Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3096

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
31-07-2013
Zaaknummer
2084921 AV EXPL 13-64 LR 4060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst in 2008 heeft werkgever een leaseauto aan werkneemster ter beschikking gesteld. Enige maanden voor afloop van het leasecontract in 2013 stelt de werkgever dat werkneemster geen recht meer heeft op een leaseauto omdat zij niet aan de kilometernorm voldoet. De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat de leaseauto onderdeel is geweest van de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen voorafgaande aan de indiensttreding van werkneemster bij werkgever en dat haar op basis hiervan een leaseauto is toegekend. Daarnaast heeft de werkgever werkneemster gedurende de jaren 2008 tot en met 2012 in het bezit gelaten van een leaseauto, terwijl werkneemster steeds niet voldeed aan de jaarlijkse kilometernorm die is vastgelegd in een interne regeling. De werkgever heeft geen gebruik gemaakt van de in die regeling bepaalde bevoegdheid de leaseauto tussentijds terug te nemen bij het niet voldoen aan de jaarlijkse kilometernorm. Op grond hiervan heeft werkneemster er naar het voorlopig oordeel van de kantorechter gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de leaseauto tot haar arbeidsvoorwaarden is gaan behoren en dat zij na afloop van het eerste leasecontract recht heeft op behoud van een leaseauto. De werkgever is niet gerechtigd de arbeidsvoorwaarde met betrekking tot de leaseauto te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0604
XpertHR.nl 2014-408097
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 2084921 AV EXPL 13-64 LR 4060

Kort geding vonnis van 17 juli 2013

inzake

[eiseres] ,

wonende te[woonplaats 1],

verder ook te noemen[eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.L. ’t Hart,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Haskoning DHV Nederland B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Haskoning,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.M. Breedveld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juni 2013 met producties (7),

  • -

    productie 8 van[eiseres],

  • -

    producties van Haskoning (5),

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 juli 2013,

  • -

    de pleitnota van Haskoning.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

[eiseres] is op 1 december 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Haskoning in de functie van senior-adviseur. Haar laatst verdiende loon bedraagt € 3.333,-- bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en emolumenten, bij een arbeidsduur van 32 uur per week. Haar standplaats is Eindhoven.

2.2.

In de arbeidsovereenkomst is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

“De arbeidsvoorwaarden, opgenomen in de Rechtspositieregeling (RPR) van de DHV Groep, zullen op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.”

2.3.

Uit hoofde van haar functie dient[eiseres] klanten en projecten te bezoeken. Hiervoor legt zij per auto zakelijke kilometers af. Op 3 december 2007 heeft[eiseres] een ‘Aanvraagformulier Lease-auto’ ingevuld en ondertekend. Op het formulier heeft een BU-directeur van Haskoning een categorie 2 leaseauto geaccordeerd. Het formulier is tevens door een HR-functionaris van Haskoning ondertekend. Op het formulier is onder meer het volgende vermeld:

Raming aantal kilometers per jaar

Zakelijk 20.000 km (incl. woon-werk anders dan naar standplaats)

Privé 10.000 km (incl. woon-werk naar standplaats)

Totaal 30.000 km

Keuze Brandstof Diesel

Eigen bijdrage medewerker

10% van de fiscale waarde, plus accessoires, incl. BTW.

(…)

De aanvrager verklaart kennis genomen te hebben van en akkoord te gaan met de inhoud van de ‘Bedrijfsautoregeling DHV B.V. en de Voorwaarden voor gebruik van de lease-auto’.”

2.4.

In de periode van 1 december 2007 tot 17 mei 2008 heeft[eiseres] de zakelijke kilometers in haar eigen auto respectievelijk in een door Haskoning ter beschikking gestelde voorloopauto afgelegd. Vanaf 17 mei 2008 heeft[eiseres] via Haskoning de beschikking gekregen over een leaseauto van het type Volvo V50. Het hieraan ten grondslag liggende leasecontract met de leasemaatschappij is aangegaan voor de duur van 5 jaar met als einddatum 14 mei 2013.

2.5.

