Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2824

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
16-650553-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 26.343,59.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer(s): 16/650553-12 (ontneming)

Datum uitspraak: 4 juli 2013

vonnis van de rechtbank d.d. 4 juli 2013

in de ontnemingszaak tegen:

[veroordeelde], hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],[postcode] [woonplaats]

raadsvrouwe mr. J.O.A.N. de Vries.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

  • -

    de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16/650553-12, waaruit blijkt dat veroordeelde op

28 mei 2013 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake de teelt van hennepplanten;

  • -

    het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

  • -

    de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.038,38 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat veroordeelde een veel lager voordeel heeft genoten van de door hem opgezette hennepkwekerij. Er was slechts sprake van één oogst. Veroordeelde was zeer onervaren en de hennepkwekerij was niet professioneel opgezet waardoor de oogst niet optimaal was. De kwaliteit van de hennep was niet goed. Deze hennep heeft niet veel opgebracht. De door veroordeelde gemaakte kosten waren hoger dan de opbrengst van de oogst.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij vonnis van 28 mei 2013 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde 421 hennepplanten heeft geteeld.

De rechtbank ontleent aan de inhoud van het voornoemde vonnis en het strafdossier het oordeel dat veroordeelde door middel van het begaan van voornoemd feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Aan de inhoudt van de wettige bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 26.343,59. Dit voordeel is als volgt berekend.

De rechtbank gaat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening in het proces-verbaal van berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel, genummerd [nummer].

Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:

  • -

    aannemelijk is geworden dat veroordeelde eenmaal 421 hennepplanten heeft geoogst;

  • -

    de rechtbank stelt vast dat de gemiddelde oogst per plant, naar uit ervaringsregels en politieonderzoek is gebleken, bij een kwekerij als bij veroordeelde is aangetroffen 28,2 gram hennep per plant oplevert;
    - de gemiddelde verkoopprijs per kilogram hennep bedraagt volgens ervaringsregels € 3.280,-;
    - de totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 421 planten x 28,2 gram= 11,872 kilogram.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van de opbrengst per oogst: 11,872 kilogram x € 3.280 opbrengst per kilogram = € 38.940,16.

Verder gaat de rechtbank uit van de volgende kostenposten die naar het oordeel van de rechtbank zijn toe te schrijven aan de oogst in de voornoemde periode:

  • -

    de rechtbank stelt de inkoopprijs van de hennepstekken, naar uit ervaringsregels en politieonderzoek is gebleken, vast op € 2,85 per stuk;

  • -

    de rechtbank zal de variabele kosten op gemiddeld € 3,33 per plant stellen;
    - de rechtbank zal de afschrijvingskosten van de investering die veroordeelde heeft moeten maken voor het inrichten en opbouwen van de kwekerij vaststellen op € 300,- per oogst;
    - de rechtbank zal de kosten voor het elektriciteitsverbruik, evenals de officier van justitie, vaststellen op € 6.000,- per oogst;

  • -

    de rechtbank zal de herstelkosten van de elektrische installatie vaststellen op € 694,79;

  • -

    de huur van de ruimte die in verband met de kwekerij door veroordeelde is gehuurd bedraagt € 3.000,- per kwartaal.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van de kosten per oogst: (421 planten x € 2,85) + (421 planten x € 3,33) + afschrijvingskosten € 300,- + elektriciteitskosten € 6.000,- + herstelkosten € 694,79 + huur € 3.000,- = € 12.596,57.


Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het netto

wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van opbrengst

€ 38.940,16 minus kosten € 12.596,57 = € 26.343,59.

Het verweer namens veroordeelde dat hij een veel lager voordeel heeft genoten van de door hem opgezette hennepkwekerij, omdat geen sprake was van een optimale oogst en de hennep niet van goede kwaliteit was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden en vindt zijn weerlegging in het strafdossier.

3 De beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 26.343,59.

Zij legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 26.343,59, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, voorzitter, mrs. E.A.A. van Kalveen en E.M. de Stigter, rechters, in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2013.