Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3019

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
16-604041-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het door een ervaren vrachtwagenchauffeur over geruime afstand en gedurende langere tijd niet of onvoldoende opletten, terwijl hij vanuit zijn cabine goed zicht had en reed met een snelheid van 80 km/uur, waardoor hij op een file inrijdt en een ernstig ongeval veroorzaakt met meerdere slachtoffers met ernstige verwondingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/604041-11(P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 26 april 2013.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 1],

wonende te[postcode][geboorteplaats 2], [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman, mr. A. Verbruggen, advocaat te ‘s Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

als bestuurder van een motorrijtuig zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen, zodat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor bestuurders en inzittenden van andere motorrijtuigen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen;

althans dat hij als bestuurder van een motorrijtuig gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat rubricering onder artikel 5 Wegenverkeerswet meer op zijn plaats is dan bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd. Bij verdachte is sprake geweest van een moment van onachtzaamheid. Uit de lagere rechtspraak volgt dat een tijdelijke onoplettendheid niet voldoende is voor schuld ex artikel 6 Wegenverkeerswet. Er zullen bijkomende omstandigheden bewezen moeten worden, naast onoplettendheid, om tot een bewezenverklaring van schuld te komen, en dus een bewezenverklaring van artikel 6 WvW. Naar het oordeel van de Hoge Raad kan uit de enkele omstandigheid dat de verdachte in de vastgestelde omstandigheden van het geval de verkeersdeelnemer niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijs

Op 28 maart 2011 kregen verbalisanten om 14.07 kennis van een ongeval op de Rijksweg A1 op de linker rijbaan ter hoogte van hectometerpaal 31.6 binnen de gemeente Baarn. Ter plaatse was file. 1

Verdachte reed voorafgaand aan de aanrijding in een vrachtwagen met een snelheid van ongeveer 80 km/u over de A12. Ter terechtzitting op 16 april 2013 heeft verdachte verklaard dat hij naar rechts heeft gekeken toen er een roofvogel naast zijn cabine vloog. Die vogel leek enige tijd mee te vliegen. Toen verdachte weer naar voren keek, kon hij niet meer reageren op het stilstaande verkeer voor hem en botste tegen zijn voorligger. Dit leidde tot een kop-staart botsing waarbij zes voertuigen waren betrokken.

De aanrijding heeft plaatsgehad nabij hectometerpaal 31.8, tussen de portalen bij hectometerpaal 32.1 en bij hectometerpaal 31.6 (aflopend). Alle bestuurders van de bij het ongeval betrokken voertuigen waren op dat moment het portaal bij hectometerpaal 32.1 gepasseerd. Uit onderzoek naar de werking van de matrixborden is gebleken dat vanaf 13:34 uur op en rond de plaats van het ongeval, de portalen ter hoogte van hectometerpaal 30.9 en 31.6 sprake was van filevorming. Vanaf 13:44 uur blijven de matrixborden op het portaal ter hoogte van hectometerpaal 31.6 continue 50 kilometer per uur aangeven. Vanaf 14:00 uur geven de matrixborden op het portaal ter hoogte van hectometerpaal 32.1, voor de rijstroken 1 en 2 een snelheid van 50 kilometer per uur aan, en voor de rijstroken 3 en 4 een snelheid van 70 kilometer per uur. Hierbij worden de matrixborden op het portaal ter hoogte van hectometerpaal 32.7 geactiveerd en geven respectievelijk voor de rijstroken 1 en 2 een snelheid van 70 kilometer per uur aan, voor rijstroken 3 en 4 een snelheid van 90 kilometer per uur. Op het vermoedelijke tijdstip van het ongeval 14:07 uur, is bovenstaande situatie ongewijzigd, ook in de tussenliggende tijd, van 14:00 tot 14:07 uur, is deze situatie ongewijzigd gebleven.3;