In hoofdstuk 9 ‘Leaseautoregeling’ van de Rechtspositieregeling (maart 2013, versie 1) is onder meer het volgende bepaald:

“9.2 Toewijzing leaseauto

Op het moment dat voorzien wordt dat de medewerker jaarlijks structureel meer dan 17.500 zakelijke kilometers per jaar zal rijden, overleggen werkgever en werknemer over een mogelijke toewijzing van een leaseauto. Zakelijke kilometers zijn die kilometers die de medewerker, na toestemming van de leidinggevende, met zijn privéauto aflegt in relatie tot de uitoefening van zijn functie, niet zijnde woon-werk kilometers.

Toekenning van een lease-auto geschiedt door de Directie. Naast het hierboven genoemde criterium van functionele noodzaak/bedrijfseconomische afweging kan de Directie een leaseauto aan medewerkers beschikbaar stellen als onderdeel van hun voorwaarden.

(…)

Een eenmaal gekozen of toegewezen leaseauto wordt door de medewerker, mits deze hiervoor in aanmerking komt, gebruikt tot het einde van het leasecontract, ook bij tussentijdse overstap naar een functie waarvoor een hoger of lager normleasebedrag geldt.(…)”

9.6

Gebruik van de leaseauto

Gebruiksrecht

Toekenning van een leaseauto geldt niet automatisch voor de duur van een leasecontract. Wijzigt de inhoud van het werk, de functie of het dienstverband en voldoet de medewerker daarmee structureel niet meer aan de toekenningscriteria, dan kan DHV de toekenning van de auto opnieuw bezien (zie ook 9.7). Leidinggevende en medewerker komen in voorkomende gevallen in overleg tot een passende oplossing.

(…)

9.7

Beëindiging en opschorting

DHV kan overgaan tot beëindiging van de terbeschikkingstelling zes maanden nadat de medewerker niet meer voldoet aan de toekenningscriteria als aangegeven in 9.1 en 9.2

(…)”

2.6.

In het voorjaar van 2013 heeft[eiseres] in verband met de naderende einddatum van het leasecontract een aanvraag bij Haskoning ingediend voor een nieuwe leaseauto. De heer[A] (hierna:[A]), Directeur Business Unit Regionale en Stedelijke Ontwikkeling bij Haskoning en leidinggevende van[eiseres], heeft negatief beslist op haar aanvraag.

2.7.

Op 29 maart 2013 heeft[eiseres] een e-mail gezonden aan Haskoning. Hierin schrijft zij onder meer het volgende:

“Hieronder een puntsgewijze samenvatting van de situatie rondom mijn aanvraag voor een lease-auto.

1 december 2007 in dienst bij DHV B.V.

Hier aan voorafgaand arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen met[B], toenmalig afdelingshoofd.

Er was een verschil van 200 euro netto tussen het door mijn gewenste salaris en aanbod DHV.

De reiskosten vanuit [woonplaats 2] - Eindhoven waren onvoldoende dekkend (ten tijde van de gesprekken woonde ik nog in Berghem maar was het al duidelijk dat ik naar [woonplaats 2] zou verhuizen, mijn huis was in de verkoop en wij hadden optie op bouwgrond in [woonplaats 2]).

Tussen DHV en mij is toen overeengekomen het gat gedeeltelijk te dichten middels lease-auto uit categorie 2 (hoger dan o.b.v. aannameschaal (10) gebruikelijk).

Ik heb gevraagd of er geen problemen zouden ontstaan over de verplichte 15.000 km per jaar. Dit werd afgedaan als een richtlijn waar het bedrijf niet op handhaaft.

Ik kan het gesprek van destijds goed reconstrueren omdat ik in de DHV rechtspositionele regeling map van destijds (2006-2007) nog aantekeningen van mijzelf heb gevonden van dit gesprek.

Bovenstaande afspraak omtrent de lease-auto is niet schriftelijk contractueel vastgelegd.

Het niet handhaven op zakelijke kilometers blijkt ook uit het handelen van het bedrijf in het verleden. In de ruim 5 jaar dat ik nu voor het bedrijf werk ben ik nooit aangesproken over het aantal gereden kilometers.

Zelfs niet tijdens mijn ouderschapsverlof van 1 januari 2011 t/m 6 januari 2013 (24 uur gewerkt i.p.v. 32), waarin het aantal zakelijke kilometers nooit gehaald kon worden.

