Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2790

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2013
Datum publicatie
02-08-2013
Zaaknummer
199755-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding artikel 6 WVW 1994 waarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. (vrachtwagen die met onverminderded snelheid achter op een file inrijdt).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/199755-11 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 maart 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (België),

wonende te [woonplaats] (België), [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. D. van den Broek, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

Op 22 augustus 2011 te Amersfoort zich als bestuurder van een vrachtauto met aanhanger op de rijksweg A1 zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer]zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte op genoemde datum en plaats als bestuurder van een vrachtwagen met aanhanger gevaar heeft veroorzaakt in het verkeer;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op maandag 22 augustus 2011 rond 08.00 uur vond er op de parallelbaan van de Rijksweg A1 te Amersfoort een ongeval plaats waarbij het motorrijtuig van verdachte en een aantal andere auto’s waren betrokken. De parallelbaan van de A1 bestaat ter plaatse uit twee rijstroken en een gecombineerde in- en uitvoegstrook.2

Verdachte reed als bestuurder van een vrachtwagen met aanhanger over de parallelbaan van de A1, komende uit de richting Apeldoorn en gaande in de richting Utrecht. Verdachte reed met een snelheid tussen de 80 en 90 kilometer per uur. 3 Op de rijstrook waarop verdachte reed, stond een stilstaande danwel zeer langzaam rijdende file. In die file stond een Volvo V70; rechts achterin deze auto zat [slachtoffer]

Verdachte is met zijn vrachtauto eerst tegen de laatste auto die in die file stond, een Volvo V40, aangereden en heeft vervolgens met zijn linkervoorzijde de rechterachterzijde van de auto waarin het slachtoffer zat geraakt. Daarna is de vrachtauto van verdachte gekanteld en al schuivend tot stilstand is gekomen.

De Volvo V40 is door de aanrijding tegen een voor hem staande VW Caddy gebotst, die op zijn beurt (ook) tegen de inmiddels door verdachte aangereden Volvo V70, waarin [slachtoffer] zat, aan reed en deze auto eveneens aan de rechter achterzijde raakte.

[slachtoffer] is per ambulance naar het Universitair Medisch Centrum in Utrecht vervoerd, waar werd geconstateerd dat zij ernstig hersenletsel en meerdere fracturen had opgelopen4. In november 2011 is [slachtoffer] in de onsamenhangende bewustzijnsfase verklaard. Zij is op dat moment door de verwondingen tengevolge van het ongeval rolstoelafhankelijk en heeft hulp nodig bij wassen, aankleden en toiletgang. Ze krijgt sondevoeding en heeft geen mogelijkheden tot communicatie. De verwachting was in november 2011 dat herstel tenminste vijf jaren zal duren, waarbij het eindresultaat niet valt te voorspellen.5

Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden bij hectometerpaal 45.2.6

Boven de parallelbaan van de A1 bevonden zich zogeheten matrixborden. Zowel het matrixbord kort voor de plaats van het ongeval als het matrixbord dat ongeveer 300 meter daarvoor was geplaatst, brandden en gaven voor de rijstroken een maximumsnelheid van 50 km/uur aan en voor de in- en uitvoegstrook een maximumsnelheid van 70 km/uur. Blijkens een uitdraai van Rijkswaterstaat brandden deze matrixborden al geruime tijd (in ieder geval een half uur) voordat het ongeval plaatsvond.7

Het was die ochtend mistig; het zicht was volgens getuige [getuige 4] ongeveer 150 meter.8

Getuige[getuige 4], die eerst achter de vrachtwagen reed die verdachte bestuurde en daarna ernaast, zag dat de vrachtwagen geen vaart minderde en zag op geen enkel moment remlichten aangaan bij de vrachtwagen.9

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte verkeersregels en –normen heeft geschonden en dat de gevolgen van deze schending voorzienbaar zijn geweest.

Van verdachte mocht, als beroepschauffeur rijdend in een groot en zwaar voertuig, extra verantwoordelijk rijgedrag worden verwacht. De weersomstandigheden waren niet optimaal en ter plaatse gold een maximumsnelheid van 50 km/uur, welke snelheidsbeperking middels matrixborden boven de rijstroken was aangegeven vanwege filevorming ter plaatse. Verdachte had derhalve alerter moeten zijn.

De officier van justitie acht de schuld aan het verkeersongeval in aanmerkelijke mate aanwezig. Verdachte is tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer]zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder ernstig hersenletsel, een schedelbasisfractuur en een kaakfractuur.

