Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:3013

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
16-657297-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een aanrijding met een fietster veroorzaakt toen hij gebruik maakte van een busbaan, terwijl hij daarvan geen gebruik mocht maken en hij vervolgens zonder dat hij voldoende zicht had en nadat hij een doorgetrokken streep had gepasseerd, langs een stilstaande bus lan de busbaan overstak met als gevolg zwaar lichamelijk letsel, te weten een onderbeenbreuk en een wervelbreuk voor de fietster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/ 657297-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 25 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op[geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A. de Haan, advocaat te Heerenveen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

als bestuurder van een personenauto zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, zodat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een fietsster zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

althans dat hij als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit kan komen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De verdediging voert daartoe in het bijzonder aan dat niet alleen de omstandigheid dat verdachte op de busbaan reed oorzaak was van de aanrijding, maar dat het slachtoffer, [slachtoffer], ook een aandeel had in de aanrijding door over te steken terwijl het licht voor haar op rood stond. De uitkomst van de weging van de feiten moet zijn dat het te ver gaat om enkel de gedraging van verdachte daaruit te lichten en bewezen te verklaren dat hij aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gereden.

De verdediging refereert zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Bewijs 1

Verdachte was op 9 januari 2012 als bestuurder van een personenvoertuig betrokken geraakt bij een ongeval op de Archimedeslaan te Utrecht. Door de aanrijding liep[slachtoffer] een onderbeen- en wervelfractuur op en werd zij voor medische behandeling overgebracht naar het ziekenhuis. 2

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij naar de A28 reed en ter plaatse de weg niet kende. Opeens zag hij dat hij over de busbaan reed. Hij wilde daar zo snel mogelijk vanaf. Hij zag dat er voor hem een bus stil stond en heeft deze ingehaald. Verdachte denkt dat hij 40 km per uur reed. Toen verdachte de bus inhaalde zag hij opeens een fietser - naar later bleek[slachtoffer] - van rechts achter de bus vandaan komen. Toen hij haar zag is hij op zijn rem gaan staan, maar dat was te laat. Hij zag en voelde dat de fietser zijn motorkap en zijn ruit raakte.” 3

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij, toen zij bij de fietsersoversteekplaats stond, links van haar, op ongeveer 15 meter afstand een bus stil zag staan bij een bushalte. Zij zag dat het verkeerslicht dat oplicht als er een bus aankomt, rood licht uitstraalde. Zij zag de bus stilstaan bij de halte en dacht dat daarom het verkeerslicht rood was. Zij zag geen andere bus aankomen en stak over. Zij zag toen dat er een personenauto over de busbaan aan kwam rijden op de rijstrook van het tegenovergestelde verkeer. Zij verwachtte van die kant geen auto. Zij werd door de auto geraakt en kwam ten val. Zij is naar het ziekenhuis gebracht, waar bleek dat zij haar linkeronderbeen en ruggewervel gebroken had. 4

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat op de busbaan, ook vlak voor het weggedeelte waarop het ongeval plaatsvond,

  • -

    de aanduiding “LIJNBUS” op het wegdek na elke oversteek en kruising;

  • -

    geslotenverklaringen na elke oversteek en kruising met daaronder een bord “uitgezonderd lijnbussen en ontheffingshouders”;

is aangebracht. 5

Voorts blijkt uit de verkeersongevallenanalyse het volgende. 6

Verdachte bevond zich met zijn auto niet op de juiste plaats op de weg.

Hij maakte gebruik van de busbaan, terwijl hij hier geen gebruik van mocht maken. Daarbij heeft hij tevens de geslotenverklaring genegeerd. De busbaan was door middel van een doorgetrokken streep verdeeld in twee stroken. Verdachte heeft deze overschreden om gebruik te maken van de strook bestemd voor tegemoetkomend verkeer. Door de bus vlak voor de oversteekplaats links te passeren, manoeuvreerde hij zichzelf in een positie, dat zowel het verkeerslicht als het begin van de fietseroversteekplaats door de bus werden afgedekt.