Tussentijds is er een wijziging geweest van de leaseregeling. Ook toen ben ik niet aangesproken op het aantal gereden zakelijke kilometers. Ik heb gekozen voor handhaving van de oorspronkelijke regeling.

In het laatste kwartaal vorig jaar heb ik gesprekken gevoerd met[C] en [A] over mijn rol in Eindhoven (gezien mijn woonplaats [woonplaats 2] heb ik ook een overplaatsing naar Nijmegen overwogen).[C]heeft uitgesproken dat hij graag zag dat ik in Eindhoven bleef. Ook toen is niet gesproken over het mogelijk niet meer in aanmerking komen voor een lease-auto.

Op basis van het bovenstaande beschouw ik de lease-auto als een arbeidsvoorwaardelijk recht, ik had geen redenen aan te nemen dat dit anders zou zijn.

Dit beeld veranderde bij mijn aanvraag voor een nieuwe lease-auto: het contract loopt per 14 mei af. Mijn aanvraag wordt niet gehonoreerd door [A] met het argument dat ik in het verleden te weinig kilometers heb gereden en hij vond mijn prognose (18.000 kilometer) voor komende jaar te zacht. v.w.b. de prognose ben ik het hier maar gedeeltelijk mee eens. Het blijft een prognose, maar gerelateerd aan de afgelopen periode is het wel een reële verwachting.

Tot en met week 11 heb ik inmiddels 4300 zakelijke kilometers gereden.

Ik ben teleurgesteld in het bedrijf:

Mondelinge afspraken die bij mijn aanstelling zijn gemaakt en waar het bedrijf ook naar gehandeld heeft worden niet langer nagekomen.

In de gesprekken in nov / dec 2012 over het al dan niet blijven werken in Eindhoven is nooit gesproken over het niet langer in aanmerking komen voor een leaseauto. Was dit wel ter sprake gekomen dan had ik dit in mijn overwegingen mee kunnen nemen.

Ik word voor een voldongen feit gesteld zonder enige vorm van compensatie.

Ik vraag het bedrijf de situatie gedurendede tijd van het geschil te laten voortbestaan zoals die nu is (d.w.z. dat ik gebruik kan maken van een (gelijkwaardige) lease-auto).

Ik sta open voor andere oplossingen. Het is niet zo dat ik perse sta op een lease-auto. Maar wat ik niet wil en ook niet terecht vind is een toename van mijn reiskosten. En ik wil een compensatie voor het verschil in salaris als ik inderdaad niet meer in aanmerking kom voor een lease-auto. (…)”

2.8.

In een e-mail van 6 april 2013 schrijft[A] aan[eiseres] onder meer het volgende:

“Ik wil hier even op inhaken om geen verkeerde verwachtingen te scheppen.

Het beeld dat jij schetst is niet de situatie zoals ik er tegen aankijk.

Je hebt een aanvraag ingediend voor een leaseauto en die heb ik afgewezen en je dat uitgebreid mondeling toegelicht. Geheel in lijn met de procedures zoals die daarvoor gelden. Management besluit hierin. Er is geen schriftelijk bewijs waarin jij en oud-DHV bv. expliciet aangeven dat er sprake is van een arbeidsvoorwaardelijk recht. Normaliter heb je niet meer de beschikking over een leaseauto per 14 mei.

Daarnaast loopt een ander traject.

We zijn graag bereid om de indruk die jij hebt gekregen tijdens je sollicitatie nauwkeurig te onderzoeken of dit wel als arbeidsvoorwaardelijk beschouwd moet worden. Daar hebben we even tijd voor nodig.

Het beeld dat jij schetst vat ik even samen als een leaseauto ja, mits. Maar ik zie het als een leaseauto nee, tenzij. Ik wil je daarom vragen je tijdig voor te bereiden op een werksituatie zonder leaseauto, zo nodig in overleg met [C], zodat er geen inefficiëncy gaat ontstaan rond de datum van 14 mei. (…)”

2.9.

