate van verwijtbaarheid.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast is acht geslagen op straffen die zij in gelijksoortige zaken in de regel oplegt.

Bij het door verdachte veroorzaakte ongeval zijn twee jonge mannen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], om het leven gekomen en is een medestudent[slachtoffer 3] zwaar gewond geraakt. Dit ongeval heeft bij de nabestaanden veel verdriet veroorzaakt. Ook [slachtoffer 3] zal in zijn leven telkens geconfronteerd worden met de gevolgen van het ongeval.

De rechtbank heeft op basis van de bewezen feitelijke omstandigheden vastgesteld dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam is geweest. De rechtbank heeft bij bestudering van het dossier en het onderzoek op de zitting geconstateerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een groter verwijt dan aanmerkelijke onbewuste schuld.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 februari 2013, waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft, alsmede het rapport van de reclassering over verdachte van 15 februari 2013. Hieruit blijkt ondermeer dat de gevolgen van het ongeval voor verdachte eveneens ernstig zijn geweest. Dit is op zitting ook gebleken. Verder zal de rechtbank in haar oordeel betrekken dat de geldigheid van het rijbewijs van verdachte gedurende een half jaar was geschorst in verband met een onderzoek van het CBR.

In zaken als de onderhavige legt de rechtbank in de regel een werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid op. Een straf overeenkomstig het voorstel van de raadsman doet onvoldoende recht aan de ernst van de gevolgen van het ongeval, terwijl een straf gelijk de eis van de officier van justitie eerst aan de orde zou zijn indien de verdachte een groter verwijt zou kunnen worden gemaakt dan aanmerkelijke schuld en er gegronde vrees voor recidive zou zijn..

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 160 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen van 1 jaar passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 160 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 1 jaar;

- bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingeleverd is geweest in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.W.G. de Beer, voorzitter,

mrs. P.K. van Riemsdijk en Y.M. Vanwersch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 07 juni 2012, te Baambrugge, gemeente de Ronde Venen, althans in het arrondissement Utrecht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A2,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

buiten een noodgeval met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 100 kilometer per uur) gebruik te maken van de (rechts) naast de rijstroken gelegenvluchtstrook, en/of;

(vervolgens) zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of;

(vervolgens) op voornoemde vluchtstrook in aanrijding te komen met een motorrijtuig dat (aan de uiterste rechterzijde) op die vluchtstrook stil stond, terwijl de dimlichten en/of de waarschuwingslichten in werking waren;

waardoor de (oorspronkelijke) inzittenden van dat motorrijtuig ([slachtoffer 2], geboren[geboortedatum 2]en/of [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum 3]) werd(en) gedood en/of een persoon ([slachtoffer 3], geboren [geboortedatum 4]) (zwaar) letsel bekwam;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 07 juni 2012, te Baambrugge, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A2,

buiten een noodgeval met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 100 kilometer per uur) gebruik heeft gemaakt van de (rechts) naast de rijstroken gelegen vluchtstrook, en/of;

(vervolgens) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat zijn motorrijtuig (tijdig) tot stilstand te

brengen bij nadering van een (aan de uiterste rechterzijde van die vluchtstrook) stilstaand motorrijtuig, welke dimlicht en/of (knipperende) waarschuwingslichten voerde, ten gevolge waarvan een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en het op de vluchtstrook stilstaand motorrijtuig,

waardoor de (oorspronkelijke) inzittenden van dat motorrijtuig ([slachtoffer 2], geboren[geboortedatum 2]en/of [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum 3]) werd(en) gedood en/of een persoon ([slachtoffer 3], geboren [geboortedatum 4]) (zwaar) letsel bekwam en/of schade aan goederen is toegebracht;

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL261N 2012029401, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 496.

3 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 37.

4 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 38.

5 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 38 in combinatie met proces-verbaal verkeersongevallenanalyse p. 475 tot en met p. 482.

6 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 38.

7 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 38.

8 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse p. 474.

9 Tracking systeem BMW, p. 376.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 153.