Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3265

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
C-16-342546 - JE RK 13-1097
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. niet voldaan aan voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Locatie Utrecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Zaak-/rolnummer: C/16/342546 / JE RK 13-1097

Beschikking van de kinderrechter van 25 juni 2013 met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

nader te noemen:[minderjarige].

De kinderrechter merkt naast de verzoeker als belanghebbenden aan:

- [vader],

wonende te [woonplaats],

- [moeder],

wonende te [woonplaats].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [moeder] en [vader].

1 Verloop van de procedure

1.1.

[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna: BJZ). De ondertoezichtstelling loopt tot 5 juni 2014.

1.2.

BJZ heeft op 17 april 2013 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van[minderjarige] voor de periode van één jaar.

1.3.

Daarbij is het indicatiebesluit overgelegd.

1.4.

Bij beschikking van 4 juni 2013 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing ambtshalve verlengd in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs, met ingang van 5 juni 2013 tot 29 juni 2013 en het verzoek voor het overige aangehouden in afwachting van het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en het daarbij behorende hulpverleningsplan.

1.5.

Bij fax van 5 juni 2013 heeft BJZ het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en het daarbij behorende hulpverleningsplan overgelegd.

1.6.

Op 24 juni 2013 heeft de mondelinge behandeling van het aangehouden deel van het verzoek plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij de behandeling zijn verschenen:

  • -

    de moeder, [moeder],

  • -

    de vader, de heer [vader],

  • -

    de advocaat van de ouders, mr. M. Nieuwendijk,

  • -

    namens BJZ, mevrouw D. Heijmel,

  • -

    de opa van[minderjarige], de [A],

2 Vaststellingen en overwegingen

2.1.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen mevrouw Heijmels namens BJZ ter zitting heeft verklaard komt het volgende naar voren.[minderjarige] woont sinds april 2013 bij een perspectiefbiedend pleeggezin. Hij krijgt daar de benodigde structuur en grenzen aangeboden en ontwikkelt zich goed. De ouders houden zich aan de gemaakte afspraken omtrent de omgang en hebben nu ook een positievere houding naar BJZ toe dan voorheen. Zij zijn echter nog steeds niet in staat gebleken om aan de gestelde voorwaarden te voldoen. De persoonlijke problematiek van de ouders is onveranderd en zij ondernemen niets om hier hulp voor te krijgen. Ouders reageren niet op mailtjes van BJZ en weigeren aangetekende post aan te nemen. Hierdoor is het lastig om met ouders samen te werken en tot afspraken te komen. Ouders nemen een afwachtende houding aan en geven geen inzicht in hun handelen. Gelet op het verleden waarin de ouders meerdere kansen hebben gehad om met hulp van BJZ en andere vormen van hulpverlening aan de voorwaarden voor terugplaatsing te kunnen voldoen, verwacht BJZ niet dat de ouders hier nog constructieve stappen in kunnen nemen. BJZ vindt het noodzakelijk dat er, gezien de jonge leeftijd van[minderjarige], snel duidelijkheid komt over het perspectief van[minderjarige]. Volgens BJZ is een terugplaatsing niet meer aan de orde. Aan de Raad voor de Kinderbescherming is inmiddels verzocht onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel.

2.2.

Door en namens de ouders is verweer gevoerd tegen het verzoek van BJZ. De ouders verzoeken de machtiging uithuisplaatsing voor een kortere periode te verlenen, te weten voor de duur van drie tot zes maanden. Hiertoe is aangevoerd dat uit de evaluatie van BJZ blijkt dat ouders verbetering laten zien in het stellen van grenzen en zij derhalve leerbaar zijn. Ouders doen hun best, willen meewerken en houden zich goed aan de afspraken. De ouders begrijpen niet dat er niet meer toegewerkt kan worden aan de thuisplaatsing en vinden dat de ingezette hulpverlening minimaal.[minderjarige] in een perspectiefbiedend pleeggezin plaatsen vinden zij tegenstrijdig met de positieve ontwikkeling die zij het afgelopen jaar volgens BJZ hebben doorgemaakt. De ouders willen aan BJZ laten zien dat hun huis op orde is, maar de gezinsvoogd komt niet langs en zij hebben haar al vanaf december 2012 niet meer gezien. Ook reageert de gezinsvoogd niet op hun mail. Daarnaast betwisten de ouders dat zij de aangetekende post van BJZ niet aannemen. Volgens hen is de deurbel kapot waardoor zij waarschijnlijk de postbode hebben gemist. De ouders stellen graag aan de voorwaarden te willen voldoen, echter aan het uit laten voeren van het Persoonlijkheidsonderzoek (hierna: PO) door een onafhankelijke instantie, zoals zij dat wensen, zijn hoge kosten verbonden. Zij hebben daar geen geld voor. Daarnaast hebben zij geen goed contact met de huisarts. De ouders willen zich bij een andere huisarts aanmelden om de noodzakelijke begeleiding te krijgen om alsnog aan de voorwaarden te kunnen voldoen. Zij willen daar graag de kans voor krijgen.