Op 8 april 2013 schrijft[eiseres] per e-mail aan[A]:

“Wat mij betreft is alles duidelijk. Ik denk dat het RHDHV onrechtmatig handelt en dit heb ik dan ook voorgelegd bij mijn rechtsbijstandverzekering.

De wijze waarop ik aankijk tegen de situatie, welke ik heb omschreven in een eerdere mail (…), wordt ondersteund door mijn juridisch adviseur. De lease-auto wordt (ook volgens geldende jurisprudentie) gezien als secundaire arbeidsvoorwaarde en mag en kan daarom niet zonder meer worden ontzegt. Het ontbreken van een schriftelijk bewijs waarin dit is vastgelegd is hiervoor niet nodig.

In het licht van het bovenstaande kan en mag ik er dan ook vanuit gaan dat de situatie blijft zoals hij is totdat RHDHV met een passend voorstel komt.”

2.10.

Op 9 april 2013 heeft Haskoning een e-mail gezonden aan[eiseres] met onder meer de volgende inhoud:

“Zoals zojuist telefonisch besproken heb ik in aansluiting op de onderstaande mail van [A] ([A] - kantonrechter) onderzocht of je arbeidsvoorwaardelijk recht hebt op een leaseauto. Dat is niet het geval.

In jouw personeelsdossier is niets vastgelegd over een leaseauto waar je, zonder aan de km eis te hoeven voldoen, recht op hebt. Je gaf zelf aan dit mondeling tijdens jouw arbeidsvoorwaarden gesprek te hebben besproken. Mondelinge overeenkomsten zijn bindend mits beide partijen dezelfde weergave van de gemaakte afspraken hebben.[B] herinnert het gesprek zich anders. Hij heeft laten weten te hebben gezegd dat je alleen recht hebt op een leaseauto mits je aan de km eis voldoet.

Op het aanvraagformulier leaseauto dat jij destijds hebt ondertekent, dat de aanvrager verklaart kennis te hebben genomen van en akkoord te gaan met de inhoud van de ‘Bedrijfsautoregeling DHV B.V. en de Voorwaarden voor gebruik van een leaseauto.’ Dit formulier heb ik als bijlage toegevoegd. In het RPR (paragraaf 9.6) staat vermeld dat toekenning van een leaseauto niet automatisch geldt voor de duur van een leasecontract. Als er iets wijzigt waardoor je structureel niet meer aan de toekenningscriteria voldoet, kan DHV de toekenning van de auto opnieuw bezien.

9.6

Gebruik van de leaseauto

Gebruiksrecht

Toekenning van een leaseauto geldt niet automatisch voor de duur van een leasecontract. Wijzigt de inhoud van het werk, de functie of het dienstverband en voldoet de medewerker daarmee structureel niet meer aan de toekenningscriteria, dan kan DHV de toekenning van de auto opnieuw bezien (zie ook 9.7). Leidinggevende en medewerker komen in voorkomende gevallen in overleg tot een passende oplossing.

Als jouw leasecontract herhaaldelijk zou zijn verlengd terwijl je niet aan de km eis voldoet, zou je kunnen spreken van een gewoonterecht. Hier is in jouw geval geen sprake van.

Ik begrijp dat je gedurende de vijf jaar dat je voor voormalig DHV werkt nooit bent aangesproken op je zakelijke kilometers. Helaas wil dat niet zeggen dat je nu recht hebt op een leaseauto. Conform RPR beroepen wij ons op het recht om jou geen nieuwe leaseauto toe te kennen na beëindiging van het huidige op 17 mei 2013. We vinden het namelijk niet reëel om te verwachten dat je aan de km eis van 17.500 zakelijke km voldoet.

We vinden het vervelend dat er bij jou een verwachting is ontstaan welke wij niet kunnen waarmaken. Om je tegemoet te komen, willen we je bij afloop van je leasecontract gedurende 3 maanden een pool auto ter beschikking stellen. Ik adviseer je om met[C]of de HR Servicedesk contact op te nemen als je vragen hebt over de wijze waarop je na inlevering van de pool auto zakelijk kunt reizen.(…)”

2.11.