Op het moment dat hij de bus links voorbij reed, had hij wel zicht op de zwart/witte palen van de waarschuwingslichten bij de fietseroversteekplaats. Hij had dus kunnen weten dat daar een oversteekplaats voor voetgangers of (brom)fietsers lag en daar voetgangers of fietsers zouden kunnen oversteken. Als hij achter de bus was gebleven en gewacht had tot deze weggereden was had hij voldoende zicht gehad op de situatie.

Uit telefonisch contact met het slachtoffer op 22 mei 2012 volgt dat [slachtoffer] op dat moment nog niet geheel hersteld is. Zij heeft nog pijn in haar been en kan niet lang lopen. Bij langer lopen heeft zij nog krukken nodig. Ook gaat het staan moeilijk en pijnlijk en moet ze dan gaan zitten of liggen. Verder heeft zij last van vermoeidheid. De vooruitzichten zijn goed maar de arts kan nog niet aangeven wanneer zij geheel hersteld is. 7

Overweging ten aanzien van de mate van schuld

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient te worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid.



Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor ‘schuld’ is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuld van verdachte als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, als bestuurder van een personenauto op 9 januari 2012 over de busbaan van de Archimedeslaan te Utrecht is gereden en aldaar vervolgens de doorgetrokken streep heeft overschreden om via de weg voor het tegemoetkomende busverkeer, met ongeveer 40 kilometer per uur, een stilstaande bus in te halen. Hij heeft vervolgens, een op een voor hem zichtbaar met zwart/witte palen gemarkeerde oversteekplaats, overstekende fietsster, [slachtoffer], aangereden.[slachtoffer] kwam op de motorkap en tegen de voorruit van de auto terecht en kwam vervolgens ten val. Hierdoor raakte zij zwaargewond.

Ten aanzien van het aandeel van[slachtoffer] in het ongeval overweegt de rechtbank dat eigen schuld of medeschuld in beginsel niet relevant is voor het bewijs van schuld van de verdachte. Dit is slechts anders indien de onvoorzichtigheid van de ander zo groot is geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op te leveren.

Uit de Verkeersongevallenanalyse (pagina 64) blijkt weliswaar dat [slachtoffer] voorrang moest verlenen aan het verkeer op de busbaan, maar voorts blijkt daaruit het volgende. Doordat de bus in haar zichtlijn stond kon[slachtoffer] niet zien dat de auto van verdachte de oversteekplaats dicht was genaderd. Verder was de middenstreep van de busbaan doorgetrokken en hoefde zij niet te verwachten dat de bus over de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer zou worden ingehaald. Naar het oordeel van de rechtbank is het verwijt dat[slachtoffer] valt te maken dan ook niet dusdanig groot dat niet meer gezegd kan worden dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet bekend was met de situatie ter plaatse, dat hij op het moment dat hij zich realiseerde dat hij op de busbaan reed, zo snel mogelijk van de busbaan afwilde.

De rechtbank is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte zonder dat hij het bemerkte met zijn personenauto op de busbaan terecht is gekomen, niet reeds kan volgen dat verdachte aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig is geweest. Daarvoor is meer vereist.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte, terwijl hij als bestuurder van een personenauto op de Archimedeslaan te Utrecht over de busbaan reed, de volgende zorgvuldigheidsnormen heeft geschonden. Hij heeft op deze busbaan een doorgetrokken streep gepasseerd en heeft via de weg voor het tegemoetkomend verkeer en derhalve spookrijdend, met een snelheid van ongeveer 40 kilometer per uur een stilstaande bus ingehaald. Verdachte heeft vervolgens - kennelijk - niet gezien dat hij een voor hem zichtbaar aangegeven oversteekplaats naderde en daartoe zijn snelheid niet aangepast. Als gevolg hiervan heeft verdachte de overstekende fietsster [slachtoffer] te laat bemerkt, waardoor hij niet meer tijdig kon remmen en haar heeft aangereden. Mede in aanmerking genomen dat verdachte niet ter plaatse bekend was en besefte dat hij zich op een voor het busverkeer bestemde rijbaan bevond, hetgeen om extra oplettendheid en voorzichtigheid vroeg, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

hij op 09 januari 2012 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Archimedeslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, in strijd met een geslotenverklaring in twee richtingen, gebruik te maken van de busbaan en terwijl op het wegdek van die busbaan het woord "lijnbus" was aangebracht en (vervolgens) naar links over een doorgetrokken streep te rijden teneinde een stilstaande bus te passeren en (vervolgens) in aanrijding/botsing te komen met een fietsster die, gezien verdachtes rijrichting, van rechts voor die stilstaande bus langs de busbaan overstak, waardoor die fietsster (genaamd[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een onderbeenbreuk en een wervelbreuk op liep.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van verdachte