2.3.

Op grond van de verkregen informatie van de zijde van BJZ en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van[minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

2.4.

[minderjarige] is in 2010 uit huis geplaatst. Er waren veel zorgen over de ontwikkeling van[minderjarige]. De ouders bleken niet in staat om hem een veilig thuis te bieden. Er was sprake van verwaarlozing en gebruik van alcohol en softdrugs door de ouders en ouders konden niet tegemoet komen aan de behoeften van[minderjarige]. Hoewel[minderjarige] onder toezicht stond, was het voor de gezinsvoogd, toen nog van de William Schrikker Jeugdbescherming, niet mogelijk om in contact met de ouders te komen waardoor het inzetten van noodzakelijke hulpverlening van Lijn 5 en de aanmelding van[minderjarige] bij een VVE-peuterspeelzaal (Voor- en Vroegschoolse Educatie) op dat moment niet gelukt was. De kinderrechter heeft ter zitting van 30 maart 2010 de ouders een kans gegeven om intensieve gezinsbegeleiding van Lijn 5 te accepteren teneinde een uithuisplaatsing te voorkomen. Op 1 april 2010 heeft de gezinsvoogd aan de rechtbank laten weten dat ouders hiermee akkoord zouden gaan en dat zij met de gezinsvoogd tot duidelijke afspraken waren gekomen. Ouders bleken echter de afspraken niet na te komen. Op 23 juni 2010 is een crisismachtiging uithuisplaatsing afgegeven omdat er vanaf 7 mei 2010 geen contact meer was geweest met de ouders en vermoed werd dat de ouders met[minderjarige] vertrokken waren. Hun woning was ontruimd vanwege een hoge huurschuld en overlast.

Omdat op 6 juli 2010 nog steeds niet duidelijk was waar[minderjarige] verbleef, is de machtiging uithuisplaatsing van[minderjarige] verlengd tot 5 juni 2011. Omtrent het verlengingsverzoek het jaar daarop overwoog de kinderrechter dat de ouders eerder kansen hadden gehad om met hulpverlening[minderjarige] op te kunnen voeden, maar dat zij toch een kans moesten krijgen om een nieuwe poging met de hulpverlening te wagen. De ouders waren net gestart met hulpverlening van Pyxis en de kinderrechter was van oordeel dat eerst bezien moest worden of ouders met deze hulpverlening de gewenste resultaten zouden boeken. De machtiging uithuisplaatsing werd daarom voor zes maanden verlengd. Ondertussen werd de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de WSJ, op verzoek van de ouders, overgenomen door BJZ.

In december 2011 overwoog de kinderrechter dat toegewerkt diende te worden naar een terugplaatsing en dat middels video interactie begeleiding (VIB) onderzocht moest worden wat de pedagogische vaardigheden van de ouders zijn en of zij voldoende leerbaar zijn. De kinderrechter verlengde de uithuisplaatsing slechts voor drie maanden.

Bij beschikking van 7 maart 2012 overwoog de kinderrechter vervolgens dat de ouders zich positief hadden ingezet en meegewerkt hadden aan de VIB, maar dat de ouders nog steeds geen zicht hadden op wat[minderjarige] nodig heeft en waarom hun vroegere handelen schadelijk voor hem was. Omdat er nog steeds weinig zicht was op de opvoedingsvaardigheden van de ouders was een uithuisplaatsing op dat moment nog noodzakelijk. De kinderrechter overwoog dat het van belang was dat er inzicht zou komen over de vraag of ouders over voldoende opvoedvaardigheden beschikken om aan de belangen van[minderjarige] tegemoet te komen en hem een veilige en stabiele omgeving te bieden waarin hij zich leeftijdsadequaat kan ontwikkelen.