Op 9 april 2013 heeft[eiseres] per e-mail aan Haskoning laten weten dat zij onder protest en vanwege praktische redenen gebruik zal maken van het aanbod om na afloop van het leasecontract op 17 mei 2013 voor de duur van drie maanden een poolauto te gebruiken voor haar vervoer.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Haskoning tot het ter beschikking stellen van een leaseauto aan[eiseres], met bijbehorende tankpas, ook over en na 15 augustus 2013, conform categorie 2 van alinea 9.4 van de geldende Leaseautoregeling van maart 2013, met een normleasebedrag van € 948,- per maand exclusief BTW, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of deel daarvan, indien Haskoning ook na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven aan een zodanige veroordeling te voldoen, en met veroordeling van Haskoning in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de leaseauto die haar vanaf haar indiensttreding bij Haskoning ter beschikking is gesteld, en die zij ook privé gebruikt, onderdeel is van haar arbeidsvoorwaarden. Volgens[eiseres] kan Haskoning deze arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig wijzigen. De door Haskoning gehanteerde norm dat jaarlijks minimaal 17.500 zakelijke kilometers gereden moeten worden is noch ondernemingsbreed noch individueel aangehouden dan wel als ondergrens gehanteerd. Indien een werkgever een wijziging van een arbeidsvoorwaarde noodzakelijk acht omdat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, dan dient de werkgever een redelijk voorstel ter compensatie te doen. Aan dit criterium heeft Haskoning niet voldaan, aldus[eiseres].

3.3.

Haskoning voert verweer. Zij voert - kort gezegd - aan dat er geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde, noch van een wijziging daarvan, maar van een uitvoering van de leaseregeling. Indien er wel sprake is van een arbeidsvoorwaarde dan kan deze eenzijdig gewijzigd worden op grond van goed werkgeverschap, omdat het belang van Haskoning zwaarder weegt dan het belang van[eiseres]. Haskoning heeft[eiseres] een redelijk voorstel gedaan ter compensatie, te weten het gebruik van een poolauto voor de duur van 3 maanden na afloop van het leasecontract.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vordering van[eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening als gevorderd. Het spoedeisend belang van[eiseres] bij de gevraagde voorziening is, gelet op het geen bij 2.11 is overwogen, gegeven.

4.2.

[eiseres] stelt dat de leaseauto onderdeel is geweest van de onderhandelingen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden die zij voorafgaande aan haar indiensttreding bij Haskoning heeft gevoerd. Volgens[eiseres] heeft Haskoning haar als arbeidsvoorwaarde een leaseauto toegezegd, omdat Haskoning niet aan haar wens met betrekking tot de hoogte van het salaris kon voldoen. Op het ‘Aanvraagformulier Lease-auto’ heeft[eiseres] op basis van de inschatting van[B] in december 2007 een raming van het aantal te rijden kilometers per jaar ingevuld, te weten 20.000 zakelijke kilometers en 10.000 privékilometers, aldus[eiseres].

4.3.

Haskoning betwist dat de leaseauto onderdeel was van de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen bij indiensttreding van[eiseres]. Volgens haar blijkt noch uit de aanstellingsbrief noch uit de arbeidsovereenkomst dat de leaseauto ongeclausuleerd aan[eiseres] is toegekend. Volgens Haskoning heeft de heer[B] verklaard dat hij tegen[eiseres] heeft gezegd dat zij alleen recht heeft op een leaseauto mits zij aan de kilometernorm voldoet. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst Haskoning naar een

e-mail van 9 april 2013 van Haskoning aan[eiseres].

4.4.