Verdachte heeft bekend dat hij de veroorzaker is geweest van het verkeersongeval.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Naar de mening van de verdediging kan niet met zekerheid worden vastgesteld waarom verdachte de file voor hem niet heeft opgemerkt. Verdachte denkt dat hij een kort moment afgeleid is geweest door het geluid van zijn mobiele telefoon. Het hierdoor afgeleid worden, is geen bewuste keus, maar iets dat een ieder kan overkomen. Het verder niet reageren op dat geluid door bijvoorbeeld de telefoon ter hand te nemen, is niet aan te merken als gevaarlijk verkeersgedrag.

Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte is gebleken dat kort voor en ten tijde van het ongeval geen telefoon- en/of sms-verkeer met zijn telefoon heeft plaatsgevonden.

Verder is niet duidelijk vast te stellen dat verdachte één of meerdere matrixborden met daarop de maximumsnelheid van 50 km/uur over het hoofd heeft gezien, nu getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij geen snelheidsbeperking op de matrixborden boven de weg heeft gezien en getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij niet weet of de matrixborden boven de snelweg aan stonden.

Verdachte was weliswaar niet helemaal fris, maar was zeker niet te vermoeid om te rijden.

De verdediging heeft aangevoerd dat een enkele momentane onoplettendheid onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van schuld in zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW94). Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist, die zijn in deze zaak echter niet komen vast te staan.

Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag afgeleid worden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW94. Het enkele feit dat verdachte de file niet heeft opgemerkt is daartoe onvoldoende.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met de door hem bestuurde vrachtwagen met aanhanger met een snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur en zonder te remmen achter op de file is gereden.

Gelet op de omstandigheden ter plaatse heeft verdachte zich daarmee zeer onoplettend gedragen. Hij heeft zich niet gehouden aan de op dat moment geldende maximumsnelheid, welke snelheid door de al ruim voor de plaats van het ongeval boven de weg in werking zijnde matrixborden was aangegeven en welke snelheid maximaal 50 kilometer per uur bedroeg. Verdachte heeft ofwel de vermelding op de matrixborden niet gezien ofwel zijn snelheid niet aangepast na het zien van de verlaagde maximaal toegestane snelheid. Dat geldt niet alleen voor het in werking zijnde matrixbord vlak voor de plaats van het ongeval , maar ook het driehonderd meter daarvoor oplichtende matrixbord. Daarnaast heeft hij evenmin het voor hem stagnerende verkeer tijdig opgemerkt. Hij heeft pas op het allerlaatste moment de laatste auto in de file opgemerkt. Op geen enkel moment heeft verdachte vaart geminderd. Dit is des te meer verwijtbaar nu verdachte zich met zijn vrachtwagen in de maandagochtendspits bevond en filevorming op de snelweg op dat moment naar algemene ervaringsregels geen onverwacht fenomeen is. Daarbij is van belang dat verdachte reed met een beladen vrachtwagen met aanhanger. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijk motorrijtuig een relatief lange remweg heeft. Het zicht ter plaatse was bovendien enigszins beperkt tengevolge van mist. Die omstandigheden hadden verdachte tot extra oplettendheid en voorzichtigheid moeten brengen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenstaande sprake was van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag door verdachte. Het letsel van [slachtoffer] is een direct gevolg van het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval en het letsel dient als zwaar lichamelijk letsel te worden beschouwd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 22 augustus 2011 te Amersfoort, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een vrachtwagen met aanhanger, daarmede rijdend over de middelste rijstrook van de parallelbaan van de weg, de Rijksweg A1, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend

met onverminderde snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur te rijden en

zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen en

terwijl de electronische rijstrooksignalering (matrixborden) het getal 50 (vijftig) aangaf en

voor hem op die rijstrook stilstaand of langzaam rijdend verkeer was, het door hem bestuurder motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

tengevolge waarvan een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en meerder voertuigen op die rijstrook

waarbij [slachtoffer]zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en meerdere fracturen, werd toegebracht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren,

een geldboete van € 1.000,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de duur waarop het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen een betaling in termijnen van de gevorderde geldboete.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit.

De verdediging kan bij een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde instemmen met hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd en heeft verzocht om een geldboete in termijnen op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij de zeventienjarige [slachtoffer]zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte is met zijn vrachtwagen achter op een file gereden en dat is verwijtbaar omdat hij met te hoge snelheid reed en geen vaart heeft geminderd. Daarbij heeft verdachte met zijn vrachtwagen tenminste twee auto’s die in die file stonden geraakt en is een aantal andere voertuigen met elkaar in botsing gekomen.

