Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3068

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-07-2013
Datum publicatie
30-07-2013
Zaaknummer
16/655926-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 31-jarige man uit Leusden is dinsdag door de rechtbank in Utrecht veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor de dood op zijn vriendin in juni 2012. De rechtbank achtte doodslag bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/655926-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 juli 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte ],

geboren op [1982]te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught te Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2012, 26 november 2012, 14 februari 2013, 14 maart 2013, 23 mei 2013 en 16 juli 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is tijdens de terechtzitting van 14 februari 2013 gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

opzettelijk - en al dan niet met voorbedachten rade - [slachtoffer] heeft gedood.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het impliciet primair tenlastegelegde feit, te weten de moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]).
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit, de doodslag van [slachtoffer], heeft schuldig gemaakt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van zowel het impliciet primair tenlastegelegde als van het impliciet subsidiair tenlastegelegde en daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

4.3.1.1 Het aantreffen van het slachtoffer [slachtoffer] en het onderzoek naar de doodsoorzaak

Op 11 juni 2012 omstreeks 16.30 uur treft de politie [slachtoffer] dood aan op bed in de slaapkamer van haar woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats].1
Tijdens het daarop volgende onderzoek en schouw worden aanwijzingen verkregen dat zij mogelijk op een niet-natuurlijke wijze om het leven is gekomen. Op haar lichaam wordt daarom sectie verricht. P.M.I. van Driessche, werkzaam als arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), constateert op basis van deze sectie dat sprake is van meerdere letsels aan haar hals, die bij leven zijn opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld, zoals bijvoorbeeld het omsnoeren van de hals. De bevindingen kunnen goed passen bij een oplopen van letsel door een zacht bandvormig voorwerp met een breedte van circa 1 centimeter, aldus voornoemde patholoog.2

Verder blijkt [slachtoffer] een vitale breuk van zowel het tongbeen als van het strottenhoofd te hebben, beide opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld.3 Voornoemd letsel aan de hals wordt ondersteund door toxicologisch onderzoek, waaruit volgt dat de schildklier van [slachtoffer] beschadigd is.4

Elders in het lichaam van [slachtoffer] worden een stuwing van de hals en het hoofd,5 vochtstapeling in de hersenen en longen6 en stipvormige bloeduitstortingen aan het oppervlak van het hart en de longen7 geconstateerd. Deze bevindingen kunnen passen bij een overlijden door verstikking, aldus voornoemde deskundige.8 Een andere doodsoorzaak dan wel aanwijzingen daarvoor zijn niet waargenomen.9

Op grond van - de combinatie van - voornoemde bevindingen komt P.M.I. van Driessche tot de conclusie dat voornoemde bevindingen passen bij een overlijden door verstikking, ten gevolge van samendrukkend geweld aan de hals.10

Ten aanzien van het tijdstip van overlijden heeft voornoemde patholoog geconcludeerd dat het lichaam postmortale veranderingen vertoont die beter passen bij één, mogelijk bij twee dagen ontbinding dan bij meerdere dagen ontbinding.11
Deze bevinding sluit aan bij de verklaringen van getuigen [getuige 1]12 en
[getuige 2], moeder van [slachtoffer],13 die verklaarden [slachtoffer] de avond van 9 juni 2012 voor het laatst in leven te hebben gezien.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op het tijdstip van aantreffen van [slachtoffer], de bevindingen van voornoemde patholoog en de verklaringen van voornoemde getuigen,
is overleden in de periode van 9 juni 2012 tot en met 11 juni 2012.
Er zijn geen aanwijzingen dat zij elders dan in haar woning, waar zij is aangetroffen, is overleden.

Verdachte en [slachtoffer] hadden een relatie en brachten de weekenden in de woning van [slachtoffer] door.14 Uit verklaringen van onder meer getuigen [getuige 3],15[getuige 4],16
[getuige 5],17 [getuige 6] 18volgt dat verdachte ook het betreffende weekend van
9 en 10 juni 2012 in de woning verbleef. Verdachte heeft dit bevestigd.19

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer].