Tussen partijen staat vast dat de afspraak omtrent de toekenning van de leaseauto aan[eiseres] niet schriftelijk is vastgelegd. Dat geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde omdat dat niet uit de aanstellingsbrief of uit de arbeidsovereenkomst van[eiseres] blijkt dat sprake is van een ongeclausuleerde arbeidsvoorwaardelijke toekenning van de leaseauto, zoals Haskoning stelt, laat onverlet dat deze toekenning mondeling kan zijn gedaan en derhalve op die grond bindend is.[eiseres] stelt dat Haskoning niet aan haar wens met betrekking tot de hoogte van het salaris kon voldoen en dat Haskoning haar daarom ter compensatie een leaseauto heeft toegezegd. Tevens stelt[eiseres] dat zij tijdens de onderhandelingen expliciet aan[B] heeft gevraagd wat de gevolgen zouden zijn als zij niet aan de kilometernorm zou voldoen. Volgens[eiseres] luidde het antwoord van[B] dat zij zich geen zorgen hoefde te maken omdat de toenmalige ondergrens van 15.000 zakelijke kilometers per jaar niet gehandhaafd zou worden. Hoewel Haskoning betwist dat[B] en [D] voorafgaande aan de indiensttreding van[eiseres] bij Haskoning met[eiseres] hebben gesproken over de arbeidsvoorwaardelijke toekenning van een leaseauto, heeft Haskoning nagelaten een door[B] dan wel door [D] ondertekende verklaring daaromtrent in het geding te brengen. Het had wel op haar weg gelegen dat te doen. Een verklaring van een derde in de e-mail van 9 april 2013 van Haskoning aan[eiseres] oordeelt de kantonrechter in het licht van de gedetailleerde stelling van[eiseres] voorshands onvoldoende. Daarbij komt dat de stelling van[eiseres] dat[B] haar gezegd heeft dat de ondergrens van 15.000 zakelijke kilometers per jaar niet gehandhaafd wordt, bewaarheid is. Haskoning heeft immers ter zitting bevestigd dat tot nu toe nooit is gecontroleerd of haar medewerkers tussentijds aan de jaarlijkse zakelijke kilometernorm voldoen.

4.5.

Op basis van de voorgaande overwegingen is voorshands aannemelijk dat de leaseauto onderdeel is geweest van de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen voorafgaande aan de indiensttreding van[eiseres] bij Haskoning en dat haar op basis hiervan een leaseauto is toegekend. Afgezien hiervan heeft het volgende te gelden.

4.6.

Haskoning voert aan dat[eiseres] op basis van de artikelen 9.2, 9.6 en 9.7 van de Leaseautoregeling 2013 geen recht heeft op de toekenning van een nieuwe leaseauto. Volgens Haskoning wordt op basis van deze regeling een leaseauto toegewezen, indien voorzien wordt dat de werknemer tenminste 17.500 zakelijke kilometers per jaar zal gaan rijden. Op basis van het aantal kilometers dat[eiseres] in 2011 en 2102 heeft gereden heeft de heer[A], de huidige leidinggevende van[eiseres], geconstateerd dat zij over die jaren niet aan die kilometernorm heeft voldaan. De prognose voor de komende jaren geeft geen valide basis voor de toekenning van een nieuwe leaseauto. Daarom is haar verzoek om toekenning van een nieuwe leaseauto afgewezen, aldus Haskoning.

4.7.

Haskoning beroept zich op de Leaseautoregeling van de Rechtspositieregeling van maart 2013 (versie 1) (hierna: Leaseautoregeling 2013).[eiseres] heeft de toepasselijkheid van deze regeling niet betwist. De kantonrechter zal derhalve bij de beoordeling uitgaan van de toepasselijkheid van de Leaseautoregeling 2013.

4.8.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat[B] bij indiensttreding van[eiseres] bij Haskoning in december 2008 een inschatting heeft gemaakt van het aantal zakelijk door[eiseres] te rijden kilometers. Hij heeft dit aantal geraamd op 20.000 kilometer per jaar. Op basis van deze raming heeft[eiseres] dit aantal destijds ingevuld op het formulier ‘Aanvraagformulier Lease-auto’ dat door Haskoning is goedgekeurd en ondertekend.

4.9.

Ter terechtzitting is verder vast komen te staan dat[eiseres] ieder jaar het door haar gereden aantal zakelijke kilometers aan Haskoning heeft doorgegeven. Haskoning stelt dat[eiseres] 9.300 zakelijke kilometers heeft gereden in 2008, 2.237 zakelijke kilometers in 2009, 2.580 zakelijke kilometers in 2010, 6.186 zakelijke kilometers in 2011 en 7.292 zakelijke kilometers in 2012.[eiseres] heeft de door Haskoning gestelde aantallen zakelijke kilometers per jaar betwist, doch zij heeft nagelaten daar andere aantallen tegenover te stellen. De kantonrechter zal derhalve uitgaan van de door Haskoning gestelde aantallen zakelijke kilometers. Op basis van deze aantallen kan worden vastgesteld dat de inschatting van[B] ten aanzien van het aantal door[eiseres] te rijden aantal zakelijke kilometers per jaar veel te hoog is geweest.

