Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3330

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
C?16/346386 / FA RK 13-3837
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een BOPZ maatregel waarbij problemen waren met betrekking tot de geneeskundige verklaring. Daarvoor is vereist dat betrokkene gezien is door een onafhankelijke medical expert ingevolge het varbanov-arrest. In casu was er onvoldoende sprake dat dergelijk onderzoek gedaan was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/346386 / FA RK 13-3837

Voortzetting inbewaringstelling

Beschikking van 18 juni 2013

op het verzoek van de officier van justitie van 14 juni 2013 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van:

[verzoeker],

geboren op[geboortedatum],

wonende te[postcode] [woonplaats], [adres],

tot voor kort verblijvende in Sint Antonius Ziekenhuis locatie Overvecht te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder afschriften van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Zeist van 13 juni 2013 en van de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).

De rechtbank heeft gehoord:

  • -

    mr. R.J.F.M. ten Berge, raadsvrouw van betrokkene,

  • -

    mevrouw[A], arts-assistent,

  • -

    de heer [B], groepsleiding Singelzicht,

  • -

    de heer[C], arts-assistent.

Mevrouw[A], arts-assistent, heeft ter zitting verklaard dat betrokkene is ontsnapt tijdens een begeleid verlof en dat hij zodoende niet meer in de instelling verblijft. Het is onbekend waar betrokkene nu verblijft. De betrokkene is derhalve niet gehoord kunnen worden.

Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht om een beslissing te nemen.

De heer[C], arts-assistent, heeft ter zitting verklaard de dag na opname met de heer[D], psychiater, met betrokkene te hebben gesproken, van welk gesprek aantekeningen door de heer[C] zijn opgenomen in de decursus waarvan een uitdraai tijdens de zitting aan de rechter en de advocaat zijn overhandigd. Hieruit blijkt dat de heer [D] in het betreffende gesprek geen psychotisch of manisch toestandsbeeld bij betrokkene waargenomen heeft, maar vooral anti-sociaal gedrag vanuit een geagiteerd toestandsbeeld.

De arts-assistent [A] verklaart, in tegenstelling tot hetgeen de heer [D] heeft waargenomen, een dag later wel degelijk een psychotisch toestandbeeld te hebben waargenomen bij betrokkene.

De heer [B], groepsleiding Singelzicht, heeft ter zitting verklaard dat betrokkene in de tweede helft van een begeleide werkweek in Spanje paranoïde en antisociaal gedrag begon te vertonen waarop hij met betrokkene terug is gegaan naar Nederland.

De raadsvrouw van betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de geneeskundige verklaring van de dhr. MSc V. Bon niet zonder meer voldoet aan de te stellen eisen aangezien hij ANIOS is en geen psychiater als bedoeld in de wet. Er is namelijk geen zgn. Varbanov-verklaring van een psychiater die betrokkene kort na opname heeft onderzocht en verklaard heeft dat hij de bevindingen en conclusies van de psychiater in opleiding onderschrijft. De notitie van mevrouw [A], psychiater, in de decursus valt niet aan te merken als die van een onafhankelijke deskundige daar zij op het moment van onderzoek reeds in behandelrelatie stond met betrokkene. Ook de verklaring van mevrouw [A] en dhr.[C] zijn daarvoor niet toereikend.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het zgn. Varbanov-arrest van 5 oktober 2000 (BJ 2001/36) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geoordeeld dat enkel mag worden aangenomen dat sprake is van een stoornis van de geestesvermogens (“considered to be of an unsound mind”) en op die grond vrijheidsbeneming plaats kan vinden als (onder meer) op betrouwbare wijze is vastgesteld dat er sprake is van een stoornis van de geestesvermogens.

Voorafgaand aan de vrijheidsbeneming dient de betreffende persoon dan ook te worden onderzocht door een medisch deskundige (“medical expert”), die - uiteraard - tot het oordeel moet komen dat er sprake is van een stoornis van de geestesvermogens (of, in het geval van een inbewaringstelling, het ernstige vermoeden dat hiervan sprake is).

Is dit oordeel van een medisch deskundige niet gezocht, dan kan van rechtmatige vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geen sprake zijn. Dit volgt ook uit het Winterwerp-arrest het EHRM van 24 oktober 1979 (NJ 1980, 114).

De Hoge Raad heeft nadien (21 februari 2003, NJ 2003, 484) geoordeeld dat de eis van “objective medical expertise” in die zin moet worden verstaan dat – behoudens noodsituaties – de betrokkene door een specialist persoonlijk voorafgaand aan de opname wordt onderzocht. Die specialist dient in beginsel een onafhankelijk psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet BOPZ te zijn.

Indien de inbewaringstelling is gelast op grond van een verklaring van een arts die geen psychiater is (zoals bijvoorbeeld een arts in opleiding tot specialist (AIOS) of een psychiater die recent bij de behandeling betrokken is geweest, kan op grond van artikel 5 lid 1 aanhef en onder e van het EVRM de inbewaringstelling slechts door de rechtbank worden verleend indien zij heeft kennis genomen van een schriftelijke – dan wel een ter zitting mondeling afgelegde – verklaring van een niet behandelend psychiater die de betrokkene na de vrijheidsbeneming persoonlijk heeft onderzocht (hetgeen blijkt uit Hoge Raad 26 september 2008, LJN BD4375).

De rechtbank is niet tot de overtuiging gekomen dat de verklaring van mevrouw [A], psychiater, valt binnen de eis van “objective medical expertise” daar ten tijde van de door haar op 15 juni 2013 om 15:42 in het decursus vermelde bevindingen inmiddels sprake was van een behandelrelatie met betrokkene. De aantekeningen van de heer[C], arts-assistent, betreffende zijn overleg met de heer[D], alsmede de bevindingen van mevrouw [A] een dag nadien, voldoen evenmin aan de eisen die de wet stelt aan een verklaring van een onafhankelijke deskundige.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de geneeskundige verklaring niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en kan daardoor niet tot de overtuiging komen dat er sprake is van een ernstig vermoeden van een stoornis van de geestvermogens en daaruit voortvloeiend gevaar.

De rechtbank zal het verzoek om voortzetting van de inbewaringstelling afwijzen.

De rechtbank:

Wijst het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, rechter, in aanwezigheid van C.J. van Beers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.