4.3.1.2 De telefonische meldingen door verdachte

Circa een uur voordat het lichaam van [slachtoffer] wordt aangetroffen, op 11 juni 2012 omstreeks 15.27 uur, ontvangt de gemeenschappelijke meldkamer te Utrecht - bereikbaar onder nummer 112 - een telefonisch melding van een beller die zichzelf “[naam]” noemt. De beller, die een mannelijke stem heeft en fluistert, geeft aan dat hij iemand wil aangeven voor moord. De beller vervolgt: “Mijn vriendin is net vermoord (…) op de [adres]te [woonplaats] (…) door [verdachte ].” De melder geeft als telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: #7216) op,20 met welk telefoonnummer voornoemde melding ook blijkt te zijn gedaan.21

Circa een half uur na deze eerste melding, omstreeks 15.54 uur, volgt een tweede melding. Een man die zichzelf “[verdachte ]” noemt, neemt telefonisch contact op met het Regionale Servicecentrum, dat bereikbaar is onder nummer 0900-8844.22
“[verdachte ]”, die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: #5781),23 vraagt of er iemand naar zijn adres gestuurd kan worden, waarbij hij als adres de [adres] te [geboorteplaats] opgeeft.24 Als de politie ter plaatste gaat, treffen zij verdachte aan.25 Verdachte geeft aan dat hij zijn vriendin [slachtoffer] heeft gevonden in de slaapkamer van haar woning aan de [adres]. Toen hij zag dat zij blauw was en niet meer ademde, is hij daar weggegaan.26 Verdachte wordt door de politie aangehouden.27

De rechtbank acht bewezen dat voornoemde meldingen beide door verdachte zijn gedaan.

Na zijn aanhouding is onder verdachte een telefoon in beslag genomen, voorzien van

IMEI-nummer [nummer].28 Uit onderzoek volgt dat met dit toestel op 11 juni 2012 omstreeks 15.25 uur het alarmnummer 112 is gebeld, terwijl in het toestel een simkaart was geplaatst met nummer #7216. Diezelfde dag, omstreeks 15.49 uur, is met ditzelfde toestel 0900-8844 gebeld, het telefoonnummer van het Regionale Servicecentrum. Op dat moment was in het toestel geplaatst een simkaart met nummer #5781.29
Zowel telefoonnummer #7216 als telefoonnummer #5781 staat op naam van verdachte.30
Dat deze telefoonnummers ook daadwerkelijk bij verdachte in gebruik zijn, volgt uit de verklaringen van getuigen [getuige 7]31 en [getuige 8],32 die beide nummers noemen als de telefoonnummers waaronder verdachte bereikbaar is. De moeder van verdachte, getuige [getuige 9], heeft na het beluisteren van de melding, die werd gedaan omstreeks 15.25 uur door “[naam]”, verklaard: “Dat is [verdachte ], dat is zijn stem.”33



4.3.1.3 Onderzoek grondcontainer

Het huisvuil van de woning van [slachtoffer] wordt verzameld in een nabij gelegen grondcontainer, die alleen toegankelijk is via geregistreerde passen van bewoners.34
Op 10 juni 2012 tussen 15.15 uur en 16.30 uur ziet getuige [getuige 10] dat verdachte een vuilniszak weggooit in voornoemde grondcontainer.35 Uit onderzoek volgt dat op voornoemde datum omstreeks 15.59 uur een storting is gedaan met gebruikmaking van de pas behorende bij de [adres] te [woonplaats], de woning van [slachtoffer].36 Uit de gegevens van deze pas volgt dat dit de enige storting van voornoemd adres is geweest in de kort daarvoor geleegde grondcontainer.37

De betreffende stortpas is aangetroffen in de woning van [slachtoffer].38

In de grondcontainer wordt onder meer een vuilniszak aangetroffen, met aan de buitenzijde 7 identificeerbare vingerafdrukken dan wel handpalmsporen die identiek zijn aan de vingerafdruk dan wel het handpalmspoor van verdachte.39