4.10.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is artikel 9.6 van de Leaseautoregeling 2013 niet alleen bedoeld voor de toekenning van een leaseauto gedurende een lopend leasecontract, maar ook voor de toekenning van een nieuwe leaseauto na afloop van een lopend leasecontract. In artikel 9.6 is bepaald dat als de inhoud van het werk, de functie of het dienstverband wijzigt en de werknemer daarmee niet meer structureel aan de toekenningscriteria voldoet, Haskoning de toekenning van een leaseauto opnieuw kan bezien. De in dit artikel genoemde situaties zijn in redelijkheid gelijk te stellen aan de situatie waarin de leidinggevende bij het aangaan van de overeenkomst een verkeerde inschatting heeft gemaakt van het aantal door de werknemer te rijden zakelijke kilometers per jaar, zoals in het onderhavige geval. Derhalve heeft Haskoning onder de gegeven omstandigheden in beginsel de mogelijkheid om op basis van de Leaseautoregeling 2013 de toekenning van de leaseauto aan[eiseres] opnieuw te bezien.

4.11.

Op basis van het aantal zakelijke kilometers dat[eiseres] in de jaren 2008 tot en met 2012 heeft gereden kan worden vastgesteld dat zij nooit heeft voldaan aan de door Haskoning gestelde norm van 17.500 zakelijke kilometers per jaar en al helemaal niet aan het door[B] bij aangaan van de overeenkomst geraamde aantal van 20.000 zakelijke kilometers per jaar.[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat Haskoning haar in de periode van 2008 tot en met 2012 nooit op het jaarlijks door haar gereden aantal zakelijke kilometers heeft aangesproken. Ter terechtzitting heeft Haskoning verklaard dat zij nog nooit aan medewerkers heeft gevraagd de leaseauto tussentijds in te leveren vanwege het niet voldoen aan de kilometernorm en dat zij nooit heeft gecontroleerd of medewerkers aan de zakelijke kilometernorm hebben voldaan.

4.12.

De conclusie is dat Haskoning[eiseres] gedurende de jaren 2008 tot en met 2012 in het bezit heeft gelaten van de leaseauto en dat Haskoning geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid die is vastgelegd in de Leaseautoregeling 2013 de leaseauto tussentijds terug te nemen. Op basis hiervan heeft[eiseres] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de leaseauto tot haar arbeidsvoorwaarden is gaan behoren en dat zij op grond daarvan recht heeft op het behoud van een leaseauto.

4.13.

Bij de voorgaande overweging wordt mede in aanmerking genomen dat Haskoning niet heeft gesteld dat zij[eiseres] bij aanvang van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk heeft gewezen op de duur van het leasecontract met de leasemaatschappij en dat het recht op de leaseauto na afloop van de duur van het leasecontract opnieuw zal moeten worden bezien. Bovendien heeft[eiseres] onbetwist gesteld dat zij niet op het mogelijk eindigen van het recht op een leaseauto is gewezen toen zij met haar leidinggevende een eventuele overplaatsing van Eindhoven naar Nijmegen heeft besproken. Dit laatste is van belang omdat deze overplaatsing aan de orde was vanwege de reisafstand van[eiseres] tussen haar woonplaats [woonplaats 2] en haar standplaats in Eindhoven.

4.14.

Haskoning heeft aangevoerd dat indien er toch aangenomen moet worden dat sprake is van een arbeidsvoorwaarde, deze op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) gewijzigd kan worden. Ter onderbouwing van deze stelling voert zij aan dat zij zich geconfronteerd ziet met de noodzaak kosten te besparen en dat zij door een nauwgezette uitvoering van de leaseautoregeling naar verwachting € 900.000,- kan besparen. Van iedere werknemer mag verlangd worden, en dus ook van[eiseres], dat deze in het algemeen positief ingaat op redelijke voorstellen van de werkgever. Het aanbod betreffende het gebruik van een poolauto voor de duur van drie maanden na afloop van het leasecontract is een alleszins redelijk voorstel. Bovendien kan[eiseres] haar zakelijk gereden kilometers op basis van de bestaande regeling in de toekomst declareren, aldus Haskoning.[eiseres]

4.15.