Het voertuig bestuurd door [benadeelde 1], reed over rijstrook 2 van de Rijksweg A1 in de richting Amsterdam. Door het verkeer gedwongen kwam deze vrachtwagencombinatie tot stilstand in de file. Het voertuig Opel Corsa (kenteken [kenteken 1]) met de inzittenden[benadeelde 2] (bestuurder) en [benadeelde 3] (passagier), kwam hierachter tot stilstand. Het voertuig Volkswagen Fox (kenteken[kenteken 2]), bestuurd door [benadeelde 7], kwam hierachter tot stilstand. Het voertuig Volkswagen Golf Plus (kenteken [kenteken 3]), bestuurd door[benadeelde 5], kwam hierachter tot stilstand. Het voertuig Mercedes Sprinter (kenteken [kenteken 4]), bestuurd door[benadeelde 6], kwam hierachter tot stilstand. Het voertuig DAF (kenteken [kenteken 5]), bestuurd door verdachte[verdachte], reed met de voorzijde tegen de achterzijde van de voornoemde Mercedes, hetgeen leidde tot een kop-staartbotsing waar alle hiervoor genoemde voertuigen waren betrokken4.

Uit de medische verklaring van benadeelde [benadeelde 2] volgt dat hij ten gevolge van het ongeval meerdere ribbreuken, borstbeenbreuk, meerdere wervelbreuken, klaplong en een ontwrichting van het enkelgewricht heeft opgelopen5;

Uit de medische verklaring van benadeelde[benadeelde 3] volgt dat hij ten gevolge van het ongeval een ribbreuk, borstbeenbreuk, oogkasbreuk, complexe enkelbreuk, bloeding slaapslagader en aangezichtszenuwschade heeft opgelopen6;

Uit de medische verklaring van benadeelde [benadeelde 7] volgt dat zij ten gevolge van het ongeval een schaambeenbreuk en een breuk in de eerste lendewervel heeft opgelopen7;

Primair ten laste gelegde

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet dient te worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 van de Wegenverkeerswet houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid.



Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor ‘schuld’ is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.8

Met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuld van verdachte als volgt.

Uit de verkeersongevallenanalyse is niet duidelijk geworden waarom verdachte de voor hem stilstaande voertuigen niet heeft opgemerkt en niet tijdig heeft gereageerd.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij voorafgaand aan de aanrijding ongeveer 80 kilometer per uur heeft gereden. Hij denkt met 90% zekerheid de matrixborden met 70 kilometer per uur gezien te hebben en vermoedt dat hij de cruisecontrol toen heeft teruggezet. Verdachte heeft verder verklaard dat hij tijdens het rijden werd afgeleid door een roofvogel, die met zijn vrachtwagen mee vloog. Hij was verbaasd dat de vogel gedurende enige tijd meevloog. Daarom keek hij ernaar. Toen hij weer voor zich keek botste hij op de auto voor hem.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een ervaren vrachtwagenchauffeur is.

De aanrijding vond plaats op de A1 te Baarn. Aan portalen boven de snelweg waren matrixsignaleringsborden bevestigd. Er is een verkeersongevallenanalyse opgesteld en onderzoek naar de werking van de matrixborden gedaan. Daaruit blijkt het volgende.

De aanrijding vond omstreeks 14.07 uur plaats ter hoogte van hectometerpaal 31.8, en dus ongeveer 200-300 meter na het portaal dat in het dossier wordt aangeduid met B en ongeveer 200 meter vóór de matrixborden die aan het portaal hingen, in het dossier aangeduid met C. Het portaal dat in het dossier wordt aangeduid met A was toen reeds geruime tijd gepasseerd.

Uit het onderzoek naar de werking van de matrixborden volgt dat:

  • -

    het matrixbord A (hectometerpaal 32.7) vanaf 14.00 uur 70 kilometer per uur aangaf;

  • -

    het matrixbord B (hectometerpaal 32.1) vanaf 14.00 uur 50 kilometer per uur aangaf;

  • -

    het matrixbord C (hectometerpaal 31.6) vanaf 13.44 uur 50 kilometer per uur aangaf.

De getuigen verklaren eenduidig dat zij de matrixborden eerst op 70 kilometer per uur en vervolgens op 50 kilometer per uur hebben zien branden, alvorens zij in de stilstaande file terechtkwamen. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat alle betrokkenen verklaarden dat zij hun voertuig tot stilstand hadden gebracht in de file. Geen van de betrokkenen verklaarde daarbij een noodstop te hebben gemaakt. Verder verklaarden allen enige tijd (variërend van 5 á 10 seconden tot 1 á 2 minuten) stil te hebben gestaan op het moment van de aanrijding.