In deze vuilniszak bevindt zich onder meer een aantal kledingstukken, waaronder een sweater (AAAS4908NL)40 en een shirt (AAAS4906NL).41 Op deze kledingstukken wordt een aantal bloedvlekken/vegen aangetroffen42 die worden bemonsterd.43
De monsters van voornoemd shirt en voornoemde sweater zijn door het NFI vergeleken met referentiemonsters van [slachtoffer]44 en verdachte.45 Uit dit onderzoek volgt dat het DNA-profiel van de monsters AAAS4908NL#7 tot en met -#13 (van de sweater) en AAAS4906NL#02, - #06, - #07, - #08, - #10, - #11 en -#12 (van het shirt), overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Voor al deze sporen geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon (niet verwant met [slachtoffer]), overeenkomt met het DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.46

Op voornoemd shirt wordt verder een DNA-mengprofiel aangetroffen (AAAS4906#05). De DNA-profielen van verdachte en [slachtoffer] komen overeen met dit DNA-mengprofiel. De kans dat het DNA-profiel van willekeurig gekozen personen (niet verwant met [slachtoffer] dan wel verdachte) overeenkomt met het DNA-mengprofiel, is kleiner dan één op 850 miljoen.47

Niet alleen op het shirt, maar ook op voornoemde sweater wordt een DNA-mengprofiel aangetroffen (AAAS4908NL#04). De kans dat het DNA-profiel van willekeurig gekozen personen (niet verwant met [slachtoffer] dan wel verdachte) overeenkomt met dit DNA-mengprofiel, is kleiner dan één op 30 miljoen.48

De rechtbank maakt uit het Bloedspoorpatroononderzoek d.d. 10 oktober 2012 op dat voornoemd shirt en voornoemde sweater, die beide aan het voorpand zijn doorgeknipt,49 op het moment dat de bloedvlekken zijn ontstaan over elkaar heen werden gedragen.50

In de vuilniszak bevindt zich verder een deel van de centuur van de jurk die [slachtoffer] droeg toen zij dood werd aangetroffen in de slaapkamer van haar woning. Dit deel was waarschijnlijk aan de rand afgeknipt met een schaar.51

Tot slot wordt in de vuilniszak een legging (AAAS4903NL) aangetroffen.

In een van de broekspijpen van deze legging bevindt zich een rechter deel van een zwarte BH (AAAS4901NL).52 In de slaapkamer waar [slachtoffer] is gevonden, is een linkerdeel van een zwarte BH aangetroffen (AAEP2804NL).53 Zeer waarschijnlijk vormden beide helften één BH.

Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 10 juni 2012 een vuilniszak met daarin een aantal goederen dat afkomstig is van de plaats delict heeft weggegooid.

4.3.1.4 Nader onderzoek naar legging AAAS4903NL

Op de hiervoor genoemde legging AAAS4903NL, die bestaat uit zwart breisel,54 wordt ter hoogte van het rechterbovenbeen een bloedspoor aangetroffen en bemonsterd als AAAS4903#01.55 Het DNA-profiel van voornoemd bloedspoor komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon, niet verwant met [slachtoffer], overeenkomt met het DNA-profiel uit deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.56

Op de legging wordt niet alleen voornoemd bloedspoor aangetroffen, maar ook een aantal bloedschilfers, die zijn bemonsterd als onder meer AAAS4903NL#08 en AAAS4903#09. Ook het DNA-profiel dat uit deze monsters is verkregen, komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon, niet verwant met [slachtoffer], overeenkomt met het DNA-profiel uit deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.57

Uit monster AAAS4903NL#02 is een DNA-mengprofiel opgemaakt van twee personen. Het DNA-profiel van [slachtoffer] past in dit DNA-mengprofiel. Onder de aanname dat deze bemonstering inderdaad celmateriaal van [slachtoffer] bevat, is een afgeleid DNA-profiel opgemaakt van de tweede persoon waarvan het celmateriaal afkomstig kan zijn. Dit afgeleide DNA-profiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon, niet verwant aan verdachte, overeenkomt met het afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.58

Zoals hiervoor onder 4.3.1.1 is omschreven, zijn in de hals van het slachtoffer meerdere letsels aangetroffen die zij heeft opgelopen door inwerking van uitwending mechanisch samendrukkend geweld, zoals bijvoorbeeld door omsnoeren van de hals, door een zacht bandvormig voorwerp met een breedte van circa 1 centimeter.