[eiseres] voert aan dat haar belang bij het behoud van een door Haskoning toegekende leaseauto zwaarder weegt dan het belang van Haskoning bij kostenbesparing. Ter onderbouwing van haar belang heeft[eiseres] een berekening van de kosten van een leaseauto en van een privéauto in het geding gebracht. Volgens haar bedragen de netto kosten van haar laatste leaseauto € 5.522,- per jaar, de netto kosten van haar laatste leaseauto als privéauto € 10.392,-- per jaar en de netto kosten van een nieuwe privéauto van hetzelfde type als haar laatste leaseauto € 13.716,-- per jaar. Zij zal er derhalve bij aanschaf van een auto gelijk aan haar laatste leaseauto €  4.865,00 en bij aanschaf van een nieuwe auto van hetzelfde type als haar laatste leaseauto € 8.189,-- per jaar op achteruit gaan indien Haskoning haar geen nieuwe leaseauto toekent, aldus[eiseres].

4.16.

Haskoning heeft de hierboven weergegeven berekening van[eiseres] niet betwist. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter heeft[eiseres] op basis van de door haar overgelegde berekening voldoende aannemelijk gemaakt dat haar netto autokosten met € 400,00 per maand stijgen indien Haskoning haar geen nieuwe leaseauto toekent. Gelet op de hoogte van haar salaris is dit een substantieel bedrag. In dit licht bezien kan naar redelijkheid niet van[eiseres] verwacht worden dat zij ingaat op het voorstel van Haskoning nu dit geen structurele compensatie biedt, doch slechts een tijdelijke compensatie voor de duur van drie maanden na afloop van het laatste leasecontract. Daarbij komt dat Haskoning haar specifieke belang bij gebreke van concrete gegevens die haar op basis van bedrijfseconomische omstandigheden nopen tot besparingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft ten onrechte volstaan met enkele algemene stellingen. Een redelijke afweging van belangen leidt tot de conclusie dat het belang van[eiseres] zwaarder weegt dan het belang van Haskoning. Haskoning is dan ook niet gerechtigd de arbeidsvoorwaarde betreffende de leaseauto te wijzigen in die zin dat[eiseres] niet langer een leaseauto wordt toegekend.

4.17.

De slotsom is dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid valt aan te nemen dat de bodemrechter zal oordelen dat de leaseauto een arbeidsvoorwaarde van[eiseres] is en dat haar vordering op grond daarvan zal worden toegewezen, zodat op dat oordeel bij wijze van een voorlopige voorziening als gevorderd vooruit zal worden gelopen. Haskoning heeft de hoogte van het door[eiseres] gevorderde normleasebedrag niet betwist, zodat de vordering dienaangaande eveneens toewijsbaar is. De gevorderde de dwangsom zal als na te melden eveneens worden toegewezen, dit met dien verstande dat daaraan een maximum zal worden gesteld.

4.18.

Haskoning zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van[eiseres]. Deze kosten worden als volgt begroot:

  • -

    explootkosten €  94,79

  • -

    vast recht €  75,00

  • -

    salaris gemachtigde € 400,00

totaal € 569,79

5 Beslissing

5.1.

De kantonrechter geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.2.

veroordeelt Haskoning om aan[eiseres] vanaf 15 augustus 2013 een leaseauto, conform categorie 2 met een normleasebedrag van € 948,- per maand exclusief BTW zoals weergegeven in artikel 9.4 van de Leaseautoregeling van het Rechtspositiereglement van maart 2013 (versie 1), met bijbehorende tankpas ter beschikking te stellen;

5.3.

de veroordeling bij 5.2. geschiedt op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of deel daarvan, met een maximum van € 20.000,- aan te verbeuren dwangsommen in totaal, indien Haskoning na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen;

5.4.

veroordeelt Haskoning in de proceskosten aan de zijde van[eiseres], tot op heden begroot op € 569,79, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2013.