Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2957

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
788508 UC EXPL 11-20454 4091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onregelmatige onredelijke opzegging,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0605
XpertHR.nl 2014-408099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 788508 UC EXPL 11-20454 4091

Vonnis van 31 juli 2013

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. L.E. Toet,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tiger Team Uitzenddiensten B.V.,

gevestigd te Utrecht;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tiger Team Facilitaire B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder samen ook te noemen Tiger Team Facilitaire Diensten,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. E. Osinga.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 februari 2012;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 22 november 2012;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 februari 2013;

- de conclusie na getuigenverhoor;

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.

De kantonrechter stelt voorop dat zijn collega die het vonnis van 12 september 2012 nog heeft gewezen en daarna ook de beide getuigenverhoren, zowel op 22 november 2012 als op 21 februari 2013, heeft gehouden, niet in staat is het vonnis in deze zaak te wijzen en dat ondergetekende dit vonnis in haar plaats zal wijzen.

3.

Bij vonnis van 12 september 2012 heeft de kantonrechter [X] opgedragen te bewijzen het gestelde zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.11 van dat vonnis. In rechtsoverweging 2.11 staan onder vier liggende streepjes de stellingen van [X] ter zake van de door haar gestelde aanwezigheid van een dringende reden. Deze luiden: [eiser] is begonnen met [X] uit te schelden voor eerloos, 2. [eiser] probeerde [X] te slaan en raakte daarbij diens echtgenote die tussenbeide kwam, 3. [X] heeft daarop getracht zijn echtgenote te ontzetten en zich tegen de aanvallen van [eiser] te verweren waarbij wederzijds slagen zijn gewisseld en, 4. [X] heeft met een aluminium staf rake klappen uitgedeeld.

Onder rechtsoverweging 2.12 van meergenoemd vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat indien het gestelde schelden en slaan inderdaad is voorgevallen en [eiser] daarbij degene was die met het verbale geweld of het fysieke geweld begon, dit een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet.

4.

De getuigenverhoren hebben respectievelijk plaatsgevonden op 22 november 2012 en

21 februari 2013. Op 22 november 2012 hebben mevrouw [A], de heer [X] alsmede de heer [O]verklaringen afgelegd en bij het tegenverhoor op 21 februari 2013 heeft [eiser] een beëdigde verklaring afgelegd.

5.1

De kantonrechter is van oordeel dat uit de verklaringen voldoende kan worden afgeleid dat tussen [eiser] en [X] geweld, in de vorm van verbaal of non-verbaal, dan wel fysiek geweld, heeft plaatsgevonden. Onvoldoende is evenwel komen vast te staan dat [eiser] degene is geweest die met het geweld, verbaal of non-verbaal of fysiek, begonnen is. In dit verband staan de verklaringen van [eiser] en [X] diametraal tegenover elkaar. Uit hetgeen [X] heeft verklaard zou blijken dat [eiser] hem probeerde te duwen en dat daarna [eiser] probeerde hem te slaan. Uit hetgeen [eiser] heeft verklaard onder de punten 2, 3 en 4 van de verklaring die door hem zijn afgelegd zou moeten blijken dat [X] agressief is geworden.

Uit de verklaring van mevrouw [A] blijkt dat [eiser] is begonnen door een klein tikje aan [X] te geven in de vorm van een duwtje en onder punt twee is door [X] verklaard dat de eerste klap kwam van [eiser] die een vuist heeft gemaakt en wiens klap terechtkwam bij de vrouw van [X].

Uit de verklaring van [O]blijkt niet alleen onvoldoende wie begonnen is, omdat [O]heeft verklaard dat “ze begonnen te vechten met handen en zo, slaan, dat soort dingen, alleen dat heb ik gezien”, terwijl de verklaring over de stok onvoldoende duidelijk maakt of door [eiser] met de stok begonnen is of dat hij de stok heeft gepakt ter zake van zelfverdediging.

Uit verklaringen van [eiser], [X] en mevrouw [A] blijkt dat [eiser], [X] en mevrouw [A] op enig moment dicht op elkaar staan, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter ook blijkt uit de omstandigheid dat mevrouw [A] een klap heeft opgevangen die kennelijk niet voor haar bedoeld was. Daaruit valt op te maken dat mevrouw [A] al gepoogd heeft om tussenbeide te komen, voordat een klap is gevallen. Onder die omstandigheden (en dat blijkt ook uit alle drie verklaringen) waren [eiser] en [X] elkaar dicht genaderd en ook al was de eerste klap nog niet gevallen, was kennelijk een handgemeen zeer nabij een waren de gemoederen al hoog opgelopen.