De hals van het slachtoffer is nader onderzocht op de aanwezigheid van vezels. Op de hals van het slachtoffer zijn 28 vezels aangetroffen die overeenkomen met vezels zoals verwerkt in voornoemde legging AAAS4903NL.59 De vezelafgifte van het materiaal van deze legging is relatief hoog. Normaal dragen zou tot overdacht van relatief veel vezels kunnen leiden. De plaats van het aantreffen - de hals - ligt echter niet voor de hand. Een direct contact, zoals een kneveling, kan het aangetroffen sporenbeeld goed verklaren, aldus
J. van der Weerd, werkzaam bij het NFI.60 Deze deskundige concludeert dat het waarschijnlijker is wanneer er intensief contact is geweest tussen de hals van het slachtoffer en de zwarte legging, dan wanneer uitsluitend contacten met willekeurige andere textiele voorwerpen hebben plaatsgevonden.61

Gelet op de onder 4.3.1.1 genoemde sectiebevindingen en de hiervoor genoemde bevindingen met betrekking tot de legging AAAS4903NL, acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] om het leven is gekomen doordat haar hals met kracht en/of gedurende enige tijd is omsnoerd en/of samengedrukt met deze legging.

4.3.2

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de avond van 9 juni 2012, na drugs te hebben gebruikt, in slaap is gevallen in de woning van [slachtoffer]. Op 11 juni 2012 werd hij omstreeks 14.15 uur wakker in deze woning.
Daarna trof hij [slachtoffer] aan in haar slaapkamer. Zij was blauw en ademde niet meer.
Verdachte geeft aan zich niets meer te kunnen herinneren van wat tussen de avond van
9 juni 2012 tot en met 11 juni 2012 omstreeks 14.15 is gebeurd, hij is gedurende deze periode “out” geweest.62


4.3.3 De bewijsverweren: opzet

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer].

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat er bij verdachte vanaf de avond van 9 juni 2012 tot 11 juni 2012 omstreeks 14.15 uur sprake is geweest van amnesie door overmatig alcohol- en cocaïnegebruik, waardoor verdachte zijn wil niet heeft kunnen bepalen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en hecht aan de door verdachte geclaimde amnesie geen geloof.
Op 11 juni 2012 omstreeks 22.10 uur is bij verdachte urine afgenomen. Bij toxicologisch onderzoek worden sporen van cocaïne en een aantal omzettingsproducten, die worden gebruikt bij het versnijden van cocaïne aangetroffen, die passen bij cocaïnegebruik in de 24 uur voor afname.63 Er zijn echter geen aanwijzingen dat verdachte door het gebruik van deze middelen gedurende voornoemde periode geheel “out” is gegaan, zoals verdachte heeft verklaard. In tegendeel. Op 10 juni 2012, aan het begin van de middag, ziet getuige
[getuige 4]64 dat verdachte zijn eigen hond en de hond van [slachtoffer] uitlaat. Zoals hiervoor omschreven, brengt verdachte diezelfde middag omstreeks 15.59 uur een vuilniszak naar de grondcontainer. [getuige 5] ziet dat verdachte op 10 juni 2012 ’s avonds opnieuw de honden uitlaat.65 Diezelfde avond omstreeks 21.15 uur gaat verdachte op bezoek bij getuigen [getuige 11]66 en [getuige 12].67 Uit de verklaringen van deze getuigen volgt dat verdachte, na hen te hebben gebeld, bij hen kwam. Hij vertelde hen tijdens dit korte bezoek dat [slachtoffer] ziek op bed lag en vroeg hen of zij hem € 30,00 konden lenen. Zij gaven hem dit bedrag.68
Omstreeks 21.24 uur heeft verdachte telefonisch contact met getuige [getuige 8], waarbij verdachte hem vraagt of hij een jointje van hem kan krijgen.69
Tussen 22.00 uur en 00.30 uur ziet getuige [getuige 6] dat verdachte buiten bij de woning van [slachtoffer] loopt en vervolgens instapt in een BMW.70 Uit de verklaring van getuige [getuige 13] volgt dat dit gaat om zijn BMW. Deze getuige verklaarde dat hij, na op 10 juni 2012 omstreeks 21.36 uur telefonisch contact te hebben gehad met verdachte, verdachte enige tijd later ontmoette op de [adres] in [woonplaats]. Verdachte stapte bij hem in de auto en kocht van hem verdovende middelen.71
Uit de verklaring van getuige [getuige 13] volgt dat verdachte niet alleen op
10 juni 2012, maar ook op 11 juni 2012 verdovende middelen van hem kocht. Op laatstgenoemde datum nam verdachte omstreeks 12.12 uur telefonisch contact met hem op, waarna hij omstreeks 12.00 uur/13.00 uur aan de [adres] te [woonplaats] verdovende middelen van [getuige 13] koopt.72

