Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2872

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2013
Datum publicatie
22-07-2013
Zaaknummer
KvT 2012-26 en 26a
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De KNB heeft de voorzitter van de Kamer verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijke betrokkenheid van de oud-notaris bij een inmiddels gefailleerd financieel adviesbureau.

De voorzitter heeft BFT (Bureau Financieel Toezicht) verzocht het onderzoek te verrichten. Dat onderzoek heeft ruim twee jaar geduurd.

Het daaruit volgend rapport van BFT levert volgens de Kamer van Toezicht op diverse gronden, afzonderlijk maar eens te meer tezamen geen deugdelijk onderbouwing op

voor de verwijten die de oud-notaris zijn gemaakt. Het rapport voldoet, mede gelet op de wijze van totstandkomng niet aan de fundamentele eisen die aan een dergelijke rapportage moeten worden gesteld.

Omdat de Kamer om die reden niet tot het oordeel komt dat de klachten en de bedenkingen gegrond zijn, worden zij afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT

BESLISSING van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht

in de zaak die de voorzitter op de voet van artikel 96 lid 6 Wet op het notarisambt aan deze Kamer heeft voorgelegd,

en op de klacht van :

Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie,

gevestigd te Den Haag,

gemachtigde mr. W.J. Geselschap,

hierna: de KNB,

tegen

[naam] ,

oud-notaris te [vestigingsplaats],

advocaten mrs. F. van der Woude en E. Nederlof te Amsterdam.

hierna: de oud-notaris.

1 De procedure

1.1.

Bij brief van 3 november 2009 heeft de KNB de voorzitter van deze Kamer verzocht om op grond van artikel 96 lid 2 Wet op het notarisambt (Wna) een onderzoek te gelasten naar de mogelijke betrokkenheid van de oud-notaris bij frauduleuze handelingen van het inmiddels gefailleerde financieel adviesbureau [A]te [woonplaats], alsmede zijn betrokkenheid bij gelijksoortig handelen van andere partijen. Het verzoek is gebaseerd op informatie van de redactie van het televisieprogramma “Tros Opgelicht” en van mr.[X], de ambtsopvolger van de oud-notaris.

1.2.

De voorzitter van deze Kamer heeft bij brief van 24 maart 2010 aan het Bureau Financieel Toezicht (hierna: BFT) bericht dat hij het onderzoek waarom de KNB heeft verzocht zal opdragen aan de plaatsvervangend voorzitter mr. H.M.M. Steenberghe die de brief mede heeft ondertekend. Daarbij is BFT verzocht (representatief) onderzoek te doen naar de overboekingen van gelden van cliënten die door, namens of in opdracht van de oud-notaris zijn verricht naar rekeningen van anderen dan van de desbetreffende cliënten, alsmede naar de daarbij behorende dossiers en transacties over de jaren 2005 tot en met 2007 of zonodig tot oktober 2008, de datum van het defungeren van de notaris.

1.3.

BFT heeft het verzoek ingewilligd. Op 13 juli 2012 is het onderzoeksrapport met bijlagen door de plaatsvervangend voorzitter ontvangen. Deze heeft bij brief van 3 augustus 2012 de voorzitter van deze Kamer geadviseerd om het rapport van BFT aan de Kamer voor te leggen.

1.4.

De waarnemend voorzitter mr. R.J. Verschoof heeft bij brief van 30 augustus 2012 de zaak ter tuchtrechtelijke behandeling aan de Kamer voorgelegd, en wel voorzover

mr. Steenberghe heeft geconcludeerd dat er (sterke) aanwijzingen zijn dat de notaris betrokken is geweest bij een omvangrijke fraude die gepleegd is door het inmiddels gefailleerde financieel adviesbureau [A]te [woonplaats], op de wijze zoals door het BFT in haar rapport van 13 juli 2012 is beschreven. Een kopie van deze brief is gestuurd aan de oud-notaris en aan de KNB.

1.5.

De resultaten van het onderzoek van BFT zijn op 6 september 2012 naar de KNB en

naar de oud-notaris gezonden. Aan de oud-notaris is verzocht op de bevindingen en de rapportage te reageren.

1.6.