5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter dient een werkgever tegenover zijn werknemer zoveel als mogelijk is te voorkómen, dat een situatie ontstaat waarop partijen elkaar fysiek zo dicht naderen dat door een derde ingegrepen moet worden en dat voorts daarna ook daadwerkelijk klappen vallen. In dit geval is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat [X] zich in een situatie gemanoeuvreerd heeft waarin hij niet alleen [eiser] op indringende wijze te kennen heeft gegeven dat hij, [X], werkgever is en het werkgeversgezag ook wenst uit te oefenen, maar daardoor ook te veel veroorzaakt heeft dat, zoals getuige [A] het noemt ”mannelijke blikken van kwaadheid” ontstonden, waarna [X] olie op het vuur heeft gegooid door te zeggen “waarom doe je het niet, ga zitten, doe wat ik zeg”.

Indien de vraag “waarom doe je het niet(?)” betrekking heeft op de discussie die kennelijk aan de woordenwisseling is voorafgegaan, te weten over de haalbaarheid van een in de ogen van [eiser] te ambitieus project en een kennelijk in de ogen van [X] wel haalbaar project, had niet een woordenwisseling met een daarop gevecht, maar een gesprek over de mogelijkheden en onmogelijkheden en het uitwisselen van argumenten moeten plaatsvinden. [X] had het nooit zover mogen laten komen dat [X] met [eiser] op de vuist ging. [X] heeft die verantwoordelijkheid in het onderhavige geval miskend.

5.3.

Zelfs indien [eiser] degeen is geweest die het eerste daadwerkelijke fysieke contact tot stand heeft gebracht, in de vorm van een ”duwtje” of “klein tikje”, (volgens de getuigenverklaring van [A]), dan moet dit naar het oordeel van de kantonrechter gezien worden als een vorm van afweer, omdat [X], die dicht tegenover [eiser] stond, niet alleen volgens zijn eigen echtgenote een grote man is, maar kennelijk ook zodanig dicht op [eiser] stond, al dan niet tuffend (lees spuwend, lees consumptie uit de mond veroorzakend) dat een vorm van afweer van deze onwelkome nattigheid niet kan worden opgevat als (het beginnen met fysiek) geweld.

5.4

Dat na een woordenwisseling partijen met elkander slaags zijn geraakt, dient in het onderhavige geval als hoofdzakelijk door [X] uitgelokt voor rekening van de werkgever te komen in het kader van beantwoording van de vraag of [eiser] aan [X] een dringende reden heeft gegeven om met onmiddellijke ingang zonder inachtneming van een opzegtermijn de dienstbetrekking te verbreken.

Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden.

5.5

[eiser] heeft gevorderd te verklaren voor recht dat het door [X] aan [eiser] gegeven ontslag onregelmatig is en dat het door [X] aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Onder c in het petitum in de dagvaarding is gevorderd [X] te bevelen om een schadevergoeding te betalen ter hoogte van € 21.312,72 dan wel € 8.288,28 althans een bedrag dat de rechtbank redelijk en billijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente over het onder b gevorderde. Aan dat deel van de vordering legt [eiser] ten grondslag dat tussen partijen een opzegtermijn van drie maanden is overeengekomen zodat, wanneer de arbeidsovereenkomst regelmatig zou zijn opgezegd, de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst op 1 juni 2011 tot een einde had kunnen komen. Daarnaast is kennelijk onredelijkheid ten grondslag gelegd aan de vordering. [eiser] is gaan solliciteren maar dat heeft tot niets geleid. De WW uitkering is afgewezen. Het zou redelijk en billijk zijn volgens [eiser] als [X] het inkomensverlies van [eiser] vanaf de datum van 1 juni 2011 (tot 12 december 2011, de datum van het uitbrengen van de dagvaarding) zou vergoeden, derhalve een inkomensverlies van vijf en een halve maand. Door [X] is in het kader van de conclusie van antwoord, zij het in een ander verband maar wel voor het onderhavige van belang, aangevoerd dat [eiser] zichzelf heeft ingeschreven bij de Kamer van koophandel. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft [eiser] erop gewezen dat [X] hiervan op de hoogte was en dat de onderneming in overleg met [X] is opgericht.