Bij beschikking van 5 juni 2012 werd door de kinderrechter de ouders wederom een kans gegund. De ouders hadden nog niet aan de voorwaarden voldaan waardoor een terugplaatsing op dat moment niet aan de orde was vanwege de onzekere woonsituatie van de ouders en de instabiliteit van de hele situatie. Omdat de door BJZ gestelde voorwaarden niet duidelijk voor de ouders bleken te zijn en zij wel hun best deden, verlengde de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden zodat BJZ en de ouders hierover met elkaar in gesprek konden gaan en afgewacht kon worden hoe de ouders invulling zouden geven aan de voorwaarden.

In december 2012 is de machtiging uithuisplaatsing vervolgens verlengd tot 5 juni 2013. De kinderrechter was van oordeel dat de ouders de afgelopen jaren meerdere kansen hadden gekregen om te voldoen aan de voorwaarden van BJZ, maar dat zij daar, ondanks hun inzet, niet in geslaagd zijn, met uitzondering van de voorwaarde dat zij zelfstandige woonruimte dienden te hebben.

2.5.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat er thans geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van hetgeen is vastgesteld en overwogen in de beschikking van de kinderrechter van 4 december 2012. De ouders hebben niet aan de voorwaarden voldaan. De ouders stellen dat BJZ andere voorwaarden stelt aan de terugplaatsing dan de WSJ voorheen deed. Zij willen wel aan de voorwaarden van BJZ voldoen, maar vinden deze te zwaar en bovendien geven zij aan dat zij een PO niet kunnen bekostigen.

Uit de stukken is gebleken dat BJZ dezelfde voorwaarden hanteert als de WSJ, maar dat BJZ daarnaast twee voorwaarden heeft toegevoegd die betrekking hebben op de veiligheid van[minderjarige] en de opvoedvaardigheden van de ouders. Deze voorwaarden zijn noodzakelijk voor de beoordeling of[minderjarige] terug kan en of ouders in staat zijn om[minderjarige] een veilige thuissituatie te bieden met de noodzakelijke regels en structuur. Reeds uit de beschikking van 7 maart 2012 blijkt dat BJZ als aanvullende voorwaarde onder andere heeft gesteld dat er een onderzoek diende plaats te vinden naar de opvoedvaardigheden van ouders. Uit diezelfde beschikking blijkt dat de kinderrechter van oordeel is dat door BJZ bekeken dient te worden of ouders over voldoende opvoedvaardigheden beschikken. Daarnaast heeft BJZ als voorwaarde gesteld dat ouders dienen mee te werken aan bloed- of urinecontroles. Zoals hierboven beschreven hebben de ouders al meerdere kansen gekregen om alsnog te voldoen aan voorwaarden die door de gezinsvoogd zijn gesteld. Het is de ouders echter tot op heden niet gelukt om in het belang van[minderjarige] aan deze voorwaarden van BJZ te voldoen. Daardoor is er nog steeds weinig zicht op de thuissituatie en de problematiek van de ouders. Dat de kosten voor het PO voor ouders hoog zijn en de relatie met de huisarts is verstoord doet hier niets aan af. Immers, de voorwaarden zijn de ouders al langere tijd bekend en zij hebben niet kunnen aangeven wat zij tot op heden zelf hebben gedaan om (te proberen) uitvoering te geven aan de voorwaarden of een oplossing te zoeken voor de gerezen problemen. Naar het oordeel van de kinderrechter valt niet te verwachten dat de ouders op korte termijn wel in staat zijn om aan de voorwaarden te voldoen. Daar komt bij dat gebleken is dat de communicatie tussen de ouders en de gezinsvoogd nog steeds niet goed loopt ondanks het feit dat daar ter gelegenheid van meerdere zittingen aandacht aan besteed is en afspraken over zijn gemaakt. Dit maakt dat overleg tussen ouders en de gezinsvoogd en de pleegzorginstelling zeer moeilijk tot stand komt en ouders niet betrokken zijn bij overleggen. Gelet hierop ziet de kinderrechter geen aanleiding de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beperken. De kinderrechter zal de machtiging uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 5 juni 2014.

3 Beslissing

De kinderrechter

3.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van[minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs, zoals bedoeld in het indicatiebesluit van 17 april 2013 met kenmerk B-CAN-OMSCN, met ingang van 29 juni 2013 tot 5 juni 2014;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.M. Crouwel, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013 uitgesproken in tegenwoordigheid van M.B. van Overdam, griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.