Bij brief van 4 oktober 2012 heeft de KNB een klacht over de in het rapport van BFT

gesignaleerde handelwijze van de oud-notaris ingediend met het verzoek deze klacht gelijktijdig te behandelen met de ambtshalve bedenking van de voorzitter. De KNB heeft gevraagd de oud-notaris te ontzetten uit het ambt.

1.7.

Bij brief van 9 oktober 2012 is de oud-notaris verzocht tevens op de klacht van de

KNB te reageren.

1.8.

Na daartoe verkregen uitstel heeft de oud-notaris op 17 januari 2013 een verweer-schrift ingediend. Daarbij waren 6 producties gevoegd.

1.9.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

  • -

    mrs. Van der Woude en Nederlof voornoemd, namens de oud-notaris,

  • -

    mr. W.J. Geselschap voornoemd namens de KNB,

  • -

    mr. C.A. Reckweg namens BFT.

1.10.

De KNB heeft onder overlegging van pleitaantekeningen de klacht nader toegelicht. Namens de notaris is vervolgens verweer gevoerd. BFT heeft naar aanleiding van vragen van de Kamer de totstandkoming van de rapportage nader toegelicht.

De uitspraak op de formele verweren is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De oud-notaris is van 1 september 1999 tot 1 oktober 2008 notaris geweest met als

vestigingsplaats [vestigingsplaats]. Hij heeft in de periode van 2005 tot 2007 hypotheekakten gepasseerd in verband met leningen die particulieren hadden afgesloten na advies van Financieel Adviesbureau [A]te [woonplaats] en/of Hypotheekpad B.V.

2.2.

Op 24 maart 2009 is in een uitzending van het televisieprogramma Tros Opgelicht, aandacht besteed aan de werkwijze van Financieel Adviesbureau [A]te [woonplaats]. In deze uitzending werd gemeld dat dit bureau als tussenpersoon voor klanten premies zou hebben ontvangen voor verzekeringen die nooit zouden zijn afgesloten. Dit bureau zou daarbij gebruik hebben gemaakt van diensten van de oud-notaris. De redactie van Tros Opgelicht had op voorhand een aantal bescheiden aan de KNB toegezonden met de vraag of de oud-notaris onzorgvuldig had gehandeld.

2.3.

Op 15 juni 2009 heeft een bespreking tussen de KNB en de oud-notaris plaatsgevonden.

2.4.

Bij brief van 12 juli 2009 heeft notaris [X] aan de KNB geschreven dat hij in verband met de beslissing van de KNB over het indienen van een klacht tegen de oud-notaris zijn ervaringen met een andere tussenpersoon, Hypotheekpad B.V., ter afweging wilde meegeven. Hij heeft deze ervaringen uit de doeken gedaan.

2.5.

Bij brief van 21 juli 2009 heeft de KNB aan de oud-notaris medegedeeld dat de kwestie rond diens betrokkenheid bij het handelen van Adviesbureau[A] en de beslissing over het vervolgtraject eerst tijdens de bestuursvergadering van de KNB van 19 augustus 2009 aan de orde zal komen. Aan de notaris is gevraagd nog iets langer geduld te betrachten.

2.6.

De KNB heeft de oud-notaris bij brief van 25 augustus 2009 uitgenodigd voor een gesprek op 1 oktober 2009.

2.7.

De oud-notaris is op 10 september 2009 bezocht door medewerkers van het Openbaar Ministerie in het kader van de strafrechtelijke vervolging van (de) medewerker(s) van Adviesbureau[A].

2.8.

Het gesprek van 1 oktober 2009 is afgezegd, volgens de KNB door de oud-notaris, volgens de oud-notaris door de KNB.

2.9.

De KNB heeft, zoals hiervoor in het kader van de procedure is vermeld, bij brief van 3 november 2009 aan de voorzitter van deze Kamer verzocht een onderzoek naar de oud-notaris te gelasten.

2.10.

BFT heeft bij brief van 4 mei 2010 aan de oud-notaris het volgende gemeld:

“Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voert in opdracht van de voorzitter van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen te Utrecht een tuchtrechtelijk onderzoek uit op grond van artikel 96 lid 5 Wet op het notarisambt naar uw handelen over de periode 1 januari 2005 tot 1 oktober 2008.