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt verder dat niet kon worden vastgesteld of verdachte voor de aanrijding heeft geremd en bij welke snelheid de aanrijding plaatsvond. Wel was globaal op de tachograaf zichtbaar dat registratie plaatsvond op een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur en daar omstreeks 14.00 uur ook eindigde, en terugliep naar 0 kilometer per uur.

Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte, als bestuurder van een vrachtwagen, zodanig onoplettend is geweest,

dat hij op 28 maart 2011 als bestuurder van een vrachtwagen op de A1 te Baarn (nadat hij eerder een matrixbord, met daarop een aanduiding van de maximumsnelheid van 70 kilometer per uur, was gepasseerd en dit bord mogelijk heeft gezien):

  • -

    een door hem reeds gepasseerd matrixbord met een aanduiding van 50 kilometer per uur,

  • -

    een door hem genaderd matrixbord met een aanduiding van 50 kilometer per uur,

  • -

    en vervolgens ook de vóór hem stilstaande file, in het geheel niet heeft gezien.
    Als gevolg hiervan is verdachte met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, achter op de stilstaande file gereden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande -anders dan de verdediging heeft bepleit- niet gezegd worden dat enkel sprake is geweest van een moment van onoplettendheid, aangezien verdachte over geruime afstand (honderden meters) en derhalve gedurende langere tijd niet of in ieder geval onvoldoende heeft opgelet. Mede in aanmerking genomen dat verdachte een ervaren vrachtwagenchauffeur is, dat hij vanuit zijn hoge positie in de vrachtwagencabine een goed zicht had op de ter plaatse rechte weg, alsmede dat hij zich op dat moment met een snelheid van 80 km/u in een vrachtwagen met een gewicht van 7130 kg voortbewoog over de snelweg, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aanmerkelijke mate van onoplettendheid.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 28 maart 2011 in de gemeente Baarn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Rijksweg A1, gaande in de richting van Amsterdam, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend,

terwijl op die rijbaan sprake was van filevorming en terwijl de op enige afstand voor hem, verdachte waarneembare, zich boven de rijbaan bevindende matrixborden een maximum snelheid van 70 en/of 50 kilometer per uur aangaven,

met het door hem bestuurde motorrijtuig niet of in onvoldoende mate op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die rijbaan heeft gelet en is blijven letten en niet heeft bemerkt dat het voor hem, verdachte, op die rijstrook rijdende verkeer tot stilstand was gekomen en niet tijdig heeft geremd,

waardoor verdachte is gebotst tegen de vóór hem, verdachte, stilstaande auto (merk Mercedes Sprinter, kenteken [[kenteken 4]] waarna tevens bij deze aanrijding/botsing betrokken raakten de (stilstaande) auto's Volkswagen Golf Plus (kenteken [[kenteken 3]]) en

Volkswagen Fox (kenteken [[kenteken 2]) en Opel Corsa-B (kenteken [[kenteken 1]]) en

Daf Ft Xf105 (kenteken [kenteken 6]]), waardoor anderen (genaamd[benadeelde 7] en[benadeelde 2] en [benadeelde 3]) zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, te weten die [benadeelde 7] (een schaambeenbreuk en een breuk in de eerste lendewervel) en die[benadeelde 2] (meerdere ribbreuken en borstbeenbreuk en meerdere wervelbreuken en een klaplong en een ontwrichting van het enkelgewricht) en die [benadeelde 3] (een ribbreuk en borstbeenbreuk en oogkasbreuk en complexe enkelbreuk en bloeding slaapslagader en aangezichtszenuwschade).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem officier van justitie primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 28 maart 2011 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door met zijn vrachtwagen met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur op een stilstaande file in te rijden.

Als gevolg van de aanrijding hebben meerdere slachtoffers fors letsel opgelopen. Gebleken is dat één van de slachtoffers thans -twee jaar na het ongeval- nog dagelijks last heeft van de lichamelijke gevolgen die dit ongeval voor hem heeft gehad.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de zogenaamde LOVS-richtlijnen. In deze richtlijnen is voor diverse delicten een oriëntatiepunt voor de op te leggen straf geformuleerd. Voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en zwaar lichamelijk letsel, wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden gehanteerd.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat er sprake is van een ernstig verkeersongeval met meerdere zwaar gewonde slachtoffers.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2013 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en dat verdachte als beroepschauffeur niet eerder bij een ongeval betrokken is geweest. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking de meelevende houding van verdachte richting de slachtoffers en het feit dat de gevolgen van het ongeval ook voor verdachte ingrijpend zijn geweest. Het is de rechtbank gebleken dat verdachte zich het leed van de slachtoffers zeer aantrekt en dat hij zich geenszins aan zijn verantwoordelijkheid dienaangaande wil onttrekken. Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat het om een relatief oude zaak gaat.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf van 50 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden een passende sanctie is.

Nu sinds de datum van het ongeval bijna twee jaar zijn verstreken en verdachte in die periode geen strafbaar feit heeft begaan, verkort de rechtbank de aan de voorwaardelijk gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid gekoppelde proeftijd tot 1 jaar.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten primair laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht..

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 50 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen.

Bijkomende straffen

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van 1 jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het eind van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 28 maart 2011 in de gemeente Baarn als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg,

Rijksweg A1, gaande in de richting van Amsterdam, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

terwijl op die rijbaan sprake was van een grote verkeersintensiteit,

verkeersdrukte en/of filevorming en/of

terwijl (een) ander(en) op die rijbaan rijdende verkeersdeelnemer(s) zijn/hun

waarschuwings- of alarmverlichting van zijn/hun motorrijtuig(en) had(den)

ingeschakelden/of terwijl de op enige afstand voor hem, verdachte waarneembare, zich

boven de rijbaan bevindende matrixborden een maximum snelheid van 50 en/of 70

kilometer per uur aangaven,

met de door hem bestuurde motorrijtuigcombinatie niet of in onvoldoende mate

op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die rijbaan heeft

gelet en/of is blijven letten en/of niet, althans niet tijdig, heeft bemerkt

dat het voor hem, verdachte, op die rijstrook rijdende verkeer, had afgeremd

en/of (aanzienlijk) langzamer was gaan rijden en/of tot stilstand was gekomen

en/of

niet tijdig heeft geremd,

waardoor verdachte is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen

met, de vóór hem, verdachte, stilstaande auto (merk Mercedes Sprinter,

kenteken [kenteken 4]] waarna tevens bij deze aanrijding/botsing betrokken

raakten de (stilstaande) auto's Volkswagen Golf Plus (kenteken [[kenteken 3]]) en

Volklswagen Fox (kenteken [kenteken 2]]) en Opel Corsa-B (kenteken [[kenteken 1]]) en

Daf Ft Xf105 (kenteken [[kenteken 6]]),

waardoor (een) ander(en) (genaamd[benadeelde 7] en/of [benadeelde 2] en/of[benadeelde 3]

[benadeelde 3]) zwaar lichamelijk letsel, te weten (die [benadeelde 7] (een schaambeenbreuk

en/of een breuk in de eerste lendewervel) en/of die [benadeelde 2] (meerdere

ribbreuken en/of borstbeenbreuk en/of meerdere wervelbreuken en/of een

klaplong en/of een ontwrichting van het enkelgewricht) en/of die[benadeelde 3] (een

ribbreuk en/of borstbeenbreuk en/of oogkasbreuk en/of complexe enkelbreuk

en/of bloeding slaapslagader en/of aangezichtszenuwschade), of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 28 maart 2011, in de gemeente Baarn, als bestuurder van

een motorrijtuig (vrachtauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, Rijksweg A1, gaande in de richting van Amsterdam,

is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met, een vóór hem, verdachte, stilstaande auto (merk Mercedes Sprinter, kenteken [[kenteken 4]]

waarna tevens bij deze aanrijding/botsing betrokken raakten de (stilstaande)

auto's Volkswagen Golf Plus (kenteken [[kenteken 3]]) en Volklswagen Fox (kenteken

[69-XL-HS]) en Opel Corsa-B (kenteken [kenteken 1]]) en Daf Ft Xf105 (kenteken

[[kenteken 6]]),

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 het proces-verbaal van aanrijding, p.12 ev.

2 het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, H.3, p.144.

3 het proces-verbaal van bevindingen (werking matrixborden), pagina 155 en 156.

4 het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, H.4 en 5, p. 124- 135, p. 145-146.

5 de medische verklaring van benadeelde [benadeelde 2], pagina 251;

6 de medische verklaring van benadeelde[benadeelde 3], pagina 261.

7 de medische verklaring van benadeelde [benadeelde 7], pagina 244.

8 Hoge Raad 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252