Gezien voornoemd gedrag van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van amnesie door het gebruik van overmatig alcohol- en cocaïnegebruik en dat verdachte de amnesie derhalve simuleert.


In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van opzet, maar van een ongeluk. Volgens dit scenario zou - kort gezegd - sprake zijn geweest van fataal afgelopen wurgseks, waarin de verdachte en [slachtoffer] vrijwillig participeerden. Hierbij zou het verdachte zijn ontgaan dat bij [slachtoffer] te lang de adem werd benomen, aldus de raadsman. Ook valt volgens de raadsman niet uit te sluiten dat [slachtoffer] zichzelf tijdens deze intimiteiten de adem voor een te lange periode heeft ontnomen.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en [slachtoffer] recent seksueel contact hebben gehad.
De rechtbank acht het door de verdediging opgeworpen scenario van een ongeval tijdens dit seksuele contact echter zeer onaannemelijk. In de eerste plaats is voornoemd scenario nimmer door verdachte genoemd en eerst door de raadsman ter terechtzitting van
16 juli 2013 naar voren gebracht als mogelijke verklaring voor de dood van [slachtoffer].

Verdachte is meermalen verhoord, waarbij hem is gevraagd naar de seksuele contacten met [slachtoffer]. Nimmer heeft hij daarbij gesproken over mogelijke wurgseks. Verdachte gaf tijdens deze verhoren zelfs aan niet meer precies te weten wanneer hij en [slachtoffer] voor het laatst seksueel contact hadden en hij ontkende dat er tijdens hun relatie sprake was van SM. In de tweede plaats zijn er niet alleen tekenen van kneveling gevonden rond de hals en enkels en polsen van [slachtoffer] maar is er ook letsel aangetroffen aan de onderlip, rechterelleboog, rug en knieën. Dit duidt op meer en/of anders geweld dan een (vrijwillige) verwurging. In de derde plaats passen de gedragingen van verdachte niet bij een mogelijk ongeluk. Verdachte heeft omstreeks het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] immers geen contact opgenomen met de hulpdiensten en evenmin heeft hij vrienden, bij wie hij op bezoek ging, om hulp gevraagd. Op hun vraag waar [slachtoffer] was, vertelde hij hen dat [slachtoffer] ziek op bed lag.

Verder probeerde verdachte zich te ontdoen van een aantal goederen dat afkomstig is van de plaats delict, waaronder de legging waarmee [slachtoffer] is gewurgd. Deze handelwijze valt niet te rijmen met een spijtig ongeluk.
Tot slot belde hij het alarmnummer, waarbij hij zichzelf onder een schuilnaam aangaf. Hij vertelde immers dat zijn vriendin was vermoord door [verdachte ]. Verdachte heeft het in dat telefoongesprek dus over “moord”. Over een eventueel ongeluk als gevolg van uit de hand gelopen wurgseks wordt op dat moment dus ook niets door verdachte gezegd.


Andere scenario’s van een ongeluk zijn niet gesteld of aannemelijk geworden. Gezien het voorgaande zal de rechtbank ook laatstgenoemd verweer verwerpen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door haar hals met kracht en/of gedurende enige tijd te omsnoeren en/of samen te drukken met voornoemde legging.

4.3.4

Vrijspraak van moord

De rechtbank zal verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, vrijspreken van het met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven beroven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit kan volgen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Er is geen bewijs dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat hij tussen het nemen van het besluit en de uitvoering daarvan de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder impliciet primair is ten laste gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

in de periode van 9 juni 2012 tot en met 11 juni 2012 te [woonplaats], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, met een legging met kracht en/of gedurende enige tijd de hals van die [slachtoffer] omsnoerd en/of samengedrukt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

impliciet subsidiair: doodslag.

7 De strafbaarheid van verdachte

Omstandigheden welke de strafbaarheid van verdachte geheel zouden opheffen dan wel uitsluiten zijn niet aannemelijk geworden. Verdachte is strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar;

  • -

    een ongemaximeerde terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde lijdende was aan een psychische stoornis. Noch J.M.J.F. Offermans, psychiater, noch I.M. van Woudenberg, klinisch psycholoog, heeft een oordeel kunnen geven omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Daarmee is niet voldaan aan artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht en is TBS niet mogelijk, aldus de verdediging.
Indien de rechtbank wel een TBS met dwangverpleging oplegt, heeft de verdediging gewezen op de mogelijk substantiële duur van de TBS met dwangverpleging en de rechtbank verzocht om hiermee rekening te houden bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf. Daarnaast heeft de verdediging de rechtbank verzocht om in haar vonnis een advies op te nemen, inhoudende dat de TBS met dwangverpleging eerder dan gebruikelijk, al na ommekomst van 1/3 deel van de gevangenisstraf, zal worden aangevangen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de na te noemen op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn vriendin, in haar woning met een legging gewurgd, als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Verdachte heeft het slachtoffer haar kostbaarste bezit, het leven, op brute wijze ontnomen en er daarmee blijk van gegeven geen enkel respect voor andermans leven te hebben.

De doodslag op het slachtoffer heeft een schok in de lokale samenleving teweeg gebracht en heeft bijgedragen aan algemene gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft niet alleen het leven ontnomen aan een jonge vrouw, maar heeft tevens het leven verwoest van de naaste familieleden en vrienden van het slachtoffer. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van de ouders en zus van [slachtoffer], is op een heldere en krachtige wijze tot uiting gebracht welke gevolgen het overlijden van hun dochter en zus op hen heeft gehad en nog zal hebben. Door te blijven zwijgen over wat er daadwerkelijk is gebeurd, laat verdachte de nabestaanden van [slachtoffer] in onzekerheid over hoe de laatste uren van hun dierbare zijn geweest. Geen enkele strafrechtelijke reactie zal kunnen weerspiegelen hoe groot de schade is die verdachte met zijn handelen heeft aangericht.

De maatregel van TBS met dwangverpleging kan alleen worden opgelegd als is vastgesteld dat bij een verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Niet is vereist dat het bewezen verklaarde feit het gevolg is van de geestesgesteldheid van de verdachte. In beginsel stelt de rechter het bestaan van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vast op basis van adviezen van twee gedragsdeskundigen. Verdachte heeft echter geweigerd aan dergelijke onderzoeken medewerking te verlenen. Op grond van artikel 37a, derde lid, in samenhang met artikel 37, derde lid, Wetboek van Strafrecht kan

echter ook TBS met dwangverpleging worden opgelegd indien betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek. Hieruit volgt dat de wetgever kennelijk bedoeld heeft dat een rechter ook zonder deskundigenadvies een geestelijke stoornis kan vaststellen. Nog steeds blijft vereist, dat door de rechter wordt vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit.

Verdachte heeft niet mee willen werken aan een onderzoek naar zijn geestesgesteldheid.