5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken, mede door de overgelegde en niet gesproken verklaring dat een lening is terugbetaald, dat partijen van elkander wisten dat [eiser] een onderneming had ingeschreven. Iets anders is of met die onderneming door [eiser] inkomsten hadden kunnen worden verworven in de periode nadat het ontslag op staande voet aan hem was gegeven. [eiser] heeft daarover niets gezegd, maar zijn vordering beperkt tot de onregelmatige opzegging en vervolgens een periode van vijf en een halve maand schadevergoeding gevorderd.

5.7.

De vordering ter zake van onregelmatige opzegging is toewijsbaar. Immers nu geen rechtsgeldige dringende reden aan de opzegging ten grondslag is gelegd, had een normale opzegtermijn in acht moeten worden genomen. Onweersproken is gebleven dat tussen partijen een opzegtermijn van drie maanden geldt.

5.8.

Ter zake de kennelijke onredelijkheid van de opzegging heeft [eiser] niet aangevoerd op welke kennelijke onredelijkheidsgrond zoals neergelegd in art. 7:681 BW hij zich beroept. Aangenomen moet worden dat [eiser] bedoeld heeft zich op het standpunt te stellen dat de gevolgen van de opzegging voor hem te groot zijn in relatie tot het belang van de werkgever bij opzegging. [eiser] heeft in dat kader de gevorderde schadevergoeding zelf beperkt tot vijf en een halve maand. Daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] geen beroep doet op de kennelijke onredelijkheidsgrond dat de reden van de opzegging voorgewend of vals is. Nu door de kantonrechter is vastgesteld dat er geen dringende reden is, zou het beroep van [eiser] op een WW-uitkering wel kunnen slagen. Zou WW worden verkregen, dan zou in het kader van de gevolgen van het kennelijk onredelijk ontslag deze uitkering door de kantonrechter mee zijn gewogen en zou de maandelijkse schade niet zijn opgelopen tot 100% van het loon, maar, gedurende de eerste twee maanden, tot 25% en, tijdens de derde en vierde maand na de datum van 1 juni 2011, tot 30% van het loon zijn opgelopen. Bijgevolg ziet de kantonrechter hierin reden de schadevergoeding ter zake van kennelijk onredelijkheid van opzegging te bepalen op 110% van een maand loon.

5.9.

[eiser] heeft onder punt d van de dagvaarding gevorderd om de wettelijke rente over het onder b gevorderde bedrag te voldoen, maar onder b is geen bedrag gevorderd (en wel onder c). De kantonrechter vat dit op als een kennelijke verschrijving en zal b in d van het petitum van de dagvaarding lezen als c. De schadevergoeding ter zake van onregelmatige opzegging en de schadevergoeding ter zake van kennelijk onredelijk ontslag zullen derhalve worden verhoogd met de wettelijke rente.

5.10

[eiser] heeft zijn petitum aangevuld en ook buitengerechtelijke kosten gevorderd. Deze zijn op grond van de dubbele redelijkheidtoets van artikel 6: 96 BW toewijsbaar.

5.11

Tiger Team Facilitaire Diensten dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen Tiger Team Uitzenddiensten BV;

verklaart voor recht dat het door Tiger Team Facilitaire Diensten BV aan [eiser] gegeven opzegging onregelmatig is en kennelijk onredelijk;

veroordeelt Tiger Team Facilitaire Diensten BV om aan [eiser] te betalen € 8.288,28 ter zake van onregelmatige opzegging en € 2.604,89 ter zake van kennelijk onredelijke opzegging, beide te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectieve bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der voldoening;

veroordeelt Tiger Team Facilitaire Diensten om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 1.190,-;

veroordeelt Tiger Team Facilitaire Diensten in de kosten van de procedure begroot op

€ 1.061,81, waarvan € 71,- voor vast recht, € 90,81 voor exploot, waarvan € 68,20 te betalen aan gerechtsdeurwaarder Hendrik Hielke de Boer, en € 900,- voor salaris van de gemachtigde van [eiser];

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.J.M. de Laat en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2013.