Het BFT zou in het kader van dit onderzoek graag kennis willen nemen van uw ervaringen in deze periode . Dergelijke ervaringen kunnen van belang zijn voor de verdere uitvoering van het genoemde onderzoek. Na het verzenden van deze brief zal ondertekende binnen een week contact met u op nemen om zo mogelijk een afspraak met u te maken.”

2.11.

De beide raadslieden van de oud-notaris hebben bij e-mail van 12 mei 2010 contact met BFT gezocht en hebben op 14 juni 2010 telefonisch contact met BFT gehad over de aan de oud-notaris te stellen vragen, de onderliggende documenten en eventuele getuigenverklaringen en het concept-rapport.

2.12.

BFT heeft afgezien van het stellen van schriftelijke of mondelinge vragen aan de oud- notaris. Dat is niet bericht aan de oud-notaris.

2.13.

De plaatsvervangend voorzitter heeft in zijn brief van 3 augustus 2012 aan de voorzitter van deze Kamer (1.3.) een paar opmerkingen gemaakt die hij voor de behandeling van de zaak door de Kamer mogelijk van belang acht. Daarbij wordt het volgende vermeld:

“- als gevolg van de werklast van het BFT en ziekte van degene die aanvankelijk met de uitvoering van het

onderzoek was belast, heeft het onderzoek ruimt twee jaar geduurd;

- - BFT heeft er voor gekozen om oud-notaris [naam] en oud-notarieel medewerker [M] (die

volgens de getuigenverklaringen doorgaans voor [A]BV en Hypotheekpad BV en de bestuurders

[S]en [W] de notariële werkzaamheden voorbereidde) geen mondelinge of

schriftelijke vragen te stellen. Ik begrijp daaruit dat zij bij het onderzoek niet betrokken zijn geweest en

evenmin in de gelegenheid zijn gesteld om op de inhoud van het rapport te reageren;

- - Per 1 oktober 2008 is mr.[X] notaris [naam] opgevolgd, eerst als vacaturewaarnemer en

per 30 oktober 2008 als notaris. Voordat de KNB besloten heeft tot het verzoek aan de voorzitter van de

Kamer om een onderzoek te gelasten, heeft notaris [X] bij brief van 12 juli 2009 het bestuur van de KNB

nader geïnformeerd over zijn bevindingen. Notaris [X] heeft een financieel belang, hij heeft de door hem

aan oud-notaris [naam] betaalde goodwill teruggevorderd;

- - Notaris [X] is aanwezig geweest bij de interviews die het BFT heeft gehouden met de nog bij notaris

[X] werkzame oud-medewerkers van oud-notaris [naam].”

3 Het onderzoek, het verweer en de beoordeling


3.1. BFT stelt in haar eindconclusie dat uit de interviews en de door haar onderzochte

dossiers is gebleken dat de cliënten voorafgaand aan het passeren van de hypotheekakten, geen concept-akten zijn toegezonden. Door het niet toezenden van de akte aan de cliënten heeft de oud-notaris volgens BFT niet voldaan aan het vereiste van artikel 43 lid 1 Wna jo artikel 5 Verordening beroeps-en gedragsregels. De oud-notaris heeft volgens BFT getracht de indruk van naleving te wekken door in verschillende dossiers kopieën van niet verzonden documenten te hebben.

BFT concludeert dat in geen van de onderzochte dossiers is gebleken dat de oud-notaris zijn notariële rol in zake Belehrung en Beratung heeft vervuld. Er zijn in de betrokken dossiers geen aantekeningen, e-mails of notities aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat de oud-notaris een voorlichtende rol heeft gespeeld dan wel gewezen heeft op mogelijke risico’s bij de betreffende rechtshandelingen. Uit de interviews met de betrokken cliënten alsook uit de interviews met het kantoorpersoneel van het notariskantoor en de brief van notaris [X] blijkt volgens BFT dat de cliënten van de oud-notaris als minder dan gemiddeld ter zake kundig kunnen worden beschouwd en dat zij in grote mate op de tussenpersonen vertrouwden, Dit blijkt onder andere uit het feit dat handtekeningen werden gezet op blanco papieren. Dit blijkt tevens uit het feit dat bij de door de tussenpersonen gekozen constructie de gelden van cliënten in depot werden gehouden door de tussenpersoon teneinde de hypotheekkosten te voldoen. De notaris heeft deze cliënten niet gewezen op het verhoogde risico van deze constructie hetgeen wel op zijn weg had gelegen omdat deze gelden bij een dergelijk depot niet gewaarborgd zijn. BFT stelt dat er sprake was van onkunde bij de cliënten en overwicht door de tussenpersonen hetgeen maakte dat de notaris waakzaam diende te zijn voor mogelijke onregelmatigheden bij de totstandkoming van de geldleningen.

BFT heeft voorts gesteld dat niet voldaan is aan artikel 39 lid 1 Wna, omdat de in de akte genoemde comparanten namens de hypotheeknemers, de kantoormedewerkers, niet bij het verlijden van de akte aanwezig zijn geweest.

De oud-notaris zou verder hebben meegewerkt aan het verhullen voor cliënten wat daadwerkelijk met hun verzekeringspremies gebeurde door de vermelding van posten als “uitbetaling volgens bijlage” waarbij het voor de oud-notaris kenbaar was dat de uitbetaling van de gelden niet naar de verzekeraars ging maar naar de tussenpersonen of andere derden. BFT stelt dat de oud-notaris onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door zijn medewerking aan de transacties te verlenen en daarbij heeft gebankierd met zijn derdengeldenrekening. Ook heeft de oud-notaris de belangen van zijn cliënten en de door hen te lopen risico’s niet voor ogen gehad en heeft hij zich slechts laten leiden door de belangen van de tussenpersonen. Tenslotte heeft BFT gemeend dat het in het belang van alle betrokken benadeelde cliënten is dat zij op de hoogte worden gebracht van het oordeel van de Kamer van Toezicht over het gestelde handelen van de oud-notaris, zodat de betrokkenen hun eigen afweging kunnen maken en dat deze informatie ook door de huidige protocolhouder aan de betrokkenen dient te worden verstrekt.

3.2.

De oud- notaris heeft in zijn verweer primair een beroep gedaan op artikel 99 lid 12 Wna en het feit dat hij wordt blootgesteld aan een onwenselijk lange - en door de wetgever niet beoogde – vervaltermijn zodat de waarnemend voorzitter en de KNB niet-ontvankelijk zijn. Daartoe voert hij aan dat artikel 99 lid 12 Wna zowel van toepassing is op de klacht van de KNB als op het voorleggen van de zaak door de waarnemend voorzitter. De termijn van drie jaar neemt volgens de oud-notaris een aanvang zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van de notaris en dus niet pas op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. De oud-notaris stelt dat de KNB al op 24 maart 2009 van het vermeende handelen op de hoogte was en pas op 8 oktober 2012 een klacht heeft ingediend, zodat het tijdsverloop van meer dan drie jaren aan de ontvankelijkheid van de klacht in de weg staat.

De oud-notaris stelt dat ook de waarnemend voorzitter te laat is. Hij voert hiertoe aan dat de Kamer, en dus de waarnemend voorzitter, door de uitzending van Tros Opgelicht waarin over het handelen en nalaten van de notaris werd bericht, op de hoogte van die vermeende gedra-gingen had kunnen zijn. Bovendien had de voorzitter van de Kamer de brief van mr.[X] van 12 juli 2009 ontvangen, terwijl de zaak pas op 30 augustus 2012 aan de Kamer is voorgelegd. De oud-notaris stelt dat hij aldus is blootgesteld aan een onwenselijk lange termijn waardoor hij in zijn belangen is geschaad.

3.3.

De Kamer overweegt met betrekking tot de gestelde overschrijding van de termijn ex artikel 99 lid 12 Wna als volgt. Een klacht kan op grond van artikel 99 lid 12 Wna worden ingediend gedurende 3 jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gewraakte handelen of nalaten van de notaris. Voor zover dit artikel al van toepassing is op het voorleggen door de voorzitter - naar aanleiding van een in diens opdracht uitgevoerd onderzoek - van een zaak aan de Kamer, dient als de dag waarna de termijn van drie jaren aanvangt naar het oordeel van de Kamer te worden aangemerkt de dag waarop de voorzitter kennis heeft kunnen nemen van de resultaten van het door hem gelaste onderzoek. De voorzitter is immers geen rechtstreeks betrokkene bij de in zijn opdracht onderzochte feiten; zijn onderzoek is erop gericht vast te (doen) stellen of van laakbaar handelen van de oud-notaris sprake zou kunnen zijn (vergelijk Kamer van Toezicht te Amsterdam, 7 juni 2011, LJN YC0634). De resultaten van het onderzoek waarop de voorzitter zijn oordeel moet vormen zijn bij brief van 3 augustus 2012 van de plaatsvervangend voorzitter aan hem toegezonden, zodat de bedenkingen ruim binnen de vervaltermijn zijn ingediend.

De kamer overweegt voorts dat ook de KNB niet als rechtstreeks betrokkene moet worden aangemerkt en dat de KNB het onderzoek dat op haar verzoek is gelast, mocht afwachten alvorens te beslissen over het indienen van een klacht. Voor de KNB heeft de termijn dus een aanvang genomen op 7 september 2012, de dag waarop zij kennis heeft kunnen nemen van de aan haar toegezonden onderzoeksresultaten van BFT. De klacht van de KNB is derhalve tijdig ingediend, zodat artikel 99 lid 12 Wna niet aan de behandeling van de klacht in de weg staat.

3.4.

De oud-notaris heeft subsidiair als verweer gevoerd dat het rapport van BFT buiten beschouwing moet worden gelaten omdat dit rapport ondeugdelijk is en tot stand is gekomen zonder dat fundamentele rechten van de oud-notaris zijn gewaarborgd. Daarom kan het rapport volgens de oud- notaris niet dienen tot onderbouwing van de aan hem verweten gedragingen.

3.5.

De oud-notaris voert ter toelichting aan dat BFT tegenover hem verplicht was het onderzoek objectief en zorgvuldig uit te voeren. Daarvan is geen sprake geweest omdat elementaire beginselen zoals de praesumptio innocentiae, het recht op hoor en wederhoor, het recht op een fair trial en het beginsel van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet in acht zijn genomen. Volgens de oud-notaris heeft BFT miskend dat zij bij een onderzoek in opdracht van de plaatsvervangend voorzitter, anders dan in haar rol als toezichthouder, slechts feiten moet rapporteren, kritisch dient door te vragen, onderzoek moet doen naar zowel belastende als ontlastende feiten, en zich dient te onthouden van oordeelsvorming.

3.6.

De KNB heeft aangevoerd dat de oud-notaris de mogelijkheid heeft om zich tegen de conclusies van BFT te verweren tijdens de behandeling van de zaak door de Kamer. Volgens de KNB is geen sprake van bewijsnood door de wijze van onderzoek of de inhoud van de rapportage. De KNB heeft voorts aangevoerd dat het rapport van BFT voldoende bewijs aanbrengt om de oud-notaris de zwaarst mogelijke maatregel, dat wil zeggen ontzetting uit het ambt, op te leggen.

3.7 .

De Kamer overweegt met betrekking tot het subsidiaire verweer als volgt.

3.8.

Volgens vaste rechtspraak is artikel 6 EVRM ook van toepassing op de onderhavige tuchtrechtelijke procedure omdat de uitkomst direct beslissend is voor de bevoegdheid het ambt van notaris uit te oefenen. Op grond van artikel 6 EVRM heeft een ieder het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Het vereiste van een eerlijke behandeling brengt onder meer mee dat sprake moet zijn van ‘equality of arms’, dat wil zeggen dat iedere procespartij de redelijke mogelijkheid geboden moet worden zijn zaak aan de rechter voor te leggen onder omstandigheden die hem niet in een substantieel nadelige positie ten opzichte van zijn wederpartij plaatsen. De redelijkheid van een termijn van de procedure wordt beoordeeld aan de hand van de complexiteit van de zaak, de bijdrage van de partijen aan de vertraging en hetgeen voor partijen in het geschil in het geding was.

3.9.

Het onderzoek van het BFT heeft ruim twee jaar geduurd. Het BFT heeft geen goede verklaring kunnen geven voor dit lange tijdsverloop. Uit het rapport blijkt dat een onderzoeker van het BFT ‘op 29 maart 2010 en later’ op het kantoor van de ambtsopvolger een aantal dossiers heeft geselecteerd waarbij de in de onderzoeksopdracht genoemde (tussen)personen waren betrokken. Die dossiers heeft BFT op haar eigen kantoorlocatie onderzocht. Voorts blijkt uit het rapport dat het BFT in de periode tot en met september 2010 interviews heeft afgenomen van medewerkers van de oud-notaris die nog bij zijn ambtsopvolger in dienst waren. Uit bijlage 6.1 bij het rapport blijkt dat BFT op 15 april 2010 de strafdossiers in de zaken tegen de heren[A] en [W] van de officier van justitie heeft ontvangen. Pas op 13 juli 2012 heeft het BFT haar rapport opgemaakt. Namens BFT is tijdens de mondelinge behandeling door de Kamer bevestigd dat lange tijd, in ieder geval gedurende geheel 2011, geen onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden. Volgens het BFT heeft het zo lang geduurd vanwege “de complexiteit van de zaak, de ziekte van de eerste toezichthouder en gebrek aan capaciteit bij het BFT”. Naar het oordeel van de Kamer blijkt uit het rapport niet van bijzondere complexiteit. Ziekte en gebrek aan capaciteit bij het BFT maken de gebeurtenissen wel begrijpelijk, maar kunnen in het kader van de hier aan de orde zijnde beoordeling geen mee te wegen argumenten zijn.

3.10.

Het BFT heeft er voor gekozen de oud-notaris en de oud-notarieel medewerker[M] (die volgens de getuigenverklaringen doorgaans voor Adviesbureau[A] en Hypotheekpad de notariële werkzaamheden voorbereidde) geen mondelinge of schriftelijke vragen te stellen. Zij zijn in het geheel niet bij het onderzoek betrokken geweest en evenmin in de gelegenheid geweest om op het concept-rapport te reageren. De oud-notaris heeft geen inzage gehad in de door BFT onderzochte en geselecteerde cliëntendossiers. Hij heeft ook geen inzage gehad in de strafdossiers tegen[A] en [W]. Het BFT heeft aanvankelijk - expliciet en schriftelijk - onderkend dat de ervaringen van de oud-notaris van belang konden zijn voor de verdere uitvoering van haar onderzoek. Met het oog daarop heeft het BFT bij brief van 4 mei 2010 aan de oud-notaris bericht dat zo mogelijk een afspraak zal worden gemaakt. De oud-notaris heeft zijn medewerking aangeboden. Het BFT heeft vervolgens afgezien van het stellen van vragen aan de oud-notaris. Zij heeft deze keuze op pagina 4 van het rapport gemotiveerd met de relatief lange doorlooptijd van het onderzoek, de complexiteit van de zaak, de langdurige afwezigheid wegens ziekte van de eerste toezichthouder en gebrek aan capaciteit van het BFT. Zij heeft daaraan toegevoegd dat het voor de oud-notaris ook niet meer mogelijk was om de dossiers die BFT had onderzocht in te zien. Deze motivering is naar het oordeel van de Kamer ondeugdelijk. Voor wat betreft de inzage in cliëntendossiers en strafdossiers had het op de weg van het BFT gelegen om in overleg met de oud-notaris daarvoor een mogelijkheid te vinden. Die mogelijkheid had gevonden kunnen worden, al was het maar omdat BFT die dossiers op haar eigen kantoor heeft onderzocht. Hiervoor is al overwogen dat niet is gebleken van complexiteit en dat ziekte en gebrek aan capaciteit geen excuus zijn.

3.11.

Door de oud-notaris is met recht aangevoerd dat zijn ambtsopvolger een financieel belang heeft bij de beoordeling van zijn handelen. Immers, deze ambtsopvolger heeft de door hem aan de oud-notaris betaalde goodwill teruggevorderd. Uit het rapport van BFT blijkt niet dat zij met dit zelfstandig belang van de ambtsopvolger rekening heeft gehouden. Dat had zij wel moeten doen, reeds omdat de oud-notaris heeft gemeld dat hij zelf geen toegang had tot de cliëntendossiers, dat hij niet kon nagaan of de dossiers compleet waren en dat hij daarnaast heeft geconstateerd dat er na zijn vertrek dossiers zijn opgeschoond, terwijl BFT verregaande conclusies verbindt aan de afwezigheid van notities in de dossiers. Los hiervan is in het rapport zeer summierlijk gemotiveerd hoe de selectie van de uitgekozen dossiers (8 van de 87) heeft plaatsgevonden en welke criteria daarbij een rol hebben gespeeld. De oud-notaris heeft ook hier geen enkele invloed kunnen uitoefenen, noch zich over de selectie kunnen uitlaten.

3.12.

Het BFT heeft de medewerkers van de oud-notaris die in dienst zijn gebleven bij diens ambtsopvolger in aanwezigheid van deze ambtsopvolger gehoord. Tijdens de behandeling bij de Kamer is namens BFT toegelicht dat dit is gebeurd op verzoek van de ambtsopvolger en de betrokken medewerkers. De Kamer acht deze gang van zaken onwenselijk en onjuist; de interviews hadden buiten aanwezigheid van de ambtsopvolger behoren plaats te vinden. Daarnaast is de Kamer van oordeel dat ook de klacht van de oud-notaris dat het BFT blijkens de integraal opgenomen tekst van de interviews geen neutrale vragen heeft gesteld, terecht is opgeworpen. De vraagstelling is niet neutraal geweest, maar doelgericht en een aantal vragen, zoals bijvoorbeeld naar “zogenaamde verzekeringspre-mies”, “zogenaamde toestemmingsbriefjes” en “aangeleverde cliënten” is zelfs ronduit suggestief.

3.13.

De Kamer betreurt het dat het BFT geen informatie heeft gevraagd aan de officier van justitie die belast was met de strafzaken tegen[A] en [W], terwijl de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter het BFT uitdrukkelijk in overweging hadden gegeven dat wel te doen.

3.14.

Uit het voorgaande volgt dat het rapport van het BFT op diverse gronden, afzonderlijk maar eens te meer tezamen, geen deugdelijke onderbouwing kan opleveren voor de verwijten die de oud-notaris zijn gemaakt. Het rapport voldoet, mede gelet op de wijze van totstandkoming, niet aan de fundamentele eisen die aan een dergelijke rapportage moeten worden gesteld. De tekortkomingen kunnen naar het oordeel van de Kamer niet worden hersteld louter doordat de oud-notaris zich tijdens de mondelinge behandeling door de Kamer zou kunnen verweren. Naar het oordeel van de Kamer is de oud-notaris door dit rapport in een substantieel nadelige positie geplaatst. Aanvullend onderzoek naar de gebeurtenissen in de jaren 2005 tot en met 2007 is door het lange tijdsverloop niet goed meer mogelijk omdat bewijs en herinneringen mogelijk verloren zijn gegaan. Ook zou met aanvullend onderzoek zoveel tijd gemoeid zijn dat geen sprake meer kan zijn van berechting binnen een redelijke termijn. Bij dat oordeel is van belang dat de zaak niet bijzonder complex is, dat de oud-notaris zelf niet verantwoordelijk is voor de vertraging die al is opgelopen en dat voor de oud-notaris, hoewel hij al in 2008 is gedefungeerd, een belangrijk recht op het spel staat, namelijk de bevoegdheid om het beroep van notaris te mogen uitoefenen.

3.15.

Nu de Kamer derhalve niet tot het oordeel komt dat de klachten en de bedenkingen van de waarnemend voorzitter gegrond zijn, moeten zij worden afgewezen. Daarmee dient ook het verzoek van BFT om alle betrokkenen van de uitspraak van de Kamer op te hoogte te (doen) stellen, te worden afgewezen nu niet duidelijk is welk belang daarmee wordt gediend.

4 De beslissing:

De Kamer van Toezicht:

Verklaart de bedenkingen van de waarnemend voorzitter en de klachten ongegrond.

Gewezen te Utrecht door mr. H.A.M. Pinckaers, plv. voorzitter, mrs. E.J.M. Kerpen,

G.H. Beens, R.J.M. van den Heuvel en A.R. Creutzberg, leden, bijgestaan door

mr. M.E. Hoogendorp, secretaris, en uitgesproken op 29 maart 2013.

de secretaris De plv. voorzitter

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de verzenddatum daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Civiele Griffie, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.