Verdachte heeft ten overstaan van I.M. van Woudenberg, klinisch psycholoog en
J.M.J.F. Offermans, psychiater, geweigerd met hen over het aan hem tenlastegelegde te spreken. Desondanks komt uit de rapportages naar voren dat er sprake is van persoonlijkheidsproblematiek.
Uit het Pro Justitia rapport van 16 oktober 2012 van I.M. van Woudenberg volgt dat verdachte op zwakbegaafd niveau scoort en functioneert. Daarnaast bestaan er aanwijzingen voor een stoornis in het autismespectrum, ADHD en een persoonlijkheidstoornis NAO (niet anderszins omschreven) met paranoïde en narcistische trekken, aldus voornoemde psycholoog. In lijn met dit rapport staat in het Pro Justitia rapport d.d. 15 november 2012 van J.M.J.F. Offermans vermeld dat bij verdachte sprake is van een stoornis van de geestvermogens in de zin van ADHD en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en van een persoonlijkheidstoornis NAO, met antisociale, narcistische en in mindere mate paranoïde trekken. Van bovengenoemde stoornissen was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde, aldus J.M.J.F. Offermans.

In voornoemde rapporten komen verder problemen met agressieregulatie en middelengebruik naar voren. Voornoemde psychiater heeft verdachte omschreven als iemand die de emoties in een hogedrukpan onder het deksel probeert te houden, maar geen weet heeft van wat er zich precies onder dat deksel schuil houdt. Als hij niet in staat is om de controle over situaties te houden, zal hij met blinde woede kunnen reageren. Dit zal zich eerder voordoen als hij onder invloed is van alcohol of drugs, aldus deze psychiater.

Op grond van al de haar beschikbare informatie is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte ook tijdens het begaan van het feit een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. De rechtbank acht verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank verder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 januari 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens huiselijk geweld. Gelet op dit strafblad en gelet op de persoon van verdachte acht de rechtbank de kans op recidive reëel.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

  • -

    bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

  • -

    op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

  • -

    de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en nu de veiligheid van anderen dat eist, dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar noodzakelijk. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank - naast de hiervoor geschetste problematiek - acht geslagen op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit.

Gelet op de te verwachten substantiële duur van de opgelegde maatregel, is deze straf lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist.

9 Het beslag

9.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9.2

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij

10.1

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde] vordert ten aanzien van het ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 3.286,93 ter zake van materiële schade (bestaande uit crematiekosten minus toegekende verzekeringsgelden, de kosten van een urn en een gedenksteentje, de kosten van de Stichting Dierenambulance in verband met het afstaan van een hond en reiskosten) te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat deze vordering geheel toegewezen dient te worden.

10.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [benadeelde] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 3.286,93 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip van het ontstaan van deze schade. De rechtbank zal ten aanzien van de toegekende vordering de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 38e en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het impliciet primair ten laste gelegde feit, moord.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: impliciet subsidiair: doodslag

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten een Fiat Punto met kenteken [kenteken].

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een doos met seksgerelateerde voorwerpen en wikkels met daarin verdovende middelen.

Wijst de vordering van [benadeelde] toe tot € 3.286,93 (zegge: drieduizend tweehonderd zesentachtig euro en drieënnegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde], voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het ontstaan van deze schade, te weten:

  • -

    crematiekosten minus verzekering ad € 2.522,75 vanaf 22 juni 2012;

  • -

    de kosten van een urn en van een gedenksteentje ad € 517,75 vanaf 22 juni 2012;

  • -

    de kosten van de Stichting Dierenambulance ad € 150,00, vanaf 4 juli 2012;

  • -

    reiskosten ad € 96,43 vanaf 4 september 2012,

tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat
€ 3.286,93 (zegge: drieduizend tweehonderdzesentachtig euro en drieënnegentig eurocent)

te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hiervoor vermelde data over de daarbij vermelde bedragen tot en met de dag der algehele voldoening,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 42 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. G. Perrick en
mr. J.P.H. Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2013.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt - na een wijziging van de tenlastelegging die hierna cursief is weergegeven - tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2012 tot en met 11 juni 2012 te

[woonplaats], althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk,

met een legging, althans een zacht en/of bandvormig voorwerp, (met kracht en/of gedurende enige tijd) de hals van die [slachtoffer] omsnoerd en/of samengedrukt, althans samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals van die [slachtoffer] en/of (aldus) die [slachtoffer] verstikt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

1 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2012, opgenomen op pagina 43 van het proces-verbaal dossiernummer 2012 130134E, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 556.

2 Het deskundigenrapport “Pathologie onderzoek” d.d. 20 september 2012, opgemaakt door P.M.I. van Driessche, werkzaam als arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 550 van het proces-verbaal dossiernummer 2012 130134 (forensisch dossier), van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 669.

3 Ibidem.

4 Ibidem.

5 Ibidem, pagina 547.

6 Ibidem.

7 Ibidem.

8 Ibidem, pagina 550.

9 Het deskundigenrapport “Beantwoording van aanvullende vragen in verband met sectie S2012-163, [slachtoffer] d.d. 1 mei 2012, opgemaakt door P.M.I. van Driessche.

10 Het deskundigenrapport “Pathologie onderzoek” d.d. 20 september 2012, opgemaakt door
P.M.I. van Driessche, werkzaam als arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 552 van het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal.

11 Ibidem, pagina 550.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het hiervoor onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 97.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het hiervoor onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 181.

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 189 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in ditzelfde proces-verbaal, pagina 204.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 100.

16 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 13 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 73.

17 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 11 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 59.

18 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] d.d. 25 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 123.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 411 en 412.

20 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 34 en 35.

21 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 380.

22 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 36.

23 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 131.

24 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 36 en 37.

25 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 39.

26 Ibidem, pagina 40.

27 Ibidem, pagina 41.

28 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 305

29 Ibidem.

30 Ibidem.

31 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 190.

32 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] d.d. 19 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 108.

33 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9] d.d. 7 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 224.

34 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 10] d.d. 19 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 103 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in ditzelfde proces-verbaal, pagina 315.

35 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 10] d.d. 19 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 103.

36 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 315.

37 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 320.

38 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2012, opgenomen op pagina 115 van het proces-verbaal dossiernummer 2012 130134 (forensisch dossier), van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 669.

39 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2012, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 359 en pagina 361.

40 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 191 en 192.

41 Ibidem, pagina 191 tot en met 193.

42 Ibidem, pagina 193.

43 Het deskundigenverslag “Bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek” d.d. 10 oktober 2012, opgemaakt door J. Klaver, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 602, tot en met 604 van het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal.

44 Identiteitszegel AAED4427NL. Het deskundigenverslag d.d. 8 augustus 2012 van R.J. Brink, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 532 van het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal.

45 Identiteitszegel RH0092. Bijlage bij het deskundigenverslag d.d. 12 juli 2012 van A.P.M. van Dijk, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 495 van het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal.

46 Het deskundigenverslag “Bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek” d.d. 10 oktober 2012, opgemaakt door J. Klaver, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 606 en 607.

47 Ibidem, pagina 606.

48 Ibidem, pagina 607.

49 Het deskundigenverslag “Bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek” d.d. 10 oktober 2012, opgemaakt door M.J. van der Scheer, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 591 en 595.

50 Ibidem, pagina 596.

51 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 192.

52 Het deskundigenverslag “Vezel- en Textielonderzoek” d.d. 21 november 2012, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 620.

53 Ibidem, pagina 615 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 116.

54 Het deskundigenverslag “Vezel en Textielonderzoek” d.d. 21 november 2012, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 620.

55 Het deskundigenverslag “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek” d.d. 6 december 2012, opgemaakt door J. Klaver, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 633 van het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal.

56 Ibidem, pagina 635.

57 Ibidem.

58 Ibidem.

59 Het deskundigenverslag “Vezel- en Textielonderzoek” d.d. 21 november 2012 van J. van der Weerd, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal, pagina 627.

60 Ibidem.

61 Ibidem.

62 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 12 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en openomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 411 en 412.

63 Het deskundigenverslag “Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal A.J. van Hoorn d.d. 31 juli 2012, opgemaakt door M.J. Vincenten, werkzaam als apotheker bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 522.

64 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 13 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 73.

65 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 11 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 59.

66 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 14] d.d. 13 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 83 en 84.

67 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 12], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 76 en 77.

68 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 14] d.d. 13 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 84.

69 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] d.d. 19 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 108.

70 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] d.d. 25 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 123.

71 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 13] d.d. 30 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 291 en 292.

72 Ibidem, pagina 292 en 293.