In één van de auto’s die door de vrachtwagen van verdachte is geraakt, zat het slachtoffer [slachtoffer]. Zij heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen en zal naar het zich laat aanzien niet meer herstellen tot de lichamelijke en geestelijke toestand van voor het ongeval.

Verdachte heeft als veroorzaker van het verkeersongeval veel leed toegebracht, niet alleen aan het slachtoffer maar ook voor haar ouders en overige naaste familie.

Voorts heeft verdachte met verkeersgedrag veel financiële schade toegebracht aan de overige bij het ongeval betrokken automobilisten en hun verzekeraars.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in Nederland in aanraking is geweest.

Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zijn baan als beroepschauffeur opgegeven, bij welke beslissing het onderhavige verkeersongeval een grote rol heeft gespeeld. Verdachte is thans werkloos en heeft nog schulden voortvloeiend uit zijn eerdere professie.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het nog altijd moeilijk heeft met de gedachten aan het verkeersongeval en het feit dat hij zich realiseert dat anderen het slachtoffer zijn geworden van zijn rijgedrag.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De gevorderde geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit. Daarbij is mede gelet op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank is van oordeel dat in deze een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verdachte weliswaar in België woonachtig is, maar dat dit een uitvoering van de taakstraf niet in de weg hoeft te staan.

Daarnaast acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen passend en geboden. Ook bij de oplegging van deze bijkomende straf wijkt de rechtbank af van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van zes maanden, een voorwaardelijke ontzegging van eenzelfde duur passend is. Dit met name vanwege de ernst van (de gevolgen van) het bewezen verklaarde feit.

Aan het voorwaardelijke deel van deze straf zal de rechtbank een proeftijd van 1 jaar verbinden gelet op de omstandigheid dat de strafzaak tegen verdachte pas ruim anderhalf jaar na het ongeval bij de rechtbank is aangebracht.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het opleggen van een geldboete niet opportuun wordt geacht, vanwege de ernst van het feit en de financiële omstandigheden van verdachte.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met het lange tijdsverloop in deze zaak.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van HONDERDENTWINTIG (120) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van ZESTIG (60) dagen,met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag. .

Veroordeelt verdachte voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van TWAALF (12) maanden met aftrek van de duur waarop het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd en ingehouden is geweest, waarvan ZES (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. van Straalen, voorzitter,

mrs. H.A. Brouwer en E.M. de Stigter, rechters,

in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 22 augustus 2011 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van

een motorrijtuig (vrachtauto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de

middelste rijstrook (van de parallelbaan) van de weg, de Rijksweg A1,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

met een (onverminderde) snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur te rijden,

in elk geval met een hogere snelheid dan, gezien de verkeerssituatie, ter

plaatse toegestaan en/of verantwoord was, en/of;

zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen, en/of

terwijl de electronische rijstrooksignalering (matrixborden) het getal 50

(vijftig) aangaf, en/of;

voor hem op die rijstrook stilstaand of langzaam rijdend verkeer (file) was,

het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

tengevolge waarvan een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde

motorrijtuig en één of meerdere voertuig(en) op die rijstrook,

waardoor [slachtoffer]zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of

meerdere fracturen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 22 augustus 2011, te Amersfoort, althans in het

arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met

aanhangwagen), op de middelste rijstrook (van de parallelbaan) van de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A1, heeft gereden,

met een (onverminderde) snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur, in elk

geval met een hogere snelheid dan, gezien de verkeerssituatie, ter plaatse

toegestaan en/of verantwoord was, en/of;

zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen, en/of

terwijl de electronische rijstrooksignalering (matrixborden) het getal 50

(vijftig) aangaf, en/of;

voor hem op die rijstrook stilstaand of langzaam rijdend verkeer (file) was,

en/of;

het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was;

tengevolge waarvan een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde

motorrijtuig en één of meerdere voertuig(en) op die rijstrook,

waardoor bij [slachtoffer]zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel

en/of meerdere fracturen, is ontstaan;

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verkeersongevalsananlyse, pag. 129 onder 2.2.2. Wegsituatie

3 Proces-verbaal van technisch onderzoek, pag. 209

4 Een geschrift, te weten het schrijven van het Universitair Medisch Centrum d.d. 12 september 2011, pag. 103.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 120

6 Verkeersongevalsananlyse, pag. 129 onder 2.2.2. Wegsituatie

7 Verkeersongevalsananlyse, pag. 190, punt 4.1.2. Matrixborden en pag. 191 t/m 193, uitdraai Rijkswaterstaat

8 Verklaring getuige [getuige 3], (pag. 87)

9 Verklaring getuige [getuige 4], pag 89 en 90