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 9 januari 2012 een aanrijding met een fietsster veroorzaakt toen hij gebruik maakte van een busbaan, terwijl hij daarvan geen gebruik mocht maken en hij vervolgens zonder dat hij voldoende zicht had en nadat hij een doorgetrokken streep had gepasseerd, een stilstaande bus heeft ingehaald. Het slachtoffer heeft als gevolg van de aanrijding fors letsel opgelopen. Gebleken is dat het slachtoffer nog geruime tijd last heeft gehad van de lichamelijke gevolgen die dit ongeval voor haar heeft gehad.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de zogenaamde LOVS-richtlijnen. In deze richtlijnen is voor diverse delicten een oriëntatiepunt voor de op te leggen straf geformuleerd. Voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en zwaar lichamelijk letsel, wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden gehanteerd.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er ten voordele van verdachte rekening mee - zij het in zeer geringe mate - dat het slachtoffer ondanks dat het waarschuwingslicht voor haar oplichtte, toch overstak. Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 augustus 2012 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, de leeftijd van verdachte en met de omstandigheid dat hij zich het leed van het slachtoffer heeft aangetrokken en na het ongeval (tweemaal) contact met haar heeft opgenomen om naar haar toestand te informeren.

De rechtbank is van oordeel dat de taakstraf zoals door de officier van justitie gevorderd recht doet aan de ernst van het feit en de hiervoor genoemde omstandigheden.

Nu verdachte niet eerder wegens een verkeersdelict is veroordeeld en hij voor zijn werkzaamheden afhankelijk is van zijn auto, acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet passend. De rechtbank zal wel een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden opleggen, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst nogmaals schuldig te maken aan het veroorzaken van een verkeersongeluk.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

Bijkomende straffen

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het eind van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mr. P. Bender en

mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2013.

Mr. C.S.K. Fung Fen Chung is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 09 januari 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmede rijdende over de weg, de Archimedeslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, in strijd met een geslotenverklaring in twee richtingen, aangeduid door bord C1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, gebruik te maken van de busbaan en/of terwijl op het wegdek van die busbaan het woord "lijnbus" was aangebracht en/of (vervolgens) naar links over een doorgetrokken streep te rijden teneinde een (stilstaande) bus te passeren en/of (vervolgens) in aanrijding/botsing te komen met een fiets(ster) die, gezien verdachte's rijrichting, van rechts (voor die stilstaande bus langs) de busbaan overstak, waardoor die fietsster (genaamd[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een onderbeenbreuk en een wervelbreuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 09 januari 2012, te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,de Archimedeslaan, in strijd met een geslotenverklaring in twee richtingen, aangeduid door bord C1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, gebruik heeft gemaakt van de busbaan en/of terwijl op het wegdek van die busbaan het woord "lijnbus" was aangebracht en/of (vervolgens) naar links over een doorgetrokken streep is gereden teneinde een (stilstaande) bus te passeren en/of (vervolgens) in aanrijding/botsing is gekomen met een fiets(ster) die, gezien verdachte's

rijrichting, van rechts (voor die stilstaande bus langs) de busbaan overstak, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, behorend bij het proces-verbaal nr. PL0910 2012007680 van de politie regio Utrecht, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 68 .

2 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 4 en 5.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde pagina 17.

4 Proces-verbaal van verhoor van benadeelde [slachtoffer], doorgenummerde pagina 15.

5 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, doorgenummerde pagina 32 (handgeschreven pagina aanduiding)

6 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, doorgenummerde pagina 63 (handgeschreven pagina aanduiding).

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2012, volgnummer PL0910 2012007680-14 (